Aanvankelijk te jong, te lui en blijkbaar ook te simpel

Mogelijk was Franciscus een zorgenkind want als 14-jarige zou hij zijn getroffen door een “apoplexie  dont il a gardé une simplicité et médiocrité extrème d’esprit”. 1  Een echte beroerte is weinig waar-schijnlijk.  Mogelijk betrof de “apoplexie” een aanval van stuipen.  Dat deze voorouder echt extreem simpel van geest was, moet met een flinke korrel zout worden genomen.  Zijn “simpelheid” werd pas in 1774 aangekaart (hij was toen 28 jaar oud) in het kader van een gratieverzoek om publieke geseling en verbanning als crimineel te voorkomen.  Maar we lopen op de feiten vooruit.

In de loop van 1764 nam de 18-jarige Franciscus dienst bij de douane.  Hij trad daarmee in de voet-sporen van zijn vader, grootvader en overgrootvader.  We vonden hem voor het eerst terug als garde met half loon bij de brigade Burcht in het douanedepartement Sint-Niklaas.  Een brief dd. 27 oktober 1766 van de regie in Brussel was tamelijk lovend: “Les gardes a demis gages de Borcht, Capitaine et Van Geel, et de La Clinge (= De Klinge, nu een deelgemeente van Sint-Gillis-Waas) De Juzaine, sont les derniers des anciens  2 qui n’ont pas obtenu l’augmentation dans ce département.  On n’a reçu aucune plainte a leur charge, ils paraissent dans le cas d’être augmentés et le garde Capitaine a les qualités requises pour commander.  Comme il doit avoir un sous brigadier a f. 200 a Borght, il pour-rait y être dénommé”.  De aanbevelingen werden gevolgd.  Van Geel en De Juzaine werden  garde met volledige loon en vervolgens naar de nieuw gecreëerde brigade van “Nieuwekercke” (= Nieuwkerken-Waas) overgeplaatst. 3   Franciscus’ werd bevorderd tot hulpbrigadier en kreeg eveneens loons-verhoging, al ontving hij nog steeds geen “volle wedde”.  Van “simpelheid” was in elk geval geen sprake. Op 6 november 1767 schreef Franciscus vanuit Burcht in ietwat fonetisch Frans aan zijn collega “monsieur Du Preedt, sous brigadier à Swyndereght” een kort briefje.  Hij verzocht om aan het hoofd-bureau in Sint-Niklaas door te geven dat hij een ongeluk had gehad, één van zijn voeten niet kon gebruiken, en het dorp niet kon verlaten. 4

FOTO 1

A Monsieur, / J’ay de l’honneur de vous lessée savoir  /  avec ce lettre que je ai un malleur a mon phied.  /  Que je ne pas  capables de allée d’hoor (sic) la village.  /  Dont je vous pris de léssée savoir à monsieurs  /  les officiers les principaux (=  de oversten in Sint-Niklaas) et au si je lesse savoir  /  command cete arrivée ce parrapoor (sic) que je lesse  /  savoir.  Votre tres humble F. A. Capitaine / Borght le sies (sic) novembre 1767.

Een jaar later zat Franciscus nog steeds in Burcht.  Een vergeten polderdorpje aan de Schelde in een uithoek van Oost-Vlaanderen met slechts een paar honderd inwoners. 5  Hij had er zijn buik van vol. Op 18 november 1767 schreef hij vanuit Burcht aan zijn overste in Sint-Niklaas.

Myn heer,

Dezen dient om U te laeten weeten als dat ick nauw geheel herstelt ben van mynen waeck (= inspectie) en nogh voorders hebbe ick huydt geweest met de brygade van Swyndereght  6 gelyck my geordoneert is geweest.  Zoo dat ick idder reyse in de polders gaen, zoo cooment ick aen de corsen (= koortsen) op myn lif.  Ick en weete niet wat dat het sal huydt coomen zoo bidde ick U Edele op alle vryendtschap, van my te willen accordeeren van myn post te laeten topserveeren met (baccerfez ?) en den water-meulen en die omliggende dorpen ende weegen met myn garde Van Geel, of vindt de heeren principael (= de hoofdofficieren) niet geraedtsaem, soo versoucke ick als van te willen schryven om myn veranderringhe (= overplaatsing), want my de polders zeer ongesont zyn, U soudt my groodt playsier doen van myn veranderynghe te willen versoucken.7

Enkel de regie in Brussel kon beslissen tot overplaatsing dus stuurden de hoofdofficieren van Sint-Niklaas zijn verzoek door.  Maar met een aantal opmerkingen: “Le sous-brigadier du poste de Borcht Capitaine” had hen laten weten “que chaque fois qu’il faisait le service dans les poldres, qu’il revenait chaque fois avec des fièvres et pour cette raison il demande de pouvoir rester chez lui ou de lui con-sentir son changement.  Comme on nous informe qu’il ne fait aucune devoirs sous prétexte que l’air lui est contraire et que les chemins des poldres son trop mauvais, tandis qu’il se promène au poste pendant que le garde de sa brigade travaille fréquenment avec ceux de Swyndrecht, nous croions que nous pouvons dire avec justice, que cet emploié, qui n’est âgé que de 22 ans, est grandement atteint de paresse (= luiheid) et d’indolence (= laksheid), conséquenment peu convenable au poste qu’il occupe qui demande un emploié vigilant et zélé” (= gedreven).

Brussel reageerde snel.  Op 24 december 1767 besloot men dat “après un tel rapport d’un jeune emploié qui est à la force de son age, il n’y a pas a balancer de le punir par une réduction et un changement sous la conduite d’un brigadier actif”.  Franciscus werd dus in graad teruggezet en als garde met een jaarloon van 180 gulden overgeplaatst naar Zeveneken waar “Capitaine sera sous conduite d’un bon brigadier et il n’aura pas a se plaindre du climat”. 8  De overplaatsing had maar een matig positieve invloed op zijn arbeidsattitude.  Men vond hem in Zeveneken “de bonne conduite, mais peu zelé et rusé dans son service”.  Bovendien was hij “affligé du bras gauche du quel il ne peut se servire”.  Of dit probleem met de linkerarm tijdelijk of permanent was, is onbekend.

Was Franciscus echt ziekelijk en kon hij het leven in de polders niet aan, of hadden zijn oversten gelijk en ontbrak het hem gewoon aan motivatie?  De waarheid zal zoals vaak ergens in het midden hebben gelegen.  Dat de leefomstandigheden van douaniers te velde hard waren valt niet te ontkennen.  De top van de douane was zich daar goed van bewust.  Een officiëel rapport uit 1766 over het leven van de gardes in het algemeen stelde: “Plusieurs, exposés aux injures du temps pendant un hiver rude, dans des baraques ou le plus pauvre villageois n’aurait point voulu habiter, y ont contracté des maladies.  Il y en a qui sont morts de froid et de misère.  Une partie d’entre eux a été forcée à l’inaction, faute d’habits, de souliers et de feu pour se réchauffer en revenant à demi gelés de leurs veilles”. 9 10  De gezondheidsklachten van Franciscus waren dus mogelijk terecht.

Een job bij de douane had het voordeel van een vast inkomen, maar een vetpot was het niet.  Het standaardloon van een garde bedroeg 240 gulden Brabants per jaar.

Dit lag hoger dan dat van een ongeschoolde werkman, maar deze “volle wedde” was in de brigades van Burcht en Zeveneken waar Franciscus dienst deed niet van toepassing.  Daar verdiende men ¾ lonen, wat niet echt motiverend was.  En gedemotiveerde douaniers konden op weinig begrip rekenen. Dupuy, sinds 1750 algemeen administrateur van de douane, wist perfect wat de risicos waren van het lage loon.  “Leur misère les engage à faire des friponneries” (= schurkenstreken, gauwdieverij), werd onomwonden gesteld.  Maar “on ne doit rien pardonne aux employés.  La plus petite minutie (= on-zorgvuldigheid) dans le service est un crime capital dont on ne peut jamais revenir”. 11

Door de overplaatsing naar Zeveneken was Franciscus weg uit de ongezonde polders.  Dat zijn loon met 20 gulden per jaar werd verlaagd was al bij al geen drama.  In Zeveneken werd hij immers herenigd met zijn ouders die in januari – februari 1768 uit Gent wegtrokken en eveneens in het dorp kwamen wonen.  Door terug in gezinsverband samen te wonen vielen een aantal vaste kosten (huis-vesting, verwarming, enz.) in elk geval lichter uit. 12

Het geluk was van korte duur.  Een paar maanden na zijn overplaatsing werd de 22-jarige Franciscus door een “friponnerie” uit het verleden ingehaald.  Op bevel van de raadsheer fiscaal van Vlaanderen (soort combinatie van een onderzoeksrechter en openbaar aanklager) Dirick werd hij op 27 april 1768 gearresteerd en voor verhoor overgebracht naar Gent waar hij werd opgesloten in het Gravensteen.

FOTO 2

Het Gravensteen te Gent

De hoofdofficieren van het douanedepartement Sint-Niklaas ontvingen op 29 mei 1768 van de fiscaal een kort briefje met de mededeling dat “suite de commission criminelle, il a fait appréhender le garde du post de Seveneeke François Arnoud Capitaine”.  Het gerucht ging dat ce garde aurait souscrit comme témoin à une faux acte”.  Zonder de uitslag van een eventueel proces af te wachten liet Brussel op 5 juni 1768 aan het bureau Sint-Niklaas weten dat wat hen betrof Capitaine had afgedaan: “Nous l’avons congédie de service”. 13

Wat was er gebeurd?  Op basis van het procesbundel konden we de feiten reconstrueren.  14  Toen Franciscus in Burcht gestationeerd was, woonde hij in bij de plaatselijke bakker: Pieter Augustinus Broeckaert.  Een niet onbesproken figuur die reeds enkele keren met het gerecht in aanraking was gekomen.  De broer van de bakker, Judocus Broeckaert, had op 12 oktober 1767 met het echtpaar Lenaert Smet – Paschasia De Rycke uit de buurgemeente Bazel een huurcontract afgesloten voor een huis met uitzicht op de kerk van Bazel.  Twee weken na de ondertekening van het contract begaven bakker Broeckaert en Capitaine zich op 26 oktober 1767 vanuit Burcht naar Bazel waar ze aanklopten bij het echtpaar Smet – De Rijcke.  Bakker Broeckaert verklaarde er dat zijn broer het huurcontract kwijt was.  De bakker had daarom zelf een nieuw huurcontract opgesteld en kwam dat nu aan het echtpaar ter ondertekening aanbieden.  Omdat het echtpaar ongeletterd was, werd de tekst door Franciscus voorgelezen waarna het echtpaar het stuk ondertekende.  Lenaert Smet met een houterige handtekening, zijn echtgenote met een kruisje.  In aanwezigheid van alle betrokkenen had Franciscus als getuige naast dit kruisje geschreven dat het wel degelijk het merkteken betrof van Paschasie De Rycke.  Daarna waren Broeckaert en Capitaine terug naar Burcht vertrokken.

Begin maart 1768, Franciscus was toen al overgeplaatst naar Zeveneken, ondernam bakker Broeckaert een poging om 500 gulden te lenen van een zekere Jan Baptiste Van Landeghem uit Beveren-Waas. Als onderpand voor de lening beloofde Broeckaert een hypotheek te vestigen op een huis in Bazel dat hij op 26 oktober 1767 van het echtpaar Smet – De Rycke had gekocht.  Bij het officialiseren van de lening kwam echter aan het licht dat het echtpaar Smet – De Rycke nooit hun huis had verkocht aan Broeckaert.  Of toch?  Broeckaert kon immers een akte van verkoop voorleggen.  Een onderzoek toonde al snel aan dat het vervangende huurcontract dat het echtpaar in goed vertrouwen, na voor-lezing van de inhoud, hadden ondertekend in feite een akte van verkoop was geweest.  Zo een flagrant geval van oplichterij en misbruik van vertrouwen kon natuurlijk niet ongestraft blijven.  Broeckaert besefte dat hij zijn hand had overspeeld en was gevlucht.  Zijn medeplichtige Franciscus Capitaine werd op 27 april 1768 in Zeveneken gearresteerd en opgesloten in het Gentse Gravensteen.

Op 10 mei 1768 werd “Frans Arnoldus Capitain fs Arnoldi, oudt 21 jaeren gebortigh van Oostende en woonachtigh tot Seveneecke, garde tot conservatie van haere Majesteyts rechten” onderworpen aan een verhoor waarbij hem 56 gedetailleerde vragen werden gesteld over zijn aandeel in deze oplichting-zaak. 15  We laten hem als “verweerder” zelf aan het woord.

– Hij bevestigde dat hij “Pieter Augustinus Broekaert heeft gekent by middel van ten huyse van selve syne coste gecocht te hebben (= inwonen) geduerende den tyt dat hy verweerder synen post was hebbende binnen de voorgemelde prochie van Burcht”.

– Hij bevestigde bij het echtpaar Smet – De Rycke in Bazel op bezoek te zijn geweest samen met bakker Broeckaert die hem “daer toe hadde versocht op sekeren dagh als waneer hy verweerder op synen dienst was om lancxt de canten van Basel te gaen”.  “Den justen dagh niet te connen seggen, maer dat het geweest is op sekeren dagh ontrent t’eynde van voornoemde jaere 1767 tusschen 5 a 6 uren van avont”.  (Het was op 26 oktober 1767)

Hij bevestigde dat “Pieter Augustyn Broekaert aen d’huysvrauwe van Lenaert Smet en daer naer aen selve Smet gesyt heeft dat synen broeder Judocus Broekaert de double van voorgementioneerde voor-waerde (= het huurcontract) hadde verloren” waarna Broeckaert zei dat hij “eene andere double hadde doen schryven en medegebracht hadde”.

– Het was juist dat “de huysvrauwe van gemelde Lenaert Smet op de persuasien van Pieter Augustyn Broekaert het voorschreven papier ofte voorwaerde heeft onderteeckent met een cruysken”.

– Hij verklaarde “te gelooven dat de geseyde huysvrauwe het selve pampier heeft onderteeckent inde meyninge dat het de double was van voorwaerde gelyck hy verweerder oock was meynende”.

– Hij ontkende “dat het voorschreven bescheet door hem verweerder ofte door Pieter Augustyn Broekaert voor ofte naer het onderteeckenen van meergeseyde huysvrauwe Smet aen haer is vooren gelesen geweest”.

– Hij gaf toe dat Broeckaert na “het voorgemelde onderteeckenen hem heeft geadresseert aen Lenaert Smet die t’huys gecommen was ten fine van hem oock te doen onderteeckenen”.

– Hij verklaarde uitdrukkelijk “niet te weten wat het meergemelde bescheet was inhoudende vermits het selve niet en is voorengelesen geweest”.

– Hij zei “te gelooven dat Lenaert Smet het selve bescheet aldus ter goeder trauwe heeft onderteeckent in myninghe dat het effectiven een double was van voorwaerde voorschreven”.

Hij bevestigde dat hij als getuige “op het versouck van Pieter Augustyn Broekaert (op de akte) heeft geschreven de volgende woorden: Dit is het hantschryft van huysvrauwe van Lenaert Smet, (en dit) staende ontrent het marcq van voorschreven huysvrauwe”.

– Tot twee maal toe verklaarde hij zeer uitdrukkelijk op de akte “niet anders geschreven te hebben als de woorden ten voorgaen, “behoudens dat hy het meergemelde bescheet oock noch met syn gewoone handteecken heeft onderteeckent”.

– Hij zei “niet gehoort te hebben dat Pieter Augustinus Broekaert aen Lenaert Smet ofte syne huys-vrauwe eenige penningen ten titel van coopsomme of aen derselve eenigh gelt soude getelt hebben”.

Na ondertekening van zijn verklaring werd hij terug naar de cel gebracht, waar het verblijf en het samenleven met medegevangenen hem blijkbaar zwaar viel.  Op 17 december 1768 werd het de 22-jarige Franciscus te veel en vanuit het Gravensteen schreef hij een brief (of liet hij er één schrijven) naar de raadsheer fiscaal die zijn zaak in onderzoek had.

Mon seigneur,

Ick neme de lyberteydt van aen zyne Eedelheyt te wenschen een salighen en aenstaende hooghtydte van Kerstdagh, ende nogh veel continuatie, en ick bidde aen zyne Eedelheydt, is’t het moghelyck van myn requeste te willen opsturen 16, want myn vader en myn moeder die zyn in de uyterste benauwt-heydt om aen den kost te gheraecken, zoo dan ick neme myn toevlught tot myn Eedele heer den fiskale, op dat u myn afferrens (= zaken) souden willen ten voorsten helpen, en my hier uyt haeste verlossen, om myn vader ende myn moeder by te staen, want sy zyn in de uytterste haermoede, ende versoucke vriendelyck een klein solaghement van retour.  En voorder laete ick aen zyne Eedelheyt weeten datter op den 16 deser loopende maende, s’avens, den sekeren Joseph Soudonez 17 heeft begonnen rughie en questie te soucken en my dreighende voor de kop te slaen, sonder dat ick hem daer eenighe woorden daer toe gegeven hebbe, en aen my segghen dat ick meer hebbe als een ander en dat ick een deughe-niet ben en een mouwvagher.  En op den 17 deser maent s’morghens is er tusschen Jos Verschuere en tusschen de ghemelden Soudonez rughie opgestaen, het was over de appelen die de goede menschen geven  18, hy heeft de appelen genomen en wegh gheworpen en niet content met de selve en was, en dreighende Jos Verschuere met een fagodtstock voor den kop te slaeghen.

Ick versoucke vriendelyck aen syne edelheydt van my te willen accorderen een ander camer, wanth ick ben niet ghewent, van in sulcke rughie te leven.

Waer mede blyve Mon Seigneur

U Oodtmoedighsten

en onderdanisten dienaer

F. A. Capitaine

Grave casteel den 17 December 1768

Alles wijst er op dat aan de brief gevolg werd gegeven en Franciscus inderdaad in een andere slaap-zaal terecht kwam.  Een zaal waarvan de deur overdag open bleef zodat men wat kon rondwandelen of bezoek ontvangen.  Het regime viel dus al bij al nogal mee.  Soms ging het er zelfs jolig aan toe.  Zo had op “26 meye van desen jaer (1769) synde eenen vrydag den (gedetineerden Pauwel) Colpaert eenighe vrienden gehadt hebbende met wie hy eenigh bier hadde gedroncke, (…) naer hun vertreck op syn bedde gaen leggen om te slaepen”.  Hij was “in den naermiddag door Frans Kapiteyn (= onze Franciscus Capitaine) van syn bedde geworpen op pretext van wat te spelen ofte rollen, het gonne can getuyht worden door Jan Baptiste Van Steenbrugghe”. 19  Vervolgens had een andere gedetineerde, jonker Charles Francois de Pouillon, “aende selven Colpaert van tyt tot tyt een glas brandewyn ofte genever gegeven, soo verre dat hy Colpaert soo sat is geworden dat ick verstelt” was schreef een cipier later in zijn rapport.  Colpaert was beginnen “te roepen en te tieren tegen den cipier en synen kneght seggende dat hy met den eenen ofte den anderen wilde vechten soo sy op het ruijn quaemen”. 20

Dat jonker de Pouillon zo kwistig was met het uitdelen van alcohol had verschillende redenen.  Hij was geen criminele, maar een civiele gedetineerde die op verzoek van schuldeisers reeds verschillende jaren opgesloten zat.  Bovendien behoorde hij tot de lagere adel en zorgde zijn zoon er voor dat het hem aan niets ontbrak.  Zijn bewegingsvrijheid en voorrechten (waaronder bediening in de gevangenis door eigen personeel) zouden enkele jaren later aanleiding geven tot klachten.  Jonker de Pouillon had “een dagelyckx continueel huyt ende ingeloop tot den seven a acht hueren van den avont van vier domestiken en twee honden ende syne familie van gelyke, alsoock van vremde persoonen die komen om geldt  21 de welcke hy betaelt met schoone woorden of met slaegen”.  Het bezoek kwam niet zelden “op de huere van den noen als wanneer ick (= de cipier) myne andere gedetineerde hunne noot-saekelyckheyt (= eten) moet besorgen”.  De cipier had op sommige dagen tot 72 keer de poort open of dicht gedaan voor bezoekers.  De Pouillon was zich “bedienende vande cipirage tot het heten en drincken daegelyckx met geheel syne familie (zelfs voor het) wasschen van het lynwaet en andersints van syne huysgenoten”.  “Syne domestiken syn inbryngende geweest buyten myne kennisse diferente mael nuchter dranken voor ander gevangene om dat sy wisten dat ick de selve alreede gerefuseert hadde”.  Ook was “den selven de Pouillon ander gevangene tracterende aen syne tafel voor hun gelt, het welcke belet den vrede inde cipirage door den raet die hy hun geeft in hunne saeken”. 22

Natuurlijk waren de leefomstandigheden van Franciscus Capitaine niet zo comfortabel als deze van jonker de Pouillon, maar zelfs voor onbemiddelde criminele gevangenen waren de vergeetputten van het Gravensteen iets uit het verre verleden.

Ondertussen had men verschillende personen verhoord over Franciscus’ rol bij de oplichterij en op 9 juni 1769 werd hij opnieuw uit de cel gehaald.  Tijdens het verhoor dat volgde werden tal van eerder gestelde vragen herhaald.  Op enkele details na bleef Franciscus bij zijn eerdere verklaringen.  De ondervragers hadden echter ook een nieuwe en zeer pertinente vraag.  Indien het waar was dat de inhoud van het contract hem onbekend was, en als het waar was dat hij net zoals het echtpaar Smet – De Rycke in de overtuiging was geweest dat het louter om een huurcontract ging (waardoor het dus logisch was dat hij bij een eerder verhoor verklaarde dat hij geen koopsom had zien overhandigen), kon Franciscus dan misschien uitleggen hoe het kwam dat onderaan de akte in zijn eigen handschrift en bekrachtigd met zijn handtekening ook het volgende stond geschreven: “Ick onderschreeven als ghetuyghe, en oock gesien te hebben dat het (= huis) gechoght en betaelt is”.  Een antwoord bleef uit en na deze impliciete bekentenis werd het onderzoek afgesloten.  Eind juni 1769 werden alle stukken overgemaakt aan de rechtbank en kon het proces starten.

FOTO 3

Detail uit de frauduleuze koopakte dd. 26/10/1767.  Het zinnetje dat Franciscus Arnoldus Capitaine de das omdeed. “Ick onderschreeven als ghetuyghe, en oock gesien /  te hebben dat het gechoght en betaelt is“.

Gelukkig voor Franciscus had zijn familie hem niet laten vallen.  Al leefden zijn ouders in Zeveneken in uiterste armoede, moeite nog kosten werden bespaard om via een zekere “mynheer Kindt” door te dringen tot de Geheime Raad die Karel van Lorreinen bijstond in het landbestuur.  Reeds in oktober 1768, het onderzoek in de fraudezaak was nog volop bezig, was moeder Marianne Willems vanuit Zeveneken naar Brussel afgereisd waar ze verbleef “ten huijse van de heer Capitaine, bij de paters satrusen”.  Gezien de situering in de onmiddellijke omgeving van het Kartuizerklooster gaan we er van uitgaan dat het hier de woning in de “Rue du jardin des Chartreux” (later omgedoopt tot “Rue du Notre Dame de Sommeil”) betrof die haar schoonvader Anthony Capitaine met enkele kinderen en kleinkinderen tot zijn overlijden in juni 1768 had bewoond.

Het was Marianne Willems’ bedoeling om door het persoonlijk benaderen van de juiste tussenpersonen een door vader Arnoldus Capitaine ingediend rekwest ten gunste van hun zoon kracht bij te zetten. Gelet op de hoge “costen van over en weer te gaen” tussen Brussel en Gent was ze in correspondentie met de “eerweirdigen pater Cloofman” te Gent die bereid was om doorgestuurde verzoekschriften en documenten door te spelen aan de fiscaal van Vlaanderen. 23

Het verzoek tot gratie werd door de Geheime Raad afgewezen.  Daarvoor waren de feiten te ernstig. 24  Strafvermindering werd echter niet a priori uitgesloten.  Gezien het rekwest van “A. Capitaine, tendant à ce que la peine, à la quelle son fils François Capitaine pourrait être condamné, soit commuée (= omgezet) en celle d’une détention temporaire dans quelque maison forte sous notre domination aux frais du suppliant” vroeg men op 22 juni 1769 aan de fiscaal in Gent inlichtingen over de ernst van de criminele feiten.  Ook peilde men of, en onder welke voorwaarden, er eventueel ruimte was voor één of andere strafomzetting.

FOTO 4

Brief  dd. 2/11/1768 vanuit Brussel geschreven door Marianne Willems aan pater Cloofman te Gent.

FOTO 5

Terwijl moeder Willems in Brussel haar best deed, sprong in Oostende grootmoeder Boerboom even-eens voor de kleinzoon in de bres.  Op 17 juni 1769 liet “Joanna Boerboom weduwe van Joseph Willems grootmoeder maternel van Franciscus Capitaine filius Arnoldi ende van Mariana Willems” notarieel vastleggen dat ze zich garant stelde voor “alle sulcke costen ende onderhoudt als souden connen dependeeren aen de detentie” van haar kleinzoon.  Ook drukte ze de hoop uit dat “haere majesteyt (= keizerin Maria Theresia) hem de gratie gelieft te vergunnen van t’ordonneeren in plaetse van lyfstraffe (slechts) gestelt te worden in secuere plaetse”. 25

Opsluiting in een gevangenis was inderdaad een gunstmaatregel (ter vervanging van lijfstraffen en/of verbanning) want gevangenisstraf kwam in het strafrecht van het Ancien Régime niet voor.

Gevolg was dat de detentiekosten ten laste van de gevangene of zijn/haar familie vielen.  Uitgaven voor “kost en inwoon” die over de jaren heen flink konden oplopen.  Zekerheidshalve werd dan ook de kredietwaardigheid van grootmoeder Boerboom onderzocht.

Op 30 juni 1769 liet het stadsbestuur van Oostende de Geheime Raad weten dat weduwe Willems zich was “geneirende met het hauden van herberghe, staende ter goeden naeme & fame ende wel mainten-erende haere famillie, sulckx dat het ons dunckt dat sy wel in staete soude connen syn van te vol-commen aen d’obligatie waermede sy haer is belastende in saecen van haeren kleynen soone Franciscus Capiteyn”. 26

Wat opvalt bij de initiatieven van de familie is dat niemand er van uit ging dat Franciscus onschuldig in de cel zat of tijdens het proces misschien zou worden vrijgesproken.  Een realistische houding want op 1 juli 1769 schreef de fiscaal te Gent aan de Geheime Raad dat het proces was afgerond en het duo Broeckaert – Capitaine over de hele lijn schuldig was bevonden.  Hoofdbeklaagde “Pieter Augustinus Broeckaert lest gedomicileert tot Burght”, was veroordeeld tot “de coorde” (= de strop).  Hij was echter voortvluchtig, dus zou hij op 14 september 1769 enkel “in effigie” (= in afbeelding) op de “Sint Pharahilde plaetse (= nu Sint-Veerleplein) aen eene potence gehangen” worden.  Ook werden al zijn “goederen, leenen, erfven ende catheylen waer die gestaen & gelegen syn verbeurt & geconfisqueert ten proffytte van haere Majesteyt”. 27 O

ver Franciscus’ vonnis was er discussie geweest wist de fiscaal te melden.  Van de drie rechters was er één van mening geweest dat ook hij de zwaarste straf verdiende: de galg.  Uiteindelijk kreeg hij te horen veroordeeld te zijn om “gheleet te worden op een schavot ten dien eynde opgerecht voor de pilaeren van den graeven casteele, ende aldaer door den scherprechter (= beul) op uwen blooten rugge ghegeeselt te worden met scherpe roeden tot den loopenden bloede.  Bant u voorts uyt alle de landen van gehoorsaemheyt van haere Majesteyt van herrewaerts over voor den tydt van vyftigh achtereenvolghende jaeren, dese stadt te ruymen binnen sonneschyn, de provincie van Vlaenderen binnen derden daeghe & de voordere landen binnen acht daeghen naer uwe slaekinge uyt vangenisse. Interdiceert U  daer binne te komen op peynne van voordere lyfstraffe en condemneert U in de costen ende misen van justitie”. 28

De fiscaal gaf ook een overzicht van de argumenten die vader Capitaine in zijn verzoekschrift ten gunste van Franciscus had aangebracht.  Zoonlief was “toujours d’une conduite irréprochable” geweest.  De feiten waarvan men hem beschuldigde waren het gevolg van “la séduction de son complice (bakker Broeckaert) chez qui il (= Franciscus) était logé en ce tems et pendant qu’il était de poste a Burgt comme garde a la conservation des droits de S. M.”.  Bovendien had Broeckaert zijn zoon “enyvré (= dronken gevoerd) lors qui il lui a fait commettre le faux” .  Ook wees alles er op, dixit vader Capitaine, dat Franciscus niets had ontvangen van “le bénéfice a résulter de cet acte de faux” (cfr. de lening die Broeckaert had proberen loskrijgen met het frauduleus “gekochte” huis als onder-pand).  Franciscus’ beloning was beperkt gebleven “a quelques cannettes de bierre avec les quelles Broeckaert l’a fêté le jour de la fabrication de l’acte”. 29

Over de gegrondheid van deze argumenten sprak de fiscaal zich niet uit.  Enkel noteerde hij dat Franciscus inderdaad erg jong was toen hij het misdrijf beging en wees hij op “la grande simplicité qu’on a remarcque dans toute la conduite” van de veroordeelde. 30  Betrof het hier verregaande naïviteit of was deze voorouder inderdaad een beetje “eenvoudig”, om geen sterker woord te gebruiken?

Vader Capitaine had in zijn rekwest immers ook nadrukkelijk gewezen op de “simpelheid” van zijn zoon.  Blijkbaar het gevolg van het feit dat hij op 14-jarige leeftijd “a eu une attainte d’apoplexie dont il a gardé une simplicité et médiocrité extrème d’esprit”. 31  Samengevat vond de fiscaal dat er elementen waren “a commuer (= omzetten, verzachten) la peine a la quelle le fils du suppléant a été condamné a une détention de dix ans dans une maison forte”.

Alle omstandigheden in acht genomen was er de eerste week van juli 1769 reden voor enig optimisme. Franciscus was niet veroordeeld tot de galg.  De Geheime Raad in Brussel had dank zij de inzet van moeder Willems belangstelling voor zijn zaak en was in correspondentie met de fiscaal te Gent. Gevolg was dat Franciscus’ straf, geseling en verbanning, nog niet was uitgevoerd.  Positief was ook dat de fiscaal geen veto uitsprak tegen één of andere vorm van strafomzetting.

Opgesloten in het Gravensteen was Franciscus van de meest recente evoluties in zijn dossier niet op de hoogte en beging hij een enorme stommiteit.  Met “violente brake” was hij samen met celgenoot Jan Andries Daens 32uyt syne detentie plaetse, geseyt de venus caemer, den nacht tusschen den 5 en 6 july 1769 (…) geevadeert (= ontsnapt) tot op den hof vande cipirage ofte vangenisse”.  Vervolgens waren Franciscus “ende syne complice langst den voornoemden hof geklommen (…) op het dack tot aen den muer komende tegen de straete genaemt de Geldmunte”.  Vanaf de muur had Daens zich “laeten vallen op het dack van het huys bewoont by Joannes Bloem”.  Dit alles gebeurde “by middel van eene koorde, emmers verscheyde strengen aen elckanderen geknoopt”.  Daens was echter “blyven hangen op het gemelde dack ende heeft getracht door het selve te breken om voorders te evaderen. Dit mislukte en hij werd “in flagranti delicto (= op heterdaad) op het gemelde dack (…) gearresteert door stadswaeckers ende soldaeten” en “wederom ter cipiragie gheredintegreert (…) alwaer sy hem andermael ghecolloqueert” hadden.  Franciscus Capitaine “siende dat het te peryculeus (= riskant) was om op de maniere voorseyt insgelycx t’evaderen” had zich snel teruggetrokken “in syne detentie-plaets langst het gat by hem gemaekt”.  Daar trof de toegesnelde cipier hem aan “op syn bedde, maeckende semblant van te slaepen.

Bij zonsopgang werd er op 6 juli 1769 door de “adjoint” van de fiscaal van Vlaanderen een onderzoek ingesteld in het gravensteen. 33 34  In de “venuscaemer35 waar het duo opgesloten was geweest, vond men “eene afgheveylde ysere colomme ende twee ysere latten ter groote datter eenen man door conde passeren ende voorts een deel metschwerck ghebroeken ontrent de venster”.  Ook hadden Daens en Capitaine om “met sekerheyd te konnen evaderen de deure van de caemer (…) geschoort met eene plancke ende de gone van den hof met mutsaerden (= takkenbossen) verschort”.  “Ghegaen zynde in den hof (had de adjoint) bevonden datter een deel pannen ghebroeken waeren op het dack waer-langhst iemandt gheevadeert was over den muer.  Ende op straete  36 ghegaen synde hebben wy (= de adjoint) een groot gat bevonden in het dack van Joannes Beloen”.  Het gereedschap waarvan Capitaine en Daems zich hadden bediend, werd niet aangetroffen.  Ze werden aangemaand om “de veylen aen te thoonen ende produceren waer mede (ze) d’ysere colomme ende latten (hadden) afgeveylt”.  En vooral “declareren doorwie ende wanneer (hun) de gemelde veyl ofte veylen, koorden, ende voordere instrumenten syn besorgt ende ter hand gestelt”.

De mislukte ontsnappingspoging had zware gevolgen kunnen hebben, maar niets wijst er op dat Franciscus werd gestraft.  Twee weken na het nachtelijk avontuur ontving men bericht uit Brussel van “Charles Alexandre, Administrateur de la Grande Maîtrise en Prusse, Grand Maître de l’ordre Teutonique en Allemagne et Italie, Duc de Lorraine et de Baar, Maréchal des Armées du Sainte Empire Romain et de Celles de Sa Majesté L’Imperiale. Douarière, Reine Apostolique De Hongrie et de Bohème &.&.  Son Lieutenant-Gouverneur et Capitaine Général de Ses Pais Bas, &.&.&”.  Hij liet weten dat Franciscus’ oorspronkelijke straf (geseling en verbanning) werd omgezet in tien jaar opsluiting in de gevangenis van Gent op kosten van de ouders.

Het besluit stelde: “Sur la requête de Capitaine, garde invalide des droits de Sa Majesté, intercédant (= tussenkomend) pour son fils François Arnould; nous vous informons que par décret de ce jour, nous avons commué (= omgezet) la peine à laquelle le fils du suppliant est condamné, pour le crime qu’il a commis, en une détention pour le terme de dix ans dans la maison de correction de la ville de Gand, aux frais du dit suppliant, qui au surplus devra païer les frais et mises de justice. (…). Brusselles le 20 juillet 1769”.

Enkele weken later meldde de deurwaarder van de Raad van Vlaanderen dat hij “op den 10 augusti 1769 (met zijn) assistenten uyt den Grave casteele, cipirage van den gemelden Rade, getransporteert ende gecolloqueert (had) in het tuchthuys der stad Ghent, den persoon van Francois Arnould Capiteyn”. 37  Het tuchthuis waarvan sprake was het Geraard de Duivelsteen te Gent dat dienst deed als gevangenis. 38

In de volksmond stond het Geraard de Duivelsteen bekend als “het rasphuis”.  Een naam die later overging op het nieuw gebouwde provinciaal correctiehuis aan de Gentse Coupure (ondertussen afgebroken).  Naast spinnen en weven was één van de hoofdactiviteiten van de gedetineerden immers het tot poeder raspen van tropisch hardhout (Campechehout) waarmee verf werd gemaakt om textiel te kleuren.  Ironisch genoeg werd Franciscus Arnoldus Capitaine op 10 augustus 1769 opgesloten in hetzelfde gebouw waar nu het rijksarchief gevestigd is en waar de stukken over zijn proces worden bewaard en kunnen worden geconsulteerd.

Het gros van de “tuchtelynghen”, zowel mannen als vrouwen, bestond uit landlopers en bedelaars die er door de stad waren opgesloten.  Ook was er een grote groep zwakzinnigen ondergebracht op kosten van ofwel de stad, ofwel van familieleden en vrienden.  De criminele gevangenen waren slechts met een tiental.  Opsluiting in een gevangenis was immers een gunst, geen door de overheid opgelegde strafmaatregel.  Kost en inwoon werden aan de gedetineerden aangerekend.  Zo vonden we voor de periode 10 mei 1770 –  21 september 1774 Franciscus’ naam terug op zeven halfjaarlijkse rekeningen voor de huur “van lynne laekens”, “voor de slaepinge van de particulieren die in (het) tuchthuys gecolliqueert syn”. 39 40

FOTO 6

Het Geraard de Duivelsteen te Gent.

Franciscus mocht dan al als “particuliere” gevangene zijn opgesloten, privileges waren daar niet aan verbonden en zijn dagindeling werd bepaald door een draconisch gevangenisregime.

Het jaar voor zijn opsluiting (1768) had het stadsbestuur van Gent inzake het reilen en zeilen in het Geraard de Duivelsteen de puntjes op de spreekwoordelijke “i” gezet via een hernieuwd reglement. Ondanks het herhaaldelijk ingrijpen van de directeur en zijn personeel waren de gedetineerden immers zeer moeilijk in toom te houden.  De “menighvuldighe vermaenynghen door den eerwaerde paeter biecht-vaeder inden cathecismus” hadden daar evenmin iets aan veranderd.  Frequent zag men “den eenen den anderen (…) injurieren (= beledigen) ende aggresseren”.  Men dreigde elkaar met te “segghen van doodtslaeghen te begaen”.  Elk bevel of opdracht van de cipiers werd beantwoord met “abominable vloecken ende sweiren”.  Er was sprake van “difterente (be)raedtslaeghen ende conspiratie” “achter de rugghe” van het personeel wanneer ze werden opgesloten “in hun werck-huysen ende slaepcaemers”.  Er waren gevangenen die “so int publicq als in het gheheym hun vleesch, bier als cleederen, emmers wat sy connen weghmaeken” verkochten.  Niet zelden gebeurde dit om speelschulden te voldoen want men noteerde “datter eenighe syn die den eenen den anderen syn ghelt is afvoorderende door hun tuysspel” (= dobbelspel).

Het vernieuwe reglement voorzag dat “alle de tuchtlyngen, soo costcoopers, costcooperigghen als de gonnen ghestelt synde vande stadt van wat conditie sy syn”: 41

– “aende directeur, directrice ofte hunne domestiquen schuldigh syn te bewysen eere ende respect op     pyne van arbitrairelyck ghestraft te worden”.

– “verplight syn te doen soo daenighe werck als den directeur hun cappabel sal vinden”.

De “wevers ende spinders” dienden een “soo daenigh peyl” (= productiequota) te halen “als hun door den directeur (…) ghegheven ende ghetauxeert” werd.  Hetzelfde gold voor de “vrauwspersoonen (die) insghelycx moeten doen hun peyl, soo van spellewerck (= kantklossen) als anderssints”.  Het niet behalen van het productiequota werd bestraft.  Anderzijds zouden ze voor “het gonne dat sy sullen gevroght hebben boven hun ghetauxeert peyl (…) betaelt worden”.  Wat geproduceerd werd diende van goede kwaliteit te zijn want het was verboden “tsy door quaethoofdigheyt ofte anderssints”, “te bederven het werck dat sy doen voor den directeur, op pyne dat den intrest volghens tauxatie (…) door hun (= de gevangenen) sal moeten worden voldoen worden van hun gewonnen overghelt ende boven dien gestraft”.

De werkuren waren gereglementeerd en “de gonnen niet willende naer syn werck op de ghestelde uren te gaen (zouden) arbitrairelyck gestraft worden ten waere door wettelyck beletsel van sieckte ofte onpasselyckheytHet was verboden om “quaede exempels te geven, den eenen aende anderen ofte oneerlycke aenraecksels te doen ofte oneerlycke liedeken te singhen”.  Ook “spelen om ghelt soo in het opwerpen met oortjens als ander spel om daermede den eenen den anderen syn ghelt af te winnen” werd bestraft.

De gedetineerden zouden eveneens “arbitrairelyck ghestraft” worden:

– indien ze niet “emediatelyck” de bevelen opvolgden “wanneer de domestiquen tsy s’morgens, s’middaghs ofte s’avonts quaeme om hun te ontsluyten ende sluyten uyt ende in hunnen kaemers”.

– indien ze zouden “sweiren ende vloeken, sottigheden te seggen, soo achter den rugge ofte in face van den directeur ofte directrice of hunnen domestiquen”.

– indien ze “hun eten syn becommende, van het selve te aenveirden met brutalliteyt ende het geluyt van vloecken ende sweiren ende de gonnen hun, hun eten gevende difterente drygementen te doen”.

– indien ze zouden “conspireren ofte hoopen te maeken tot het evaderen = ontsnappen) uyt den tucht-huys”.

Het nieuwe reglement had ook oog voor geweld tegen de zwakste gedetineerden.  Uitdrukkelijk werd verboden “aende gonnen synde by hun verstant, de crancksinnighe te slaen ofte smyten, terghen ende quaet te maeken”.  Ook de godsvrucht liet te wensen over dus werd het bijwonen van de mis verplicht “alle de sondaghen, heyligh daeghen ofte andere daeghen wanneer datter in het tuchthuys misse sal gecelebreert worden”.  De gedetineerden dienden “inde cappelle, als wanneer men is doende het sacrificie vande misse, met alle eerbiedigheyt te (…) bidden sonder elckanderen te pitsen (= nijpen) ofte lachen ende spotten ofte kauten”.  Ze waren verplicht “alle vyf de hooghdaeghyen van het jaer te gaen te biechte ende communie ten waere (men) door den eerwaerde paeter biechtvaeder gheexcuseert” was.  De “tuchtelynghen” dienden ook “alle daghen s’ morgens aleer te gaen naer hun werck ende snaevonts aleer te gaen slaepen, ider in syn kaemer (te) doen hun ghebedt te weten soo ende ghelyck hun door den eerwaerde paeter bichtvaeder sal aengheseyt worden”.  Het (laten) schrijven van “brieven sonder preallabel consent” was verboden.  Ook bezoek ontvangen kon enkel na het bekomen van de toestemming van de directeur.

In november 1773 overleed Franciscus’ vader.  Zijn moeder stond er voortaan alleen voor en had het financieel zeer zwaar.  In april 1774 ontving de Geheime Raad te Brussel dan ook een rekwest waarbij Marianna Willems vroeg om “élargissement” (= in vrijheid stelling) van haar zoon.  Hij zat nu zeven jaar opgesloten en ze was “dans l’impossibilité de continuer a paier les fraix de cette detention”.  Meer zelfs “si elle avait son fils pres d’elles, il pourrait la secourir par son travail”. 42

In Brussel zag men in dat een langere detentie enkel tot gevolg zou hebben dat de staatskas voor de kosten zou opdraaien gezien moeder Willems aan de grond zat.  Ze besloten tot clementie en voorjaar 1775 was Franciscus op vrije voeten en woonde hij in Zeveneken bij zijn moeder en haar 15 jaar jongere tweede echtgenoot met wie ze enkele maanden voordien (dd. 11/10/1774) was gehuwd.

Om in zijn onderhoud te voorzien solliciteerde Franciscus (terug) naar een betrekking bij de douane. Met bombastische zinnen richtte hij zich op 21 maart 1775 tot het hoofdbestuur in Brussel waarbij zijn misdrijf van een paar jaar eerder als een jeugdzonde werd afgedaan.  Even vlotjes verwees hij naar zijn onbesproken staat van dienst in het verleden.  Dat hij de waarheid ietwat geweld aan deed is evident. “Francois Arnold Capitaine fils de Arnold Capitaine a l’honneur de présenter la très humble représentation au conseille par la quelle il déduit la raison de sa démission dont la faute qu’il la occasionnée commise dans une innosance.  Le remontrant confesse messeigneurs d’avoir péchée dans ce fait par innosance et il en demande très humblement pardon priant de vouloir considérer ca faute commise pour une pure innocenco.  Et comme le remontrant se fait distigner de puis le temps qu’il a eu l’honneur de servire sa Majesté dans ce droits nottament de puis l’année 1764 jus qu’a l’année 1768 sans qu’il à manque a le service de sa Majesté, il demande en grâce d’être remplace dans les droits de sa Majesté dans telle caracterre et en telle droits que le conseil trouvera convenir”.  Hij vroeg de Raad nogmaals vergiffenis en vooral werk “pour le soutien de sa desollée famille qui ne mancquerons pas de priez le seigneur pur la conservation et prospérité de votre seigneurs illustres”.  Hij deed ook een suggestie: een aanstelling als “garde au fort de la Phillipyne (= Philippine, Zeeuws-Vlaanderen) ou Malines” zag hij wel zitten.  Brigades waar blijkbaar een vacature was.  Het antwoord van Brussel was minder breedvoerig.  Men wees zijn verzoek af. 43



Notes:

  1. ARAB, Geheime Raad, nr. 633 A, gratiedossiers jaar 1774, dossier F. A. Capitaine.
  2. Anciens” verwijst naar diegenen die bij de vorige bevorderingsronde “gepasseerd” waren.
  3. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6321 personeelsdossier douanedepartement Sint-Niklaas 1765-1768, dossier oprichting nieuwe douanebrigade te “Nieuwekercke“.
  4. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6321, personeelsdossier douanedepartement Sint-Niklaas 1765-1768, dossier klachtenbrief hulpbrigadier F. A. Capitaine.
  5. In 1774 telde Burcht 570 inwoners.  Bij een bevolkingstelling in 1806 telde men 696 inwoners.
  6. De douanebrigade Zwijndrecht was een paar kilometer verder gelegerd.
  7. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.321 personeelsdossier douanedepartement Sint-Niklaas 1765-1768, dossier klachtenbrief hulpbrigadier F. A. Capitaine.
  8. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.321 personeelsdossier douanedepartement Sint-Niklaas 1765-1768, dossier klachtenbrief hulpbrigadier F. A. Capitaine.
  9. PRICKEN J., “La douane Belge au temps de Marie-Thérèse et de Joseph II”, Bruxelles 1965.
  10. ARAB, Raad van financiën, nr. 5.946.
  11. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.400.
  12. RAG, Raad van Vlaanderen, nr. 23.452, proces Pieter-Augustinus Broeckaert (Burcht) en cons.: vervalsing van koopcontract – omkoperij van getuigen – bedrog, 1769-1771, verklaring dd. 29/10/1768 door de meier van Zeveneken.
  13. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.321 personeelsdossier douanedepartement Sint-Niklaas 1765-1768, tucht- dossier Capitaine.
  14. RAG, Raad van Vlaanderen, nr. 23.452, proces Pieter-Augustinus Broeckaert (Burcht) en cons.: vervalsing van koopcontract – omkoperij van getuigen – bedrog, 1769-1771, o. a. verhoor Franciscus Arnoldus Capitaine dd. 9/06/1769.
  15. RAG, Raad van Vlaanderen, nr. 8.584 register van criminele examens 30/04/1767 – 20/06/1769, folio 65 verso e.v.
  16. Blijkbaar had hij een verzoekschrift geschreven (zit niet in het procesbundel) dat moest doorgestuurd worden. Mogelijk naar de Conseil Privé/Geheime Raad te Brussel die landvoogd Karel van Lorreinen bijstond.
  17. Joseph Soudoyez was een garde van de douanebrigade “Hulste“, douanedepartement Kortrijk en dus een collega van Capitaine.  Het is onbekend of ze elkaar van vroeger kenden.  Op 11 maart 1768 had Soudoyez samen met een collega iemand doodgeschoten.  In afwachting tot was uitgemaakt of het om moord ging, of om een gerechtvaardigd neerschieten van een smokkelaar in het kader van de dienst, zat hij opgesloten.
  18. Waarschijnlijk appelen die burgers als blijk van liefdadigheid aan de gevangene hadden laten bezorgen.
  19. Jan Baptiste Van Steenbrugge fs Adriaen was brouwer geweest in Kerkhove en griffier van de heerlijkheid Petegem bij Oudenaarde.  Wegens jarenlang volgehouden schriftvervalsing en oplichterij zat hij sinds 2 mei 1767 in de gevangenis samen met verschillende medeplichtigen.  De stukken betreffende zijn misdrijven vullen niet minder dan vijf archiefdozen: RAG, Raad van Vlaanderen, nr. 23.384 A+B en 23.438 A+B+C.
  20. RAG, Raad van Vlaanderen, nr. 31.149 lijkschouwingen 1769-1773, brief cipier J. F. Gouw dd. 23/06/1769.
  21. Waarschijnlijk schuldeisers. 
  22. RAG, Raad van Vlaanderen, nrs. 23.503 en 23.504, Charles de Pouillon, baldadigheden in de gevangenis, slagen en verwondingen 1773-1776.
  23. RAG, Raad van Vlaanderen, nr. 23.452, proces Pieter-Augustinus Broeckaert (Burcht) en cons.: vervalsing van koopcontract – omkoperij van getuigen – bedrog, 1769-1771, brief vanuit Brussel dd. 2/11/1768 door Marianne Willems eigenhandig geschreven aan pater Cloofman te Gent.
  24. ARAB, Geheime Raad, nr. 633 A gratiedossiers jaar 1774, dossier F. A. Capitaine.
  25. RAB, oud notariaat, depot Van Caillie 1941, archief Anthone Ryckx notaris te Oostende, nr. 90, akte 46, dd. 17/06/1769.
  26. ARAB, Geheime Raad, nr. 633 A, gratiedossiers jaar 1774, dossier F. A. Capitaine.
  27. RAG, Raad van Vlaanderen, nr. 8596 register van criminele sententien 24/9/1793 – 2/4/1794, folio 178 verso.
  28. ARAB, Geheime Raad, nr. 633 A, gratiedossiers jaar 1774, dossier F. A. Capitaine.
  29. RAG, Raad van Vlaanderen, nr. 23.452, proces Pieter-Augustinus Broeckaert (Burcht) en cons.: vervalsing van koopcontract – omkoperij van getuigen – bedrog, 1769-1771, brief vanwege de Geheime Raad te Brussel dd. 22/06/1769 aan de fiscaal te Gent en antwoord van de fiscaal dd. 1/07/1769.
  30. ARAB, Conseil Privé “cartons” de la période autrichienne, nr. 629/B graces accordées et refusées le Vendredi Saint 1769.
  31. ARAB, Geheime Raad, nr. 633 A, gratiedossiers jaar 1774, dossier F. A. Capitaine.
  32. Jan Andries Daens “stadthouder der prochie Sinaey ende Belseel“, zat opgesloten sinds 9/12/1768 en werd beschuldigd van mishandeling van zijn knecht “met eenen blooten deghen“.  In 1769 was hij 24 jaar.
  33. RAG, Raad van Vlaanderen, nr. 23.452, proces Pieter-Augustinus Broeckaert (Burcht) en cons.: vervalsing van koopcontract – omkoperij van getuigen – bedrog, 1769-1771, ontwerp van verhoor dd. 10/07/1769.
  34. RAG, Raad van Vlaanderen, .nr. 33.282, papieren van de “Fiscale Camere”, 1768-1769, proces verbaal dd. 6/07/1769.
  35. Waarschijnlijk was de venuskamer een soort quarantaine-afdeling voor gedetineerden met geslachts- of andere besmettelijke ziekten.  We vonden immers dat er in het tuchthuis van Gent in 1770 een dokter werd aangesteld om gevangenen te behandelen die een “venussickte” hadden.  De kans is dus groot dat onze voorouder ook ergens hardnekkige jeuk had.
  36. Uit eerdere stukken weten we dat het de Geldmunt betreft.
  37. RAG, Raad van Vlaanderen, nr. 30.826, correspondentie van de fiscael 1769 2de semester.
  38. Het steen werd ca. 1254 gebouwd door Geraard de Duivel (1200 – 1270/1276), zoon van Zeger II burggraaf van Gent.  Waarschijnlijk verving het een grotendeeld houten burcht/grenspost die het van Frankrijk afhangende Kroon-Vlaanderen tegen het bij het Duitse keizerrijk horende Rijks-Vlaanderen (cfr. verdrag van Verdun 840) diende te beschermen. Ondanks twee huwelijken overleed Geraard de Duivel kinderloos, waarna het steen ca. 1330 eigendom werd van de stad Gent.  Het gebouw werd gebruikt als wapenarsenaal en dwanggevangenis voor mensen die hun schulden niet betaalden).  Om die reden zat Jacob van Artevelde er in 1342 opgesloten.  Van ca. 1435 tot 1569 was het een school van de Broeders Hiëronymieten die onderwijs gaven in de volkstaal.  Met de oprichting van het Bisdom Gent werd het bisschoppelijk seminarie erin ondergebracht (1570) en dit tot 1623.  Tijdens de Calvinistische republiek (1578-1584) werden er zwakzinnigen opgesloten.  In 1625 kwam het Geraard de Duivelsteen opnieuw in het bezit van de stad Gent en werd het in twee gedeeld.  Eén deel diende als weeshuis (het Kuldershuis) tot 1873, en ander deel fungeerde als tuchthuis voor misdadigers.  In 1773 verhuisde het tuchthuis naar de Coupure.  In de plaats ervan werden er weer geesteszieken in ondergebracht tot professor Guislain hen er weghaalden (1816-1828).  Delen werden gebruikt als pottenbakkerij, militair hospitaal, textielfabriek, etc.  In de 19de eeuw werden delen ook nog gebruikt als muziekconservatorium en brandweerkazerne (tot 1891).  Sindsdien is er een afdeling van het rijksarchief gevestigd.
  39. SAG, reeks 119 bis, chatelet en tuchthuis, nr. 9, 1764/1768 – 1768/1770.
  40. SAG, reeks 119 bis, chatelet en tuchthuis, nr. 10, 1771/1772 – 1772/1786.
  41. SAG, reeks 117, nr. 2, stukken betreffende het chastelet, het tuchthuis, de stadsgevangenis, het provinciaal correctiehuis, de stadsgevangenis in het Sint-Jorishof, de cipier in het Gravensteen en de kelder onder het stadhuis.
  42. ARAB, Geheime Raad, nr. 633 A, gratiedossiers jaar 1774, dossier F. A. Capitaine.
  43. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.322, personeelsdossier douanedepartement Sint-Niklaas 1769-1775, dossier verzoekschrift Francois Arnout Capitaine.