Brigadier in Nieuwpoort

Bevorderd tot brigadier werd Arnoldus tussen 16 en 31 maart 1753 overgeplaatst naar Nieuwpoort waar hij de leiding kreeg over de plaatselijke brigade.  Binnen de week wist hij zich positief in de kijker te werken.

Op 16 maart 1753 kort na de middag had Arnoldus’ voorganger “Jean Jacques Greulich, brigadier” samen met “Henry Bernard Jodogne, garde magazin van den entrepos en Charles De Rycke garde” zich “getransporteert ten huyse & woonste van Joannes Boudeloot herbergier woonende op de plaetse van Lombardzyde recht over de kercke”.  Boudeloot was afwezig.  Ze troffen enkel zijn vrouw “te bedde liggende“.  Door de douaniers gevraagd of ze geen “suyckers als candis & broodtsuyckers verborgen en hadde”, had ze ontkennend geantwoord.  Niet tevreden met dit antwoord was men over-gegaan tot een “generale perquisitie”.  De douaniers doorzochten daarbij ook een “stalleken dichte achter het huys twelx wy hebben gesloten gevonden met eene yseren grendel.  Tselfs open gedaen hebbende bevonden het vol stroy & hoy twelx wy doorboort hebbende met onse sonden”.  Ze waren gestoten op “resistantie als van eenige vaeten” en nadat stro en hooi waren verwijderd waren inder-daad drie vaten ontdekt gevuld met “een stuck rooden wyn, een half stuck Hollandschen genevre & een half stuck taffia” (= brandewijn uit suikerriet, een soort minderwaardige rum).  Gevraagd of ze kon aantonen dat op de drank de verschuldigde rechten waren betaald, wie de eigenaar was van de vaten of wie ze had verstopt, had Boudeloots echtgenote geantwoord “van niet te weten, noghte het eene noghte het andere”.  De douaniers hadden zich vervolgens gericht tot “Adriaen Jonckheere woonende ter plaetse van Lombardzyde om te produceren een wagen met peerden” om de vaten naar Nieuwpoort te voeren. 1 2

Beschikte de douanebrigade Nieuwpoort over informatie dat er met Boudeloots herberg “In den Hertogh van Beyeren” meer aan de hand was?  Feit is dat op 31 maart 1753 rond 5 uur in de namiddag er in Lombardsijde opnieuw werd aangeklopt.  Deze keer door de pas aangestelde “Arnout Capitaine brigadier & Henry Jodogne garde magazin van d’entrepos”.  Boudeloot was andermaal afwezig, dus werd aan zijn vrouw gevraagd of er zich in de herberg of stallingen goederen bevonden “in fraude van haere Majesteyts rechten”.  Met “ick en wete van gene goederen, maer sy seyn al wegghehaelt geweest” was voor haar de kous af.  (Ze verwees natuurlijk naar de drie vaten die op 16 maart in beslag waren genomen).

Ook deze keer werd ze gesommeerd de douaniers toegang te verlenen tot “haere camers, cassen, coffers, kelders, stallingen, & andere plaetsen dependerende aen haer huys & waervan sy het gebruyck was hebbende tot doen eene perquisitie (= huiszoeking) & ons in alle plaetsen te accompagneren.”

Nadat ze herhaaldelijk had geweigerd om zelf bij de huiszoeking aanwezig te zijn had Boudeloots echtgenote uiteindelijk “medegesonden eene vrouwpersoon die sigh in het selfs huys bevondt”.  De “achterdeure uytgaende” hadden de twee douaniers zich “bevonden in eene circumferente van terrein afgesloten met eene doorne hage, aldaer vindende 2 idel (= lege) fustagen dewelcke hadden gevult geweest met brandewyn door die geure” vastgesteld.  “Voorders gaende tot tusschen den waeterput & de hage, alwaer eene werckman genaemp Pr. De Potter woonende opt voorseide Lombardsyde besigh was, (hadden ze) bemerckende de aerde omroert te wesen.  Waerop wy hebben toegeroepen eenen sergeant in garnizoen tot Nieuport van het regiment Salm & den self De Potter om (als neutrale getuigen) present te wesen inde ontgraevinge”.  Het resultaat: “vier cleine barilkens (= vaatjes) gevult 3 met genevre en een met brandewyn”.  “Voorder naerden oosten in hetselfs beluyck van de hage hebben wy oock gesondeert inde presentie van de 2 gemelde persoonen & de vrouwpersoone & gevoelt eenige vaetewerck verborgen“.  Na opgraving bleek het te gaan om “eene tonnen van ontrent de 50 stoopen brandewyn”  Aan Boudeloots vrouw “staende in de achterdeure met het kint op haeren schoot” werd gevraagd “of sy voorzien was van eenige acquitten (= kwitanties), passavants ofte andere bescheeden waerdoor het blycken moghte van welcke plaetse & comptoiren die gecomen waeren.”  Ze verklaarde van “geene te weten”.  De vaten werden vervolgens overgebracht naar het bureau te Nieuwpoort.

Tien dagen later werd opnieuw proces verbaal opgemaakt.  Brigadier Arnoldus Capitaine en garde Henry Bernard Jodogne waren op 10 april 1753 rond 6 uur ’s avonds nog eens naar “Lombardzyde neffens Nieuport” getrokken.  “Siende vanden eene cant naer den anderen, syn wy oock gecomen op het kerckhof van Lombardzyde oostwaert achter de kercke 3 paelende aende huyse & erve vande weduwe van blinden Pieter alwaer (wij) sonderende met onse deghens inde aerde hebben gevoelt enig vaet-werk aldaer verborgen”.  Na “advertentie gedaen hebbende aenden heer pastor der prochie van aldaer, hem inviterende syne presentie ter oorzaecke van de gesacreerde plaetse, hebben wy met hulp van andere persoonen ontgraven 5 tonnen gevult met genevre.  Noch oostwaert voorder ontrent de 100 voeten over het dycxken rondom het kerkhof op t’erve gebruyckt by de weduwe hebben wy oock gesondeert”.  Na het wegscheppen van een laag grond vonden ze “5 gelycke stucken genevre. Gevraegt hebbende aenden zoon vande weduwe die aldaer was werckende met een spae aen wie dese stucken waeren toebehoorende ofte wie dese aldaer hadde gedolven voor antwoorde gaf: niet en weete”.  Ook deze keer werd alles “aengeslaegen ende gesequestreert” en opgeslagen in het entrepot van Nieuwpoort.

Verschillende getuigen werden door de douaniers opgespoord en de dagen daarna door de douane-rechter onder eed verhoord.  Na “alle devoiren gedaen hebbende om t’ achterhaelen den eygenaer der voornoemde goederen ende autheur van dese soo manifeste frauden (had) men ontdeckt sulcx te wesen den persoon van Sr Pieter De Roo, zeilmaker & coopman binnen dese stede (Nieuwpoort) die sigh vervoordert heeft van de geseyde goederen ten dien einde te doen afcommen van Duinkerque lancxt zee met een schipken ofte smockelboot gecommandeert door eenen Enghelschen schipper met syn Engelsche equipage ende voorts onder de sorge van eenen matroos van Duinkerque daerop expresse gestelt”.

Toen dit “schipken gearriveert zynde in d’haven van oosten den duycker (= golfbreker) op den 12de der voorschreven maendt maerte 1753 s’nachts ontrent den 9 à 10 uren” was De Roo “aldaer present”.  Hij had de “voorschreven goederen & bovendien nogh 3 à 4 vaeten meer, die men tot als-nogh niet en heeft connen vinden, doen lossen & laeden op 2 waeghens van Pieter Joannes De Vos ieder bespannen met 3 peirden & de selve doen voeren tot op het landt gebruyckt by den geseyde Boudeloot”.

Aangekomen in Lombardsijde had De Roo in Boudeloots herberg “eenige disputen gehadt (…) met den Enghelschen schipper over den vraght (maar had uiteindelijk de schipper) daerover gecontenteert en betaelt met 66 fransche livres boven twee à drye croonstucken aen de Duinkerckschen matroos om het schipken op syne destinatie te brenghen”.  Vervolgens had De Roo “aen Boudeloot last gegeven om t’selve (= de smokkelwaar) te verbergen, maer van in het stal te laeten liggen het voorgemelde stuck wyn, half stuck genevre ende half stuck taffia vermits hy seyde die binnen 2 à 3 naghten daer-naer door soldaeten in (de) stadt te sullen doen haelen & dat de wyn was voor provisie van syn menagie.

Alle andere vaten waren “den volgenden naght getransporteert (…) in den kelder van weduwe Pr. Norré (= de weduwe van blinde Pieter) behalvens de geseyde 3 vaten wyn, genevre en taffia die in ’t gemelde stal gelaten syn”.  Toen De Roo vernam dat de douaniers op 16 maart die drie vaten hadden ontdekt waardoor “synen frauden ruchtbaer wierden (was hij) ’s nachts tot Lombardzyde gecommen en heeft de goederen die in de kelder van weduwe Norré versteken waeren doen delven in d’aerde in het beluyck van d’erve aldaer ende van het huys van Boudeloot.”  Nadat op 31 maart ook die goederen waren ontdekt en in beslag genomen, was De Roo de 2de of 3de april terug naar Lombardsijde gekomen om te “helpen ontdelven & uythaelen uyt d’erve van weduwe Norré 5 vaeten & die gedoen erdelven op het kerckhof van Lombardzyde”.  De rest van de vaten had hij ter plaatse gelaten bij weduwe Norré waar ze door de douaniers waren ontdekt op 10 april.

Gezien het grote aantal personen die bij de smokkel betrokken waren, hoeft het niet te verwonderen dat de douaniers lucht van de zaak hadden gekregen.  De verklaring voor hun zeer gerichte controles.

Toen de zaak voor de douanerechter werd gebracht hing er De Roo niet enkel de “confiscatie der aen-geslaegene goederen” boven het hoofd, maar ook het betalen van een “boete van 800 guldens over de voorschreven cleene barilkens, eene met fransche brandewyn & drye met hollandschen genevre” aangevuld met “de boete van het dobbel van de weirde ofte import der vercoopinghe van de 14 voordere aengeslaegene & gesequestreerde vaeten” en “drye mael de weerde ten minsten van drie versteckene vaeten met gelycke specien die men niet en heeft connen vinden”.

Hoeft het te verwonderen dat hij zich als een duivel in een wijwatervat verweerde?  Zijn volledige verdediging bespreken zou te ver voeren, maar dat hij een uitgekookt iemand was staat vast.  Zo werd herbergier Boudeloot na verloop van tijd tot zijn verbijstering geconfronteerd met documenten waaruit bleek dat alle drank die vanuit Duinkerke was binnengesmokkeld op zijn naam was besteld bij “Michel Jan Longueville, coopman binnen de stadt Duynkerkce”.  Van enige betrokkenheid van De Roo was officieel geen sprake. 4  Het enige bewijs tegen hem waren belastende getuigenverklaringen over zijn aanwezigheid en gedrag tijdens het lossen en verbergen van de lading.  Verklaringen die mits wat omkoperij of druk “aangepast” konden worden.

Zo hadden aanvankelijk Pieter De Vos en zijn knecht Joannes Albrecht “woonende op de hofstede dese stadt (Nieuwpoort) toebehoorende” onder eed toegegeven dat ze met twee wagens, elk getrokken door drie paarden, in de nacht van 12 maart 1753 een schip hadden helpen lossen in de aanwezigheid van De Roo.  Op zijn bevel hadden ze “één à twee en twyntigh vaeten, groot ende clein” naar de herberg van Boudeloot in Lombardsijde vervoerd “sonder te wete wat er in was”.  Het duo beweerde geaarzeld te hebben om mee te werken, maar uiteindelijk overstag te zijn gegaan “onder belofte die hy De Roo alsdan dede aen den selfs De Vos van alles te guarranderen & indien der iet voorenviele”.  Ze hadden ook gezien hoe De Roo in de herberg van Boudeloot de Engelse schipper had betaald.

foto 1

Kerk van Lombardsijde (volledig vernield in Wereldoorlog I) met het kerkhof waar Arnoldus Capitaine op 10 april 1753 enkele vaten brandewijn heeft ontdekt.  Rechtover de kerk bevond zich “In Den Hertog van Beyeren”, de herberg van Johannes Boudeloot. Situatie ruim voor 1903.

foto 2

Herberg “In den Hertog van Beyeren, Herberg met stalling, Station du tram” te Lombardsijde.  Situatie voor 1903.

Enkele weken later legde het duo De Vos – Albrecht voor de douanerechter een nieuwe verklaring af. Deze keer klonk het, eveneens onder eed, dat ze op 12 maart 1753 “geen der questieuse goederen te hebben vervoert ende dat sy selfs alsdan waeren slaepende”.  Laat staan dus dat ze De Roo hadden gezien of gehoord.  Meer zelfs.  Ze beweerden dat hun vorige verklaring was afgelegd onder druk “soo met drygementen als met belofte van ghelt” van brigadier Capitaine en co met de bedoeling De Roo bij de smokkel te kunnen betrekken.  De rechter kon weinig anders dan hun twee tegengestelde verklaringen uit het proces te lichten.  Echter niet zonder het duo een bolwassing te geven: “ghy zyt verdoemt, als ghy comt te sterven men soude niet lesen voor uwe zielen”.

Niet tevreden met de gang van zaken voor de rechtbank in Nieuwpoort ging De Roo in beroep bij de “Hogere Kamer van Domeinen” te Brussel waarbij hij zijn gelijk probeerde te halen door te wijzen op een karrenvracht vermeende procedurefouten van de douaniers.  Gelet op de omvang van de buit, en dus het eventuele prijsgeld bij een veroordeling, waren de douaniers onder leiding van brigadier Capitaine en gesteund door “Louis Loot ontfanger ende Jacques Frans Vander Linden controlleur als officieren principael van t’comptoir” even vasthoudend.  Arnoldus Capitaine en zijn collega’s lieten Brussel via hun gevolmachtigde advocaat op 14 december 1754 weten dat ze niet van plan waren om alle procedureklachten punt per punt te weerleggen.  Dit zou enkel voor gevolg hebben dat “men ons geplongeert gevonden hadde in eenen labyrinth ende abussus van proceduren”.  De strategie van De Roo was immers duidelijk: hen van de “poursuite te degouteren” door het proces “oneyndigh te maecken”.  “Alle de critiquen ende vague redenen” door De Roo ingebracht vonden ze “inutil, geprematureert enden buyten raisoen”.  “Het eenige essentiel point” waarover “controvers” bestond was of De Roo “den auteur vande fraude ende den eygenaer der gefraudeerde goederen is geweest ofte niet”.  Voor de douaniers kon daar geen twijfel over bestaan.  Hoe de zaak afliep is onbekend.

Uit het dossier blijkt in elk geval een grote voorzichtigheid vanwege de douaniers.  Zo was het zeker geen standaardprocedure om voorbijgangers als onafhankelijke getuige “op te vorderen”.  Ook het verwittigen van de pastoor voor men in gewijde aarde begon te graven was verstandig.

Toch waren er mensen die deze correcte manier van werken niet wisten te appreciëren.  De zaak tegen De Roo was maar één van de vele die tot discussie aanleiding gaf.  De douaniers van Nieuwpoort lagen ook bij andere zaken onder vuur.

Zo was er tijdens de controle van het schip van een zekere Albert Frederik Hania uit het Nederlandse Dordrecht op 18 september 1754 door brigadier Arnoldus Capitaine en de gardes Alexander Delmaere en Benoit Vande Vyver onduidelijkheid over een kistje “gecorven (= ingesneden) smoor tabac”.  Was dit hetzelfde kistje dat op de vrachtbrief stond?  Woog het zwaarder dan de aangegeven 24 pond? Zekerheidshalve had men het overgebracht naar het entrepot voor verdere controle.

Om discussie achteraf te voorkomen wou men het enkel wegen in de aanwezigheid van Basilius Ferdinandus Vanden Abeele, de plaatselijke handelsagent en gevolmachtigde van schipper Hania.  In opdracht van de douanerechter en de ontvanger had Arnoldus Capitaine hem hiertoe uitgenodigd, maar dat was in het verkeerde keelgat geschoten.  Omdat er uiteindelijk een rechtszaak van kwam, liet Arnoldus proces verbaal opmaken met het relaas hoe hij “op den 22ste octobre 1754 ontrent den avont d’heer Basilius Ferdinadus Vanden Abeele, facteur (= handelsagent) binnen dese stadt, wesende in de hostelrye De Chasse Royal (had opgezocht) opdat hy soude commen present wesen inde weegynghe ten compoire principael alhier van een kasken met gecorven tabac aldaer gesequestreert commende uyt de schepe van Albert Frederycx Haania.  Den welcken t’mynder groote verwonderynghe ende schandael voor antwoorde gaf:  dat hy den duyvel ende den blixem van den tabac hadde ende daer niet commen wilde, dat sy (= de douaniers) het conden doen soo sy het verstonden”. 5

In het schip van Hania hadden Arnoldus en zijn manschappen op 18 september 1754 ook vier manden tabakspijpen teruggevonden die niet op de vrachtbrief stonden.  Toen de douanerechter zich over de zaak boog werd Hania vertegenwoordigd door zijn handelsagent Vanden Abeele.

Hij was een plaatselijke notabele: “schepen deser stede mitsgaders coopman, facteur commissionaris, sasmeester van het Brughssche sas by Nieuport & ontfanger vande fortificatiën”.  Vanden Abeele beweerde dat het niet om smokkelwaar ging, maar om een spijtige vergissing.  Het waren “quatre panniers de pipes à tabac que le domestique de Willem Rutten marchand au dit Dort (= Dordrecht) par abus et a l’insu du batelier Hania avait mis dans son bateau au lieu de les metre dans un autre bateau destine pour Dunkerque”.  Men kon zelfs een verklaring onder eed voorleggen waarin Rutten vanuit het verre, en vooral veilige, Nederland alle verantwoordelijkheid voor de vergissing van zijn knecht op zich nam.

Natuurlijk beweerde Vanden Abeele niet tegen controles te zijn, maar men mocht toch niet de indruk wekken dat in Nieuwpoort tegen handelaars en schippers een heksenjacht werd gevoerd.  Dat was slecht voor het zakenleven.  Had de overheid niet de plicht “d’eviter que la terreur ne soit portée par tout (met als gevolg) degouter les autres bateliers (= schippers) de naviguer sur ces ports de mer” zoals Nieuwpoort er een was?

Een origineler argument was dat het smokkelen van pijpen trouwens niet echt verstandig was gelet op “la difficulté de les introduire en fraude par rapport a leur fragilité”.  Bovendien ging het slechts om “une petite partie de pipes qui vaillent en tout huit florins et huit patars”.  Al dient “petite partie” wel met een stevige korrel zout worden genomen.  De “verswegen vier mandekens met pypen” waren samen “inhoudende leth dan hondert en vier en dertig dozynen pypen”.  Iets minder dan 1.608 stuks.

De douanerechter van Nieuwpoort was niet onder de indruk van de verdediging en veroordeelde op 16 januari 1755  schipper Hania tot de inbeslagname van de pijpen en ene boete van 10 gulden per dozijn, aangevuld met de proceskosten.  Samen goed voor 1.340 gulden Brabants.  Gelet op de hoogte van de boete kon er tegen het vonnis beroep worden aangetekend bij de “Chambre Suprème” van de douane in Brussel.

In afwachting van de uitspraak in beroep bleven de gemoederen in Nieuwpoort verhit.  Dit bleek “den 13de meye 1755, synde de geboortedagh van haere Keyserlycke en Konincklicke Majesteyt” Maria Theresia van Oostenrijk, toen de notabelen van Nieuwpoort elkaar troffen om haar 38ste verjaardag te vieren.  In een procesbundel lezen we hoe Vanden Abeele “sigh bevonden heeft in den vertreckcamer van desen stadthuyse alwaer een bal tot recreatie van een ider was”. 6  Ook Louis Loot, de ontvanger van de douane, was aanwezig.  Vanden Abeele had Loot gegroet, was “nevens hem neder gaen zytten”, maar Loot “keerde syn aengesicht van my af”.  Vanden Abeele, “sulcx bemerkt hebbende vroegh aen hem of hy iets jegens my (= Vande Abeele) hadde, op welke vrage geene antwoorde becommen en hebbe.  De selve vrage repliquerende ende mynnen hand op synne mouwe leggende, keerde (Loot) sigh om met gesloten handen ende colere, dreygende my een vuyst in het aengesicht te geven.”  Vanden Abeele wist niet van ophouden en vroeg Loot “waerom hy aen mynnen knecht gerefuseert hadde op mynne declaratie de enregistreringe te doen ende te consenteren dat den schipper Hania syn opperlast (= lading op het dek) soude hebben comme lossen”.

Het te berde brengen van een nieuw incident met schipper Hania joeg Loot pas goed op stang en hij antwoordde “met gelycke colleryckigheid dat hy sulcx soude gedaen hebben als het hem paste.  Op welke antwoorde hem vraeghde wanneer sulcx aen hem soude gepast hebben, seide hy dan dat het mogelycx hem soude gepast hebben naer het verloop van acht dagen, waerop (ik = Vanden Abeele) hem seide dat ik my soude geadresseert hebben daer het behoorde ende dat ik het aen hem wel soude hebben doen passen.  Naer sulcx geseyt t’hebben ben (ik) opgestaen en weghgegaen.”

Loot ging nu volledig door het lint, wat vermoedelijk ook Vanen Abeele zijn bedoeling was, en “ontrent de deure gecommen synde staeck hy (Loot) my met synne twee vuysten op mynne borst”. Waarna de ontvanger “synnen degen uyttrock ende sigh in posteure stelde dreygende op my te steken. Sulcx bemerkt hebbende ben (ik = Vanden Abeele) inde vierschaere gelopen getrobeleert alwaer eenen stock genomen hebbe om, indien den ontfanger nogh met synnen degen naer my soude gecommen hebben, te defenderen”.  Omstaanders hadden uiteindelijk de kemphanen gescheiden.

Ondertussen werd Hania zijn proces in beroep afgerond.  Nieuwe argumenten ten gunste van de schipper kreeg men in Brussel niet te horen.  Het eerdere vonnis werd dan ook op 5 september 1755 bekrachtigd.  Niet in het minst als gevolg van een zeer degelijk verweerschrift vanwege de advocaat die namens Arnoldus Capitaine en zijn collega’s voor de rechtbank verscheen.  Hun raadsman stelde dat indien het waar zou zijn dat Ruttens knecht een fout had gemaakt en in Dordrecht de manden per ongeluk op een verkeerd schip had geladen, het toch wel opvallend was dat men zeer veel moeite had gedaan om de manden te verstoppen.  Ze waren aangetroffen “versteken binnen ’t schip nevens den mast ende tusschen andere goederen, tot soo verre dat de garden groodt geweldt ende moijte hebben moeten doen om de selve te ontdecken ende daer aen te connen geraecken, jae verscheyde goederen, rollen matten ende soo voorts (hadden) moeten uytnemen ten effecte van de selve uyt te haelen”. “ Dese versteckinge” kon niet anders dan het werk zijn geweest van de schipper of zijn bemanning.

Douanerechtbanken werden gelukkig niet bevolkt door onmensen.  Grootmoedig werd de boete enige tijd later gehalveerd omdat Hania ondertussen bij een schipbreuk zijn schip had verloren.  Via een verzoekschrift tot de Raad van Financiën werd vervolgens nog eens 1/3 kwijt gescholden. 7 8  Van de oorspronkelijke boete van 1.340 gulden diende dus slechts 446 gulden 13 stuiver 4 denier effectief te worden betaald.  Geld dat als prijsgeld werd verdeeld binnen de brigade Nieuwpoort: de ontvanger ontving 1/4de, de controleur 1/4de en de brigadier en zijn twee gardes samen 2/4de.  Toen Arnoldus op 12 maart 1756 uiteindelijk zijn aandeel ontving werden hem 74 gulden 8 stuiver 10 en 2/3 denier uitbetaald. 9 10  Door de verschillende kortingen een pak minder dan verhoopt, maar toch nog altijd het equivalent van ca. 3,5 maanden loon.

Door de vaak slechte toestand van de wegen in de waterzieke polders rond Nieuwpoort was groot-schalige smokkel over land zeldzaam.  De grootste vangsten deden Arnoldus en zijn mannen via de inspectie van de waterwegen.  Al ging het niet altijd om echte smokkel.  Men kon ook onbewust inbreuken plegen op tal van regels en verordeningen die ooit waren uitgevaardigd.

Dit was onder andere het geval op 13 februari 1758 toen brigadier Capitaine en garde Alexander Delmaere langs het kanaal Nieuwpoort – Brugge ter hoogte van de brug te Slijpe Pierre Maertens aantroffen “avec sa belandre (= bijlander, een vrachtschip voor binnenvaart) chargeant du soucrion (= wintergerst) qui se trouvait amassée (= gestapeld) dans une chambre basse du cabaret” dat zich daar bevond.  Toen ze vernamen dat het graan verkocht was en het schip nog andere plaatsen zou aandoen om bij te laden waren de douaniers naar Nieuwpoort teruggekeerd om verslag uit te brengen bij de hoofdofficieren.  Brigadier en gardes, aangevuld met de controleur, gingen de 15de terug op zoek naar het schip.  Ze troffen de “belandre chargeant aux ecluses dans le dit canal, dit Rattevalle” waarna ze naar Slijpe doorreden waar ze opnieuw in het plaatselijke “cabaret une partie de soucrion” aantroffen. Tijdens hun inspectie was landbouwer Arnout Truweel van Slijpe nog twee wagens met 50 razières graan komen afleveren.  Graan dat door Louis De Cock, een graanhandelaar uit Leffinge, was opgekocht.

In een poging om de graantrafiek in kaart te brengen waren de douaniers vervolgens naar Leffinge getrokken waar ze vernamen dat landbouwer Pierre Albrecht aan graanhandelaar De Cock 20,5 “razières” had verkocht.  Vervolgens ging het terug naar Slijpe waar men ondertussen bezig was de wintergerst die Truweel had geleverd op het schip te laden.  De douaniers hadden de hele nacht gewaakt en toen alle graan was ingeladen kreeg schipper Maertens om 9 uur ’s morgens te horen dat ze zijn schip en lading in beslag namen met de opdracht naar Nieuwpoort te varen.

Aan Jacques Behaghel, justitie officier van “camerlynck ambacht”, werd gevraagd hiervoor trekpaarden te leveren.

Terug in Nieuwpoort was Louis De Cock zich onmiddellijk op het bureau komen aanmelden om zijn zaak bij de ontvanger te bepleiten.  Hij gaf ruiterlijk toe dat hij her en der wintergerst had opgekocht. Samen ongeveer 150 razière.  Maar dat was met de beste intenties gebeurd.  Hij stelde die ook op schrift ter attentie van de rechtbank.  “Louis De Cock woonende ter prochie van Leffinghe, Lande van den (Brugse) Vryen, (verklaarde) hoe dat het onmogelich synde van de voornoemde prochie van Leffinghe, Slype, Wilskercke, Middelkercke, Mannekensvere ende andere prochien van dat canton met waegens & peirden in het wintersaisoen eenigen transport van graenen te doen naer de publiecke marckten van Brugghe & andere plaetsen der provincie van Vlaenderen om de ongebruyckbaerheyt der wegen in het voorschreven noortquartier van het Vrye (…) soo dat het gebreck van daer te connen gaen niet alleene eene schaersheyt van graenen ter publiecke marckten en veroorsaeckt nemaer oock eene overgroote schaede aen alle de landtslieden (…) dewelcke geheele winters met hunne graenen souden moeten blyven bysitten sonder geldt te connen maecken”.  Vandaar dat men van oudsher “den transport van graenen par schepe gedaen” had.  Het was in dat kader dat hij het graan had geladen “in het schip van sekeren schipper Mertens van Brugge om die te doen transporteren naer Brugge ten eynde van die aldaer ter publycke marckt te coope te stellen”.  Van smokkel of een poging om belastingen te ontduiken was geen sprake geweest.  Hij vroeg zich af wat hij verkeerd had gedaan en waarom dat alle graan in beslag was genomen?

Dat kreeg hij van de rechtbank te horen.  Die was, net zoals de douaniers, van mening dat er sprake was van een grootschalige inbreuk op het decreet van 18 januari 1757 dat, om het speculatief opkopen van graan te voorkomen, alle landbouwers gebood om hun graan persoonlijk en uitsluitend via de publieke markten te verkopen.  Graanhandelaars konden daar dan een bod doen.  De Cocks over-treding bestond er dus in dat hij het graan niet via de markt had gekocht maar rechtstreeks van de boeren “aan huis”.  De individuele boeren waren dan weer in de fout gegaan door hun graan niet persoonlijk in Brugge te gaan aanbieden.  De lading werd dan ook verbeurd verklaard en De Cock kreeg bijkomend een boete opgelegd van 6 gulden per razière. 11  Ook van deze boete zal een deel als prijsgeld aan de douaniers zijn uitbetaald.

Behalve prijsgeld kregen Arnoldus Capitaine en zijn manschappen ook af en toe een schouderklopje. December 1754 was een schip van “Jacques L. Ryngast negociant a Gand”, dat in het Spaanse Sevilla was volgeladen met citrusvruchten, tijdens een storm in de problemen geraakt bij het binnenvaren van de haven van Nieuwpoort.  “Le vaisseau fut jetté sur le sable a l’embouchure de ce port.  Le brigadier avec une partie de sa brigade s’y est rendu pour veiller aux interest de Sa Majesté et par la bonne conduite qu’il s’y est tenu il a été sauvé du meme moment quelques caisses quoi qu’en petit nombre a cause de l’impetuositée (= onstuimigheid) de la mer.  Le lendemain l’orage augmentant, le vaisseaux a entierement été submergé et les fruits restans, tous les caisses étants brisés, ont été semées tout sur la cotte de toutes parts, dans le port, au quay, et dans les criques, flottans dans l’eau, sur le sable et dans la boue.  Non obstant tous les precautions prises, il n’a pu etre sauve avec des grands frais que deux cens quatre vingt sept caisses tant citrons, oranges douces et ameres, que pommes de la Chine tous mellées ensemble”.

Door het ingrijpen van brigadier Capitaine en zijn manschappen mochten dan al 287 kisten zijn gered, veel marktwaarde had het fruit niet meer.  Inspectie om de invoerrechten vast te stellen toonde dat “ces fruits etaient extremement fletris, perdu leur odeur et gout par l’eau de mer, le sable et la boue.  Qu’au bout de 4 a 5 jours ils sont devenue moussi par la gellée survenu, tellement que ledit Meynne (een plaatselijke handelsagent) a ete oblige de jetter une grande partie”. 12

Uit alles blijkt dat binnen de brigade Nieuwpoort de sfeer goed was en men elkaar vertrouwde.  Zelfs in die mate dat men samen in zaken ging door allerhande goederen te “carreren”.  Dit “carreren” was het recht dat douaniers hadden om ladingen, of delen ervan, aan te kopen tegen de door de eigenaar of handelaar aangegeven waarde, verhoogd met 15 % als winstvergoeding voor de verkoper.  Daar bovenop kwamen nog de aan de overheid verschuldigde invoerrechten.  Eens alles betaald stond het de douaniers vervolgens vrij om de goederen door te verkopen voor eigen rekening.  De eventuele winst mochten ze houden.  Douanepersoneel financierde een dergelijke operatie met eigen middelen.

Arnoldus wist in Nieuwpoort minimaal vijf keer met één of meerdere gardes overeenstemming te bereiken om de krachten te bundelen en geld samen te leggen voor de “carrage” van een lading.  Het ging om zeer diverse zaken: “quinquaillerie (= ijzerwaren) “et mercerie (= garen en band) voor een waarde van 13 gulden, een kist “ouvrage de porcelaine venu de Dunckerque” aangegeven voor 70 gulden, “une partie ouvrage de terre simple (= gewoon aardewerk) venant d’Hollande par le battelier Jacques De Roo destine pour Bixschote chatellenie d’Ipres” en voor 7 gulden “ouvrage de faience repandu que Livin Lams avait déclaré venant d’Hollande”.

foto 3

Registratie te Nieuwpoort dd. 26 april 1755 dat brigadier Capitaine en garde Delmare samen een kist met porselein hebben gecarreerd met een aangegeven waarde van 70 gulden.  Ze hebben ook 15% “onteigeningsvergoeding” betaald, aangevuld met de verschuldigde in- of uitvoerrechten.

Het grootste risico nam Arnoldus in de nacht van 14 november 1757.  ’s Morgens noteerden de douaniers in het kasregister: “ce matin carré de notre propre argent soixante douzaines de paires de bas de laine (= wollen kousen) vallant six cens florins, quarant quatre pieces de mousseline vallant sept cens florins et une piece de damast de soye vallant neuf florins que le nommé P. Joffroy a déclaré pour sortir en mer pour Dunkercque par une chaloupe de pecheur .  Dans cette carrage ont pris part le brigadier Capitaine, les gardes Vande Vyver et Vander Heyden.  Cette affaire est arrivée pendant la nuit a deux heures du matin”. 13 Het ging dus om een transactie met een aangegeven waarde van 1.309 gulden.  Verhoogd met de winstmarge van 15% voor de “onteigende” handelaar en de invoerrechten ging het om een bedrag van ca. 1.500 gulden, het equivalent van ruim 6 jaar loon van een douanier.

Het forse bedrag wijst niet enkel op een groot onderling vertrouwen tussen de Nieuwpoortse douaniers, het illustreert ook dat ze de plaatselijke markt(prijzen) blijkbaar goed konden inschatten.

Men investeert niet in 60 dozijn paar wollen kousen als men niet zeker is die tegen een mooie prijs te kunnen doorverkopen.  Al valt natuurlijk niet uit te sluiten dat de douaniers hun recht op “carrage” uitoefenden als stromannen voor rekening van derden.

Natuurlijk waren er in Nieuwpoort handelaars, vissers, passanten en schippers die terecht of onterecht vonden dat ze door het douanepersoneel onheus werden behandeld.  Tegen de gewone douaniers vonden we geen klachten terug.  Alle onvrede richtte zich tegen ontvanger Louis Loot.  Maart 1756 resulteerde dit in een resem klachten.  Sommigen vonden hem overijverig, om niet te zeggen pietluttig.  “Le receveur Loot ne laisse pas de faire tellement le difficile que plusiers (schippers en handelaars) ont de l’horreur pour aller au bureau”.  Anderen beschuldigden hem van corruptie.  Ze beweerden geschenken in natura of steekpenningen te moeten geven eer ze iets gedaan kregen.  Ook werd Loot verweten onder één hoedje te spelen met “commissionaire” (= handelsagent) Anthone Meyne, en dat hij de schippers die beroep deden op deze handelsagent een voorkeursbehandeling gaf. 14 15

Alle klachten tegen Loot kwamen bij de fiscaal van de Raad van Vlaanderen terecht en eind maart 1756 trok die persoonlijk naar Nieuwpoort om de zaak te onderzoeken.  Op 29 maart 1756 was het de beurt aan brigadier “Arnoldus Cappiteyne” om, als enig personeelslid van de plaatselijke brigade, verhoord te worden.  Onder eed verklaarde hij “waerachtigh te wesen dat hy op de conduite van ontfanger Sieur Loot niet anders en weet te seggen dan dat hy dickmaels wat difficiel is”.  Arnoldus had horen zeggen dat Loot “op sondaegen en heylighdaegen aen vischkoopers refuseert” doorvoer-bewijzen af te leveren “om hunnen visch te connen versenden“.  Wat eventuele corruptie betrof of het door Loot onder één hoedje spelen met handelsagent Meyne hield Arnoldus zich op de vlakte.  Hij beperkte er zich toe om te onderstrepen dat hij zelf “nooynt naergelaeten heeft aenslaegen te doen (= in beslagnames) van blaertoeback ofte van andere goederen alhier arriverende als hy daer toe materie (= aanleiding) gehadt heeft, t’sy dat de cooplieden bedient wierden door den commissionaris Meynne ofte door andere.  Dat hy sulckx nooydt naergelaeten heeft uyt vreese van te desobligeren den ontfanger, nochte en heeft hy geene aenslaegen gedaen de welcke hy saude connen seggen geweest te syn tegen goeste van selve ontfanger.  Segt voorts nooyndt ondervonden ofte bemerckt te hebben dat den self ontfanger eenigh gheldt ofte presenten saude ontfangen hebben van cooplieden ofte van den commissionaris Meynne ten wat effecte het saude mogen wesen16.

Op basis van een tiental tegenstrijdige getuigenverklaringen, inlichtingen vanwege het stadsbestuur van Nieuwpoort en het controleren van de kasboeken oordeelde de fiscaal dat naar zijn aanvoelen alles terug te brengen was tot “une haine de la part de deux ou trois marchants contre le receveur Loot apparement a cause qu’il est un peu rigoureu (= streng) et qu’il fait trop son devoir.  “Je vois bien que le receveur y est generalement haï parce qu’il est extrement fier et hautain, mais il parrait irreprochable dans son devoir”.

Waarschijnlijk had de fiscaal het bij het rechte eind had.  Niet enkel was één van de indieners van de klacht Joannes Boudeloot, die als gevolg van de eerder beschreven smokkelaffaire ondertussen zijn herberg had moeten verkopen.  Ook vonden we bewijzen dat Meyne   geen voorkeursbehandeling kreeg, maar net zoals elke andere handelsagent werd behandeld.

Zo hadden op 23 juli 1754 Arnoldus en zijn manschappen in een schip afkomstig van Duinkerke gesmokkeld textiel aangetroffen.  Hun zaak tegen Antoine Meyne “facteur en commissionaris van Pieter Caron coopman tot Dunkercke”, de eigenaar van de lading, was op 16 september 1754 door de douanerechter beslecht.  De “vier stucken catoen ende drie stucken mosselyne by syne (= Meyne) declaratie verswegen”, werden “in proffyte van Syne Majesteit geconfisqueert“.

Brigadier Capitaine en zijn gardes hadden op meer gehoopt en volmondig gesteund door ontvanger Loot tekenden ze op 24 september 1754 beroep aan bij de “Supreme Caemer” in Brussel.  Ze waren van oordeel dat de rechtbank uit de lading ook 711 ellen “gedruckt catoen”, 27 ellen “camelote17 en 32 ellen “saey” in beslag had moeten nemen.  Op die rollen stof had Meyne weliswaar invoerrechten betaald, maar volgens Capitaine en co waren de stoffen van een hogere kwaliteit dan aangegeven. Gelet op de gangbare reglementen ging het om meer dan gewoon wat extra invoerrechten die men was misgelopen.  Indien de kwantiteit van goederen “vals” was volgens de aangifte mocht het deel van de landing dat daar qua aantal of gewicht van afweek in beslag worden genomen.  Indien een aangifte echter “vals” was voor wat betreft de kwaliteit van goederen, dan mocht de volledige lading in beslag worden genomen.  Dit had natuurlijk invloed op de hoogte van het prijsgeld van Capitaine en co. 18

Sommige douaniers in Nieuwpoort hadden een zwaar alcoholprobleem, maar over Arnoldus werd geen onvertogen woord teruggevonden.  Integendeel.  Uit de processen verbaal van door hem uit-gevoerde controles komt hij naar voor als een evenwichtig man die zeker niet lichtzinnig optrad.  In geen enkel proces voor de douanerechtbank werd hij ooit persoonlijk door een tegenpartij van onregel-matigheden beschuldigd.

Minimaal tot eind april 1758 bleef Arnoldus in Nieuwpoort actief als brigadier.  Toen viel opeens de hemel op zijn hoofd.  In mei 1758 werd een zoveelste personeelsrapport opgemaakt.  Behalve Arnoldus’ personalia: gehuwd, één kind, Frans en “Vlaemsch” sprekend, “fils d’emploiè” en “tailleur” van opleiding, bevatte het ook een vernietigend moraliteitsverslag over de ondertussen 40-jarige brigadier.  “Homme de peu de génie, ne sachant lire et paine écrire, plus zélé pour la boisson que pour le service, d’une étroite liaison avec batteliers (= schippers) et marchands, ne convenant aucunnement ici”. 19  Wie het rapport schreef is onbekend.

foto 4

Onder een proces verbaal schreef Arnoldus Capitaine in zijn functie van “huissier” van de douanerechtbank op 19 november 1754 dat hij het stuk had “geinsuert (= betekend) ten huysen van n Looes tot Lombaseyde quaert voor den thynen”.

Het is zeker mogelijk dat Arnoldus meer dronk dan goed voor hem was.  Dat hij in het al bij al kleine havenstadje Nieuwpoort na vijf jaar dienst (te) nauw bevriend was met de plaatselijke schippers en handelaars is even goed mogelijk. 20  Hem als een semi-analfabeet afschilderen is echter manifest fout. We vonden van zijn hand, behalve verschillende processen verbaal, ook tientallen korte nota’s onder-aan processtukken terug.  Zowel in het Frans als in het Nederlands.  Als brigadier was hij immers ook deurwaarder van de plaatselijke douanerechtbank en was het zijn taak om allerhande dagvaardingen en processtukken officieel aan gedaagden te betekenen.



Notes:

  1. RAB, oud archief Nieuwpoort, nrs. 2.461 en 2.462 proces voor rechter van de Domeinen te Nieuwpoort.
  2. RAB, oud archief Nieuwpoort, nr. 2.351 proces voor de Hogere Kamer van de Domeinen te Brussel.
  3. De kerk van Lombardsijde werd tijdens de Eerste Wereldoorlog volledig vernield.
  4. RAB, oud archief Nieuwpoort, nr. 4.636 processen zo burgerlijke als criminele voor de schepenen behandeld 1755-1759.  Proces dd. 7/8/1755 tussen Joannes Boudeloot en Michel Jan Longueville.
  5. RAB, oud archief Nieuwpoort, nrs. 2.466 en 2.467 proces voor rechter van de Domeinen te Nieuwpoort.
  6. RAB, oud archief Nieuwpoort, nr. 4.758 klachten en inbeslagnames, losse akten 1740-1769.
  7. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.739 correspondence avec le personnel du département de Nieuport 1756-1760.  Bevat ook tientallen stukken uit 1754 en 1755.
  8. RAB, oud archief Nieuwpoort, nr. 2.353 proces voor de Hogere Kamer van de Domeinen te Brussel.
  9. RAB, oud archief Nieuwpoort, nr. 4.180 register van namptissementen 1723-1792.
  10. RAB, oud archief Nieuwpoort, nr. 2.362 rekwesten aan de rechter van de Domeinen te Nieuwpoort.
  11. RAB, oud archief Nieuwpoort, nr. 2.475 proces voor de rechter van de Domeinen te Nieuwpoort.
  12. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.739 correspondence avec le personnel du département de Nieuport 1756-1760.  Bevat ook tientallen stukken uit 1754 en 1755.
  13. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.739 correspondence avec le personnel du département de Nieuport 1756. Bevat ook tientallen stukken uit 1754 en 1755 waaronder de registratie van carrages op 19/04/1755, 26/04/1755, 18/06/1755, 3/05/1756 en 14/11/1757.
  14. RAB, oud archief Nieuwpoort, nr. 121 verzonden en ontvangen briefwisseling van de magistraat 1753-1756.
  15. RAB, oud archief Nieuwpoort, nr. 161 verzoekschriften door of aan de magistraat 1756-1763.
  16. RAG, Raad van Vlaanderen, nr. 30.808 correspondentie van de fiscael 1756.
  17. Camelotte: stof die in de middeleeuwen werd gemaakt van kameelhaar.  In de 17de en de 18de eeuw uit een mengsel van kameelhaar, zijde en fluweel.  In de 19de eeuw geweven van de haren van de angorageit.
  18. RAG, oud archief Nieuwpoort, nr. 2.465 proces voor de rechter van de Domeinen te Nieuwpoort.
  19. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.130, inspectieverslagen diverse douanedepartementen 1758-1762.
  20. Het inwonersaantal van Nieuwpoort toen Arnoldus Capitaine er douanier was is onbekend.  We schatten het op minder dan 3.000 gelet op latere cijfers.  (In 1799-1800 2.958 inwoners, in 1806 2.606 inwoners).