Arnoldus

Gedoopt te Leuven op 10 februari 1718 in de Sint-Pieterskerk. 1

Overleden te Eksaarde op 24 november 1773.

Arnoldus Capitaine was het eerste kind van Livinus Anthonius Capitaine en Theresia Clara Jacoba Moreau.  Een kind dat met een zilveren lepel in de mond werd geboren.  Zijn ouders hadden een goede opvoeding genoten, waren tweetalig, en aan geld was er bij zijn geboorte geen gebrek.  Alles wijst er op dat het jonge gezin de eerste jaren zelfs riant leefde.  Eerst in Leuven, vervolgens in Brussel en vanaf 1723 in Oostmalle.

Arnoldus mocht ook trots zijn op zijn afkomt.  Grootvader Arnout Capitaine was schepen geweest in Zottegem, had tot op hoge leeftijd aanzien genoten als tolontvanger in Schelle, en wist hoe het er in de betere kringen aan toe ging.  De andere grootvader, Franciscus Desideratus Moreau was “schepenen van het Hoochricht van de stadt ende hertochdommen van Limbourch” geweest en grootmoeder Philippine Clara Ferdinanda Reynbouts “vrouwe van Stalle” was van oude adel.  Iets wat altijd nuttig was in het sociaal verkeer.  Ooms en tantes behoorden eveneens tot de betere middenklasse: een notaris, een advocaat bij de Raad van Brabant, een begijn.  Een grootoom was burgemeester van het vestingstadje Limbourg, een neef was burggraaf van Leuven.

Enkele jaren na Arnoldus’ geboorte kwam het gezin Capitaine – Moreau echter in een neerwaartse spiraal terecht.  Nog voor Arnoldus zijn eerste melktanden verloor was alles wat zijn moeder van haar ouders, tante en zuster had geërfd noodgedwongen verkocht om schulden te delgen.  Na in Oostmalle een aantal jaren griffier en schout te zijn geweest, was vader Anthony eind 1729 (Arnoldus was toen 11 jaar) sociaal weggezakt tot het niveau van een slecht betaalde garde te paard bij de douane.  Voor-taan diende met de regelmaat van een klok alle huisraad te worden ingepakt om vader te volgen als die weer eens werd overgeplaatst naar een andere brigade.  Ook werden er tussen 1720 en 1737 in totaal tien broertjes en zussen geboren waarbij elk nieuw kind een extra aanslag was op het schamele gezins-budget.  Een gezin dat schulden bleef maken.  Als oudste kind zal Arnoldus dit afglijden naar een armoedig bestaan zeer bewust hebben meegemaakt.

Het is onzeker of de jonge Arnoldus in de “douaneperiode” van het gezin ook telkens mee verhuisde (Balen, Turnhout, Balen, Burdinne, Tienen, Turnhout, Arendonk, Brussel).  Personeelsdossiers van de douane stellen immers dat hij “tailleur” van opleiding was. 2  Dit houdt in dat hij vermoedelijk op de leeftijd van 12 à 14 jaar als leerjongen werd geplaatst bij een meesterkleermaker om dit vak te leren. Mogelijk gebeurde dit in Turnhout.

Het kleermakersvak was geschikt voor jongens die lichamelijk niet tot de sterksten behoorden.  Het ambacht van kleermaker genoot echter weinig prestige.  Tal van minder begoede kinderen kozen voor deze opleiding, onder meer omdat de leertijd doorgaans gratis was.  De leermeester ontving geen leer-geld, maar rekende erop dat de arbeid van zijn leerjongen een compensatie zou zijn voor de pedagogische inspanningen.  Daarom schreven de contracten vaak een lange leertijd voor, vier jaar of langer.  Het was ook een beroep dat weinig investeringen vergde en een grote mobiliteit toeliet.  Het gewicht van een paar scharen en naalden zou niemand beletten om te verhuizen en veel meer had een kleermaker niet nodig.

Of Arnoldus ooit effectief als kleermaker aan de slag is gegaan, is onbekend.



Notes:

  1. RABW, parochieregisters Leuven, parochie Sint-Pieter.  Dooppeter: Arnout Capiteyn (grootvader), doopmeter: Philippina Clara Reynbouts (grootmoeder).
  2. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.130, inspections effectués dans les diff. Bureaux et le signalement des employés 1758-1762.