Aan lager wal in Oost-Vlaanderen

Pas na verschillende jaren kon Arnoldus de gevaarlijke grensstreek achter zich laten.  Het was wachten op een zoveelste overplaatsing eer hij op 25 juni 1763 in het veel rustiger omgeving terecht kwam. Het werd Gent waar de douanebrigade vooral dienst deed aan de sluizen en stadspoorten.  Theoretisch is het mogelijk dat Arnoldus in augustus 1764 aan één van die stadspoorten de koets van de familie Mozart heeft gecontrolleerd toen die Gent met een bezoek vereerden.

Voorjaar 1765 was hij niet langer in staat om in Gent naar behoren te functioneren (door de alcohol ?) en op 2 mei 1765 werd hij ontslagen.

Drie maanden later werd hij opnieuw aangeworven door de douane en op 28 augustus 1765 als garde bij de brigade van Lokeren ingedeeld 1.  Zijn enig kind, Franciscus Arnoldus Capitaine, die onder-tussen ook als garde door de douane was aangeworven, deed een paar kilometer verder dienst bij de brigade in Burcht 2. Dat Arnoldus een nieuwe kans kreeg sierde de administratie van de douane, al zal hebben meegespeeld dat er bij de douane steeds meer vacatures waren dan kandidaten.  Niet in het minst door het lage loon en de ongunstige werkomstandigheden.

Een succes werd het ook in Lokeren niet en enkele maanden later volgde opnieuw een negatieve evaluatie: “le garde de bureau Capitaine ni fait aucun devoir, se disant trop vieux (hij was 48 jaar) et trop infirme pour faire un service de campagne”.  Het is natuurlijk geen excuus, maar de rest van de brigade van Lokeren voldeed evenmin.  Een collega garde was een dronkaard en de ontvanger bezat onvoldoende administratieve kennis om het bureau efficiënt te leiden. 3

Omdat Arnoldus niet in staat was te velde te patrouilleren besloot men op 10 februari 1766 hem naar Dendermonde over te plaatsen als garde aan de stadspoorten. 4  Dit was al bij al een comfortabel bestaan: verlost van het veldwerk te paard, beschut tegen wind en regen, in de winter een stoof om zich te warmen, de mogelijkheid om met de vele passanten een “klapke te doen”, …  Keerzijde van de medaille was dat het een betrekking “à demi gage” betrof.

Net zoals in andere brigades, was ook in Dendermonde de drankduivel allom tegenwoordig.  Via een verhoor over het gedrag van zijn oversten, die beschuldigd waren van alcoholisme, weten we dat Arnoldus de maanden voor 6 juni 1766 in Dendermonde dienst had gedaan aan de “porte de Gand, de “porte de Bruxelles” en de “porte de Waes”.  Soms diende hij ook schepen te inspecteren.  Over de uitbetaling van zijn loon had hij geen klachten.  Dit gebeurde stipt.  Extra premies had hij jammer genoeg nog niet ontvangen want hij had nog geen smokkelwaar in beslag kunnen nemen.  Bovenop zijn loon had hij wel een aantal “emoluments (qui) proviennent des visas des dépeches” ontvangen: aan de Brusselse poort 2 gulden en aan de Waaspoort 9 gulden 10 stuiver.

Er waren ook wat beperkte inkomsten vanwege schippers die de Waaspoort passeerden.  Sommigen gaven immers “un escalin”, anderen gaven twee “liards” (= duiten) als fooi.  Uitdrukkelijk verklaarde Arnoldus dat men dit vrijwillig gaf, een soort oude gewoonte, zonder dat daar door de poortwachters was op aangedrongen.

FOTO 1

Dendermonde: de Brusselse poort (= Brauwels poort) ca. 1730 door Andries Schoemaker (1660-1735).  Afgebroken in 1783.

FOTO 2

Dendermonde: de Waaspoort (= Veerpoort, Scheldepoort, Waterpoort) ca. 1730 door Andries Schoemaker (1660-1735).  Afgebroken in 1783.

FOTO 3

Dendermonde: de Gentse poort (= Steenpoort) ca. 1730 door Andries Schoemaker (1660-1735).  Afgebroken in 1783.  Rechts de kapel van het Sint-Blasiusgasthuis.

September 1766 dreigde opnieuw overplaatsing.  Brussel had het voornemen Arnoldus terug naar Oostende te sturen, maar zijn oversten vonden dit geen goed idee: “cet employé ne convient pour Ostende aiant la vue trop faible”.  Een argument dat hout sneed en men besloot een Gentse garde naar Oostende te sturen.  Om de man te vervangen werd Arnoldus naar Gent overgeplaatst. 5 6  Ook deze keer als garde bij de stadspoorten.  Na verloop van tijd gelukkig wel met een volwaardig loon.

De maanden vlogen voorbij en Arnoldus wist dat het slechts een kwestie van tijd was eer hij opnieuw zou worden overgeplaatst.  Hij anticipeerde hierop door op 9 september 1767 een verzoek in te dienen om hem invalide te verklaren en een pensioen toe te kennen. 7  In zijn rekwest schreef hij 30 jaar dienst te hebben.  Nooit had men hem ook maar het minste moeten verwijten.  Hij had integendeel steeds grote ijver aan de dag gelegd bij de ambulante brigades te velde.  Zeven à acht jaar geleden had hij echter een “échaufemant” opgelopen waar hij nog steeds last van had.  Samen met andere ziektes en ongemakken die hem van tijd tot tijd overvielen was dit de reden dat hij zijn werk slechts met moeite en onder grote pijnen kon verrichten.  Hij vroeg om een rustpensioen “pour se retirer avec sa femme et se tranquiliser le reste de cesjours“.  Dat Arnoldus in zijn rekwest de waarheid op meerdere punten manifest geweld aan deed, was niet verstandig.

Voor zijn verzoek naar Brussel door te sturen hadden zijn Gentse oversten hun dossiers nagekeken, en ze waren tot de vaststelling gekomen dat Arnoldus “est seulement agé de 48 ans, qu’il n’en a que 26 ½ de service au lieu de 30”.  Dat hij een slechte gezondheid had, was blijkbaar wel correct.  Brigadiers die met Arnoldus hadden gewerkt bevestigden dat “Capitaine n’est plus en etat de remplir les devoirs a cause de ses incommoditeés”.   Dit was volgens de officieren in Gent echter in tegenstrijd met de inlichtingen die ze eerder vanwege het departement Sint-Niklaas hadden ontvangen.  Daar had men amper een jaar eerder geoordeeld dat Arnoldus “convient à une porte de ville, ne pourant faire le service de campagne a cause de sa mauvaise vue, mais ils (de officieren van Sint-Niklaas) ne font aucune mention de ses autres incommodités”.  Had men in het departement Sint-Niklaas een aantal “incommodités” verzwegen, om Arnoldus te kunnen lozen?

Daar Arnoldus meer dan 25 dienstjaren had, was men in geval van echte invaliditeit verplicht hem een pensioen uit te betalen.  Het bestuur van de douane zag dit niet zitten.  Arnoldus was immers veel te jong en dus een potentiële verliespost die men gedurende vele jaren in de begrotingen zou moeten inschrijven.  In Brussel werd slim opgemerkt dat de informatie die ze hadden ontvangen tegenstrijdig en onduidelijk was: “les officiers principaux de l’un et l’autre departement (Gent en Sint-Niklaas) parlent si vagement des infirmités du garde Capitaine qu’on ne saurait rien conclure”.  Volledig arbeidsongeschikt kon hij dus niet zijn besloot de regie in Brussel op 5 december 1767.  Voor een invaliditeitspensioen kwam Arnoldus dan ook niet in aanmerking.

Arnoldus had echter slapende honden wakker gemaakt.  Zijn rekwest had Brussel overtuigd dat hij niet tip top in orde was en dat hij zijn job niet naar behoren kon uitoefenen.  Daar hielden ze rekening mee, maar niet zoals Arnoldus had gehoopt.  Brussel besloot “qu’il ne serait pas juste de lui laisser les pleins gages.  On pourait l’expedier dans une ville ou il  y a beaucoup de gardes de facon que le peux d’activité de l’un n’est pas si nuisible au service”.  Men stelde voor hem naar Doornik over te plaatsen om er dienst te doen aan de stadspoorten én in elk geval zijn loon te verminderen tot ¾ van wat hij tot dan had verdiend.

FOTO 4

Verzoekschrift van Arnoldus Capitaine dd. 9 september 1767 om hem op rust te stellen wegens invaliditeit.

Natuurlijk zag Arnoldus dit niet zitten en hij tekende formeel protest aan.  Hij liet weten dat zijn slechte gezondheid een zoveelste verhuis niet toeliet.  Bovendien zou hij, alweer door zijn slechte fysieke conditie, in Doornik niet het werk kunnen doen dat van hem werd vereist.  Hij vroeg integen-deel opnieuw hem op rust te stellen.  Zijn bezwaarschrift liet hij vergezeld gaan van een door een arts in het Latijn geschreven attest over zijn slechte gezondheid.

FOTO 5

Het attest dd. 17 december 1767 over de slechte gezondheid van Arnoldus Capitaine.

Na wat correspondentie tussen Brussel, Gent en Doornik was uiteindelijk iedereen het erover eens dat Arnoldus niet meer in staat was om te werken.  Hem definitief met pensioen sturen was uitgesloten want te duur.  Na wat wikken en wegen formuleerde Brussel op 9 januari 1768 een creatief voorstel: “pour ne pas être dupe, nous croions qu’on pourrait lui accorder provisionnellement les demis gages (120 gulden/jaar, 10 gulden/maand) sans le mettre sur la liste des jubilaires” (de officieel gepensioneerden).  De hoofdofficieren van Gent kregen opdracht om driemaandelijks te rapporteren over zijn gezondheidstoestand.  Indien Arnoldus terug fit werd bevonden voor wat dan ook, zou hij worden opgeroepen en een aanstelling krijgen.  Zo snel als mogelijk zou hij voor zijn inkomen terug moeten werken.

Als tijdelijk werkonbekwame invalide was er geen reden om in Gent te blijven wonen en in januari 1768 verhuisden Arnoldus en zijn echtgenote naar Zeveneken waar ze herenigd werden met hun zoon. De toen 22-jarige Franciscus Arnoldus Capitaine was immers een paar weken eerder van de douane-brigade Burcht naar Zeveneken overgeplaatst in de hoop dat de plaatselijke brigadier hem wat meer discipline zou bijbrengen.

Mooi meegenomen voor de familie Capitaine was dat ze met hun drie konden samenwonen en er dus op de vaste uitgaven (huur, verwarming, enz.) kon worden bespaard wat iedereen voordelig uitkwam.

Het landelijke Zeveneken was voor douaniers zeker geen rustoord gelet op de drukke steenweg Gent-Antwerpen die door het dorp liep.  Daarnaast was in zo een kleine gemeenschap de polarisatie tussen de plaatselijke bevolking en de dorpsvreemde douaniers veel scherper dan in een grootstad.  Een paar maanden voor de hereniging van de familie Capitaine had de dienstdoende brigadier J. B. Fregnell het er maar nauwelijks levend van afgebracht toen hij in de herberg waar hij zelf logeerde smokkelaars op heterdaad had betrapt. 8

Die confrontatie op 30 juni 1767 had een voorgeschiedenis.  In zijn verklaring achteraf stelde de brigadier dat een zekere Gillis De Waele “aen my eenighe daeghen te vooren ghevraeght hadde omme in fraude van Haere Majesteyts rechten van het Sas van Ghendt binnen dese prochie van Seveneecken te brenghen eenighe stucken sits. (= soort bedrukt katoen)  (…)  My declarerende dat hy voor Ludovicus Joannes Jocqué woonende in eenen winckel ontrent myne woonstede, oock in fraude, noch eenighen roock taback moeste mede bringhen”.  In de hoop dat de brigadier hem niets in de weg zou leggen had De Waele hem “offrerende een ducaet, het gonne ick (= Fregnell) niet en hebbe willen aenveirden, by dien absolutelyck gherefuseert”.

De Waele had het niet verstandig aangepakt.  Toen hij enkele dagen na elkaar niet in het dorp was gezien had dit de brigadier gealarmeerd die nu extra waakzaam was.  Op “den 30 juny lestleden tusschen den twaelf en een ure snachs“ hield hij vooral de herberg “van Joannes Baeten binnen het voorseyt dorp van Seveneecken” in de gaten.  Tijdens zijn ronde was “ghecommen den voorseyden Ludovicus Joannes Jocque doctor (soo hy uyt-geeft) inde medicynen synde t’eenenmael bedranckt (die de brigadier had) geagresseert ende toe-ghebracht eenen veamenten (= hevige) stoot ofte stamp waer op (Fregnell) hem Jocque (had) vast genomen ende ter aerden ghesmeten hebbe.  Waer naer hy Jocque siende syn onghelyck my heeft binnen gheroepen ten huyse vanden selven Joannes Baeten alwaer ick woonachtigh ben ten eynde van vriendtschap te maecken”.

Alhoewel het officiële sluitingsuur ruim overschreden was, zat er nog veel volk in de herberg.  Onder andere “Dictus Scheiris fabriqueur in chamoise ende neusdoecken binnen het gemeld dorp van Seveneecken” en zijn “werck-lieden ofte cnechten”.  “Onder het drincken van een glas lemenade” had Scheiris partij gekozen tegen de douanier.  Nadat hij Fregnell verschillende keren  “gheinjurieert hadde, heeft den selven Scheiris benevens syne cnechten my (Fregnell) gheataqueert ende ter aerden gheslaegen alsmede my langhst den huyse ghesleept ende my toeghebracht differente slaeghen ende stampen waer doore ick op myn hooft becommen hebbe meninghvuldighe wonden ende contusien soo daenighlyck dat ick incapabel ben te voldoen aende dienst van haere Majesteyt ende ten waere door d’hulpe ende beystandt van d’huysvrauwe vanden selven Baeten benevens haere domisticque die my ghesalveert hebben saude in het uytterste peryckel gheweest hebben van myn leven te verliesen ende vervolghens hebbe my uyt meyne woonstede op de vlucht moeten begeven ten huyse van mynen onder-brigadier Ledeck omme alsoo alle voorder ongemack te eviteren”.

Blijkbaar wist Arnoldus Capitaine zich in Zeveneken te herpakken en na verloop van tijd was hij terug tot enige arbeid in staat.  Bewijs is een op 29 oktober 1768 door het bestuur van Zeveneken officieel gezegelde “attestatie” waarbij ze verklaarden dat “Arnoldus Capitaine woonachtigh aen desen dorpe den tydt van ontrent thien maenden ende gheëmployeerden inden dienst van haere mayesteyts reghten, thollen ende licenten jeghens de fraudeurs der selve reghten van het departement van den voor-schreven lande van Waes, voorsien van vrauw, ende eenen soon, staet ten goede naeme ende faeme, daer en boven van eerlyck gedrag, ende seer neerstig inden dienst tot het exerceren van syne fonctie, maer arm van conditie om aende cost te gheraecken ende syn voorder nootsaeckelyckheyt van huys-hure, kleederen ende lynwaeten”. 9

FOTO 6

Attestatie” afgeleverd door het bestuur van Zeveneken dd. 29 augustus 1768 ten gunste van Arnoldus Capitaine.

De kans is groot dat Arnoldus’ vlijt en ijver te rooskleurig werden voorgesteld.  Het attest was bedoeld om een gratieverzoek voor zijn zoon te ondersteunen dat Arnoldus bij de Geheime Raad in Brussel had ingediend.  Zijn enig kind had zich zwaar in nesten gewerkt en zat in afwachting van een proces reeds enkele maanden opgesloten in het Gravensteen te Gent.  De feiten waren dermate ernstig dat een veroordeling tot de galg niet uitgesloten was.  Gelukkig werd het uiteindelijk “maar” 10 jaar opsluiting in de gevangenis.  (Zie verder)

Juli 1769 werd Arnoldus terug omschreven als “garde invalide10. In de loop van 1770 was hij echt niet meer tot werken in staat en werd hij “dispensé du service a cause de son infirmité qui s’augmente de plus en plus11.

Hij overleed uiteindelijk te Eksaarde op 24 september 1773, amper 55 jaar oud.  Mogelijk bevond hij zich die dag louter toevallig in Eksaarde.

Arnoldus’ weduwe, Marianna Willems, bleef in weinig benijdenswaardige omstandigheden achter: 48 jaar oud, zonder middelen van bestaan, ver van familie of schoonfamilie. 12  En met de verplichting te voorzien in de detentiekosten van haar zoon die sinds 10 augustus 1769 als crimineel opgesloten zat in het Geraard de Duivelsteen te Gent, één van de provinciale “correctiehuyzen”.

De financiële steun van (groot)moeder Boerboom in Oostende volstond niet om de detentiekosten te betalen en enkele maanden na het overlijden van Arnoldus ontving de Geheime Raad te Brussel in april 1774 een verzoekschrift.  Weduwe Marianna Willems vroeg om “élargissement” (= in vrijheid stelling) van haar zoon Franciscus Arnoldus.  Hij zat reeds zeven jaar opgesloten en ze was nu “dans l’impossibilité de continuer a paier les fraix de cette detention”.  “Si elle avait son fils pres d’elles, il pourrait la secourir par son travail”. 13

Brussel besloot tot clementie en liet de laatste drie jaar gevangenisstraf vallen.  Voorjaar 1775 was haar zoon op vrije voeten en woonde hij in Zeveneken bij zijn moeder en haar tweede echtgenoot. Marianna Willems was immers op 11 oktober 1774 in Lokeren een tweede huwelijk aangegaan met de 15 jaar jongere Willem (Guilielmus) Manders. 14  Een (analfabete) spinner, later herbergier, die zich in 1770 – 1771 in Zeveneken had gevestigd.  Waarom hun huwelijk in Lokeren werd ingezegend en niet in Zeveneken is onbekend.

Al snel verhuisde Franciscus Arnoldus Capitaine naar Oostende waar zijn grootmoeder woonde.  Zelf bleef Marianna Willems in Zeveneken wonen, maar ze wist het contact met haar zoon te onderhouden. Zeker in november 1782 en in september – oktober 1784 verbleef ze bij haar zoon in Oostende. Mogelijk was haar overkomst bedoeld om in de herberg van haar zoon (mogelijk de herberg van grootmoeder Boerboom die in 1776 overleed) mee te helpen want haar verblijf viel samen met bevallingen van haar schoondochter. 15  Na de bevallingen keerde ze, samen met haar tweede echt-genoot, naar Zeveneken terug.

In 1795 liet Marianna Willems haar 13-jarige kleinzoon Franciscus Arnoldus Capitaine/Capiteyn (junior) van Oostende overkomen om voortaan bij haar in Zeveneken te wonen.  Twee jaar later kwam ook kleindochter Isabelle Capitaine/Capiteyn van Oostende over. 16  Mogelijk gebeurde dit om het gezin van haar zoon, die het financieel blijkbaar moeilijk had, wat te ontlasten.

Marianna Willems overleed te Zeveneken op 6 april 1802.

Alles wijst er op dat het echtpaar Capitaine – Willems slechts één kind kreeg: 17

– CAPITAINE Franciscus Arnoldus (senior):

Geboren te Oostende in 1746.

Overleden te Mesen in het Koninklijk Gesticht op 2 juni 1828.

 


Notes:

  1. ARAB, Raad van Financiën, nrs. 6.112 tot en met 6.117, registers met signalementen van de bedienden met vermelding van het département waartoe ze behoren 1753 tot 14/12/1758
  2. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.321, personeelsdossier douanedepartement Sint-Niklaas 1765-1768, dossier oprichting nieuwe douanebrigade te “Nieuwekercke“.
  3. ARAB, Raad van Financiën, nr. 5.948, nouvelle organisation du personnel des douanes , februari–maart 1766, rapport van de hoofdofficieren van het departement Sint-Niklaas aan de regie in Brussel dd.  28/01/1766.
  4. ARAB, Raad van Financiën, nr. 5.948, nouvelle organisation du personnel des douanes , februari–maart 1766, bevel van de regie in Brussel aan de hoofdofficieren van het departement Sint-Niklaas dd . 10/02/1766.
  5. ARAB, Raad van Financiën, nr. 5.953, nouvelle organisation du personnel des douanes , september 1766, bevel van de regie in Brussel aan de hoofdofficieren van het departement Sint-Niklaas dd . 24/09/1766.
  6. Op 11/09/1766 werd in Gent ook een Jean Baptiste le Capitaine (°Luxemburg) garde “à demi gage”.  Er is geen band met “onze” familie Capitaine.  Na 14 jaar dienst als onderofficier bij een regiment dragonders was,hij in september 1766 door de douane aangeworven met Gent als eerste standplaats.  Op 17/11/1766 kreeg hij er een zeer positieve evaluatie en men besloot op 29/11/1766 om deze “Capitaine” (het voorvoegsel “le” viel weg in de stukken) over te plaatsen naar Eksaarde als volwaardig garde.
  7. ARAB, Raad van Financiën, nr. 5.964 nouvelle organisation du personnel des douanes, december 1767.
  8. RAG, Raad van Vlaanderen, nr. 31.147 lijkschouwingen 1767-1769, verklaring dd. 1/07/1767 door J. B. Fregnell.
  9. RAG, Raad van Vlaanderen, nr. 23.452, proces Pieter-Augustinus Broeckaert (Burcht) en cons.: vervalsing aan koopcontract – omkoperij van getuigen – bedrog, 1769-1771.
  10. ARAB, Geheime Raad, nr. 633 A, gratiedossiers jaar 1774, dossier F. A. Capitaine.
  11. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.117, signalement des employés, personeelsregister afgesloten 16/12/1770.
  12. RAG, Scheldedepartement, nr. 2.675/5, bevolkingstelling nr. 7 Zeveneken, 2 registers 1795 en 1797 (?).
  13. ARAB, Geheime Raad, nr. 633 A, gratiedossiers jaar 1774, dossier F. A. Capitaine.
  14. RABW, parochie Lokeren, huwelijksregisters.
  15. RAG, Raad van Vlaanderen, nr. 30.877 correspondentie van de fiscael augustus-september 1784.
  16. RAG, Scheldedepartement, nr. 2.675/5, bevolkingstelling nr. 7 Zeveneken, 2 registers 1795 en 1797 (?)
  17. De parochieregisters van Oostende van voor 1758 zijn vernietigd tijdens de Tweede Wereldoorlog.