Capiteyn Benjamin

Geboren te Destelbergen op 30 januari 1845

Overleden te Sint-Amandsberg op 9 mei 1934

Zoon van Eugenius Franciscus CAPITEYN en Francisca VERMEIRE.

Toen hij enkele maanden oud was verhuisden zijn ouders met hun hele hebben en houden naar Sint-Amandsberg, toen een onderdeel van de gemeente Oostakker.  Zijn vader wist er ondanks de economische crisis het hoofd boven water te houden als wever, zijn moeder was spinster.

Net zoals zijn broers en zussen, trad ook Benjamin in de voetsporen van zijn vader en werd hij wever. Dit zou niet lang duren. 1  In 1867, Benjamin was 22 jaar, nam zijn bejaarde vader (60 jaar oud) met een geërfd kapitaaltje een bescheiden chocolade- en cichoreifabriekje over gelegen in de Halvemaanstraat te Sint-Amandsberg.  De drijvende kracht achter deze beslissing was Benjamins oudere broer Seraphin Capiteyn die reeds enige tijd in dit fabriekje werkzaam was als knecht.  Met vereende familiale krachten werd de overname een succes. 2  In 1877 werd de “suikerij- en chocolatfabriek” aangevuld met een “peper & canelle stoommaalderij”.  Alle activiteiten werden ingepast in een oud koetshuis achter het grote woonhuis. 3

Alhoewel alle documenten officieel vader Eugenius als bedrijfsleider en eigenaar vermelden, was het in de praktijk zoon Seraphin die de echte leiding van het bedrijf in handen had.  Daarbij geholpen door broer Benjamin, onze voorouder.  De twee kunnen onmogelijk afzonderlijk besproken worden in deze familiekroniek.  Daarvoor waren hun levens teveel met elkaar verweven.  Niet alleen zouden ze gedurende veertig jaar samen het bedrijf uitbaten, ook buiten het bedrijf waren ze onafscheidelijk. Benjamin en Seraphin, die ongehuwd bleef, woonden hun leven lang onder hetzelfde dak.  Van het woonhuis en bedrijfsgebouwen, waren ze ook samen eigenaar: elk voor de helft.

Om problemen rond de erfenis te voorkomen had vader Eugenius op 18 april 1883, een viertal weken voor zijn overlijden, zijn “eigendom bestaande uit twee woonhuizen, tuin, magazijn en alle andere katheilen er op staande en medegaande”, samen goed voor 15 aren 10 centiaren, aan zijn zonen Seraphin en Benjamin verkocht. 4 5 6  Een bedrag van 2.500 fr. werd onmiddellijk betaald.  De resterende 8.000 fr. zouden de zonen binnen de vijf jaar aflossen tegen 3,5 % rente.  Als garantie werd door de broers een hypotheek op het geheel gevestigd.  Tussen de twee broers werd geen aanvullende speciale overeenkomst gesloten.  Blijkbaar werden er geen problemen verwacht én ze hadden het bij het rechte eind.

Van de roerende bedrijfsuitrusting werden ze in april 1883 nog geen eigenaar.  Dit werd pas geregeld na het overlijden van vader Eugenius toen de twee broers op 4 juni 1883 hun mede-erfgenamen uitkochten. 7

De twee broers verwierven die dag voor 5.256,25 fr.: “eenen dampketel van vier atmospheren, een fournuis 8, eene machien met toebehoorten, eenen plettermolen met bakken en zeefden, eenen kleinen plettermolen 9, chocoladepotten met gereedschappen, grooten trommel met bak beslegen in yzer dienende tot branden van suikery, eenen kleinen trommel dienende tot het branden van cacao, eenen molen om cacao te kuisschen,eenen bascuul met gewichten,een koperen weegschaal met gewichten, eenen steekwagen, eenen kruiwagen, twee groote suikerybakken, vormen dienende tot het fabrikeren van chocolade en alle de toebehoorten dezer verschillende voorwerpen”.

foto 1

Akte dd. 4 juli 1883: handtekeningen van de kinderen van Eugenius Capiteyn: Coleta, Jacobus, Seraphin, Heliodoor, Benjamin, Alphons, Benoit en Marie met daarbij de handtekeningen van notaris De Backere en de getuigen Francies Rollé en Romain Vanderween.

Het is vreemd dat in het overzicht van de bedrijfsuitrusting enkel sprake is van cacao, chocolade en “suikery”.  Niets verwijst naar de peper- en kaneel stoommaalderij.  Dit zou er kunnen op wijzen dat deze activiteit in 1877 door Seraphin en Benjamin met eigen middelen werd opgestart, parallel aan de chocolade- en cichoreiproductie, waardoor ze buiten de nalatenschap viel.  Bewijzen hiervoor ontbreken tot op heden.

Seraphin en Benjamin verwierven op 4 juni 1883, door uitkoop van de mede-erfgenamen, ook de roerende goederen die tot het woonhuis behoorden.  Het betrof “zes matrassen, een yzeren bedstoel, drie houten bedstoelen, twee commoden, een nachtstoel, een jachtcomfoor en stove met toebehoorten, achttien stoelen, een zetel, drie kleerkassen, vier kleine kassen, een glazen kas, een schapraai, een ronde tafel, drie keukentafels, een lievevrouwbeeld met bocaals, een crucifix, al het geleijer en aarde-werk, lepels, messen, vorken, potten, pannen, ketels, rieken, spaden, raken, manden, zakken, koopwaren, oogst te velde, pachtersrechten, beestialen dit voornoemde goed gekend, met één woord al de mobilaire voorwerpen”. 10

De twee broers werden in de officiële stukken in al hun economische hoedanigheden teruggevonden: “chocolademaker” (tot 1885), “suikerijfabrikanten” (tot 1885), “mulder”, “molenaar” of gewoon algemeen als “fabrikant” en “nijveraar”.  Personeel hadden ze nooit in dienst.  Al het werk deden ze zelf met behulp van een stoommachine met een bescheiden vermogen van 3 pk.  Machine die het echtpaar Duprez – De Rudder, de vorige eigenaars van het bedrijf, in 1860 hadden geïnstalleerd. 11

Op basis van wat we weten over het productieproces van chocolade in de 19de eeuw gaan we er van uit dat de stoomkracht werd gebruikt om minstens twee verschillende machines aan te drijven: een installatie om de cacaobonen te breken en een molen/menger. 12 13  Nadat de cacaobonen met de hand waren gezuiverd van takjes, stenen en andere onzuiverheden, werden ze in een metalen trommel 14 geroosterd om het aroma aan te scherpen en om het verwijderen van de dop te vergemakkelijken.  Het roosteren vereiste veel vakmanschap waarbij een temperatuur van 130 à 140° C de maximum toelaatbare was.  Te lang roosteren, of hogere temperaturen, gaven aan de cacao een branderige smaak.  Na het roosteren werden de bonen, ongeveer 2,5 cm groot, in een breekinstallatie gebroken.  De schillen werden vervolgens verwijderd door middel van het wannen.  Hierna werden de gebroken bonen in een molen verder verbrijzeld tot een soort cacaopasta ontstond.  Gezien het hoge vetgehalte van het geheel gebruikte men hiervoor een kleine kollergang 15 die in een soort kuip was gevat.  Soms was onder de mengkuip een verwarmingselement ingewerkt om de cacaopasta vloeibaar te houden.

foto 2 Voorbeeld van een fijnwalsmachine (ca. 1850): machine om de grofkorrelige chocolademassa te herleiden tot een gladde homogene chocoladepasta.foto 2aVoorbeeld van chocolademengelaar (ca. 1850) waarmee de cacaomassa met andere ingrediënten, waaronder suiker, of noten werd gemengd en gekneed.

De vettige cacaomassa kon men vervolgens;

– ofwel in vormen gieten en deze laten stollen tot een bittere, nogal vette fondant chocolade 16

– ofwel aanvullen met suiker, noten of rozijnen om de bitterheid terug te dringen

– ofwel met een pers van de cacaoboter ontdoen tot een vaste cacaokoek overbleef.

Of het chocoladefabriekje van de broers Capiteyn al dan niet over een pers beschikte om de cacaoboter te verwijderen is onbekend.  Uit verhalen die worden verteld binnen de familie weten we enkel dat er ooit gietvormpjes voor chocolade in huis waren.  We veronderstellen dan ook dat de chocolade het bedrijf verliet onder de vorm van cacaotabletten, klaar voor individueel gebruik.

Deze cacaotabletten, die op ruime schaal aan de man werden gebracht, hadden weinig gemeen met de huidige chocoladerepen.  De tabletten waren nagenoeg oneetbaar.  De consument was verplicht de tabletten in kokende melk (of water) op te lossen waarna men een bittere, en als gevolg van het hoge vetgehalte, moeilijk verteerbare drank bekwam.  De chocoladedrank was dan ook niet zozeer een genotsmiddel, maar eerder een voedzame versterkende drank.

Een aantal van de productiestappen vonden we weerspiegeld in de bedrijfsuitrusting die de broers in 1883 van hun mede-erfgenamen overnamen: “eenen kleinen trommel dienende tot het branden van cacao”, “eenen molen om cacao te kuisschen”, “eenen kleinen plettermolen” en een “fournuis”.  Ook “chocoladepotten met gereedschappen” en “vormen dienende tot het fabrikeren van chocolade” kwamen in de inventaris aan bod. 17

Dat er naast chocolade ook “suikerij” (= cichorei) werd geproduceerd was niet onlogisch want de chocoladeproductie was in de 19de-eeuw nog sterk seizoensgebonden (Kerstmis en Pasen). Taferelen over het drogen van de versneden cichoreiwortels zoals Stijn Streuvels ze beschreef in “Het leven en dood in de ast”, hebben zich in het bedrijfje niet afgespeeld.  Op de huidige site is geen spoor van een ast of droogvloer te bemerken.  We houden het er op dat de gedroogde cichoreibonen in zakken werden aangevoerd en dat de broers Capiteyn enkel de laatste twee stappen in het productieproces, het branden en het malen, voor hun rekening namen.  Een werkwijze die in Oost-Vlaanderen wel meer voorkwam en bij niet al te grootschalige productie door één persoon kon worden afgehandeld. 18 19

Het branden van cichorei, een delicate bewerking, was niet seizoensgebonden en kon het gehele jaar door gebeuren op basis van eerder ingekochte en opgeslagen gedroogde cichorei.  Het branden gebeurde in een draaibare trommel en was vergelijkbaar met het branden van cacao- of koffiebonen.

Tijdens het branden van de cichorei goot men geregeld vetstoffen in de trommel, bv. uiterst fijne raapolie, die mede verantwoordelijk was voor het uitzicht, de specifieke smaak en de aangename geur van het eindproduct.  Het ligt voor de hand dat de fabrikanten dit element als het geheim voor hun kwaliteitsproduct beschouwden.

Na het branden dienden de bonen zo snel als mogelijk terug te worden afgekoeld.  Van “branden” tot “in brand schieten” was immers maar een stap.  In vele installaties goot men de hete bonen uit de trommel in een metalen bak of in een houten bak die langs de binnenzijde was beslagen met metalen platen. 20  Om het afkoelen te bespoedigen werden de cichoreibonen open gespreid.  Bedoeling was ook om de wakke, klamme bonen te laten drogen.  Na afkoeling en drogen werden de bonen met behulp van een gewone “graanmolen” vermalen.

foto 3

SAG, Gazette van Gent, dd. 17 maart 1867, voorbeeld van reclame voor cichorei.

Afhankelijk van de stand van de maalstenen kreeg men twee soorten cichorei: fijne en grove. Wanneer de bonen onvoldoende waren uitgedroogd, dreigde het gevaar dat er een soort “verdeging” plaatsvond tijdens het malen waarbij het cichoreimeel (of cichoreistof) tot een taaie pasta werd herleid en de molenstenen praktisch lam werden gelegd.  In dat geval diende men de houten trommel rond de molenstenen weg te nemen om met behulp van een molengalg de bovenste steen of loper te lichten, zodat het “verdeegsel” kon worden verwijderd en de molenstenen gereinigd.  Het malen kon echter ook met een kollergang gebeuren.  Eens gemalen werd het cichoreimeel met behulp van een builmolen, een langwerpige cilindervormige zeef gevat in een houten kast, gezeefd waardoor men afhankelijk van het aantal zeven verschillende mengsels kon samenstellen.

Ook een aantal van de stappen nodig voor de productie van cichorei vonden we weerspiegeld in de inventaris van het bedrijfje opgemaakt in 1883.  Men had het onder andere over een “grooten trommel met bak beslegen in yzer dienende tot het branden van suikerij”, “twee groote suikerijbakken”, “eenen plettermolen met bakken en zeefden”. 21

Toen Seraphin en Benjamin in 1883 eigenaar werden van woning en bedrijf waren ze respectievelijk 47 en 38 jaar oud en beiden vrijgezel.  De grote woning hoefden ze enkel te delen met hun bejaarde moeder.  De andere kinderen Capiteyn waren allen de deur uit.  Het poorthuisje aan de straatkant werd verhuurd aan personen vreemd aan de familie, waarbij het verloop van huurders tamelijk groot was. 22

In navolging van hun vader, beklommen de broers nu ook zelf de sociale ladder.  Op 14 augustus 1883 werd Seraphin stemgerechtigd voor de Wetgevende Kamers.  Bij de herziening van de kiezerslijst op 14 augustus 1886 werd ook Benjamin zijn naam bijgeschreven.  Een lijst die werd afgesloten met voor de gemeenteraad 515 kiesgerechtigden, voor de provincieraad 364 en voor de Wetgevende Kamers 122. 23  De broers behoorden dus tot en kleine elite binnen de gemeente.  De omvorming van het cijns-kiesstelsel naar het algemeen meervoudig kiesstelsel bracht daar niet echt verandering in.  Gezien hun forse belastingaanslagen mocht Benjamin voor senaat en provincie drie stemmen uitbrengen en voor de gemeente vier.  Seraphin, die geen gezinshoofd was, diende zich tevreden te stellen met twee stemmen voor senaat en provincie, en drie stemmen voor de gemeenteraad. 24

Twee jaar nadat de twee broers eigenaar waren geworden van de site besloot de jongste, de 40-jarige Benjamin, alsnog in het huwelijksbootje te stappen.  Op 16 september 1885 huwde hij te Gent met Philomena De Backere (°Sint-Laureins 17/03/1851, +Sint-Amandsberg 26/09/1913), iemand uit de onmiddellijke omgeving want haar ouders waren de uitbaters van een herberg enkele honderden meters verder aan Antwerpsesteenweg. 25  Uit dit huwelijk werden vijf kinderen geboren. 26  Broer Seraphin werd natuurlijk dooppeter van het oudste kind.

Omwille van deze kinderen bleef het dan ook zinvol om verder in het bedrijfje te investeren.  In de jaren die volgden werden een kollergang 27 voor kaneel (1887) en één voor peper (1899) geïnstalleerd in de voormalige koetshuizen achter de woning.  Alles bleef tot op heden bewaard.

foto 4

 Philomena De Backere (°Sint-Laureins 17/03/1851, +Sint-Amandsberg 26/09/1913)

foto 5

Familie-archief Capiteyn, deel maalderijgebouwen.  Links de ingang tot de peperkollergang, rechts de ingang tot de nootmuskaatmolen.

foto 6

MOENS Katrien, “Maalderij A.Capiteyn”, invulling maalderijgebouwen juni 2000.

foto 7

Familie-archief Capiteyn, deel maalderijgebouwen.  Links de ingang tot de molen voor muskaatnoot, rechts de ingang tot de kaneelkollergang.  Ook de schouw die in 1860 werd opgetrokken in functie van een stoomketel is te zien.

foto 8

De kaneelmolen (type kollergang) van 1887.                      De pepermolen (type kollergang) van 1899.

foto 9

De muskaatnootmolen met links de draaibare galg om de molenstenen te lichten.  Deze molen werd voordien waarschijnlijk gebruikt voor het vermalen van cichorei.  Tijdens de twee wereldoorlogen werd hij ook gebruikt voor het illegaal malen van graan.

De oude en kleinere molenstenen die door de inplanting van twee nieuwe kollergangen werden herleid tot afbraakmateriaal werden her en der op de site gebruikt als deurdrempels en hoekbescherming van muren en gebouwen.  Of de groen beschilderde peperbuilmolen en de geel beschilderde kaneelbuil-molen, samen met de nieuwe kollergangen werden geïnstalleerd is onbekend. 28   Waarschijnlijk zijn ze ouder en werden ze voordien gebruikt om cacaopoeder en cichorei te builen

foto 10

Molensteen 178 cm x 12 cm ingewerkt voor de voordeur, situatie ca. 1920.       

foto 10a

Molenstenen 81 cm x 11 cm als drempel tot het “cichoreikot”. Situatie 2001.

foto 11

Peperbuilmolen met geopend zijluik waardoor de zeeftrommel te zien is.  Rechts ziet men de aandrijfriem.

Naast de installatie van nieuwe kollergangen drongen ook andere investeringen zich op.  De stoommachine die in 1860 door de vorige eigenaars van het fabriekje, was geïnstalleerd, was na verloop van tijd versleten en werd in april 1891 vervangen. 29  Deze stoominstallatie, de tweede op de site, was 17 jaar later op haar beurt aan vervanging toe.

Op 22 oktober 1908 werd opnieuw een aanvraag voor een nieuwe stoommachine en stoomketel ingediend bij het gemeentebestuur.  Deze derde stoommachine op de site zou een kracht hebben van 20 paarden.  In het kader van het openbaar onderzoek werd een perimeter afgebakend waarbinnen de eigenaars van belendende percelen dienden te worden aangeschreven om al dan niet hun bezwaren kenbaar te kunnen maken.  Er kwamen geen bezwaren binnen en de vergunning werd afgeleverd. 30

 

foto 12

foto 12a

Familiearchief Capiteyn, brief Seraphin en Benjamin Capiteyn, dd. 21 oktober 1908

foto 13

Familiearchief Capiteyn, risico perimeter nieuwe stoommachine 1908

foto 14

 De stoomketel uit 1908 met open ovenluik, situatie 2001

Seraphin en Benjamin Capiteyn verdienden goed hun boterham en lieten het geld ook rollen.  Meermaals lieten ze zich portretteren door beroepsfotografen, in mooi kostuum, met dasspeld … echte heren van stand.  En daar hoorde ook een aangepast sociaal leven en engagement bij.  Zo was Seraphin Capiteyn gedurende vele jaren voorzitter van de “De Vereenigde Werklieden”.  Een katholieke maatschappij van onderlinge bijstand waarvan de afdeling Sint-Amandsberg op 6 november 1876 in café “Sint-Elooi” was opgericht.  Voor zijn jarenlang inzet werd Seraphin zelfs gedecoreerd “met de bijzondere eeretekens voor onderlingen bijstand van eerste en tweede klas”. 31

foto 15 seraphin

Seraphin Capiteyn, foto 1903 à 1905

foto 15a BenjaminBenjamin Capiteyn, foto na 1905

Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog werd Benjamin weduwnaar toen Philomena De Backere op 26 september 1913 overleed.  Een maand na de geboorte van haar eerste kleinkind.

Gelet op de hoge leeftijd van Seraphin (77 jaar) en Benjamin (68 jaar), werd de maalderij toen reeds verschillende jaren geleid door Benjamins’ drie zonen: Georges, Andreas en Romaan.  Bij de Duitse inval augustus 1914 werd Romaan, 20 jaar oud, gemobiliseerd om het land te verdedigen.  De eveneens ongehuwde Georges, 28 jaar oud, kwam als oorlogsvrijwilliger achter het front terecht als “secretaris by den Belgischen legerstaf in Frankrijk”.  Onze overgrootvader Andreas Capiteyn, toen 26 jaar oud, kwam door een combinatie van broederdiensten én zijn status van jong gezinshoofd (zijn eerste kind was net één jaar oud) niet in aanmerking voor onmiddellijke mobilisatie. 32

Verontwaardigd over de Duitse inval, en in het elan van alomtegenwoordige vaderlandsliefde, besloot ook hij zich als oorlogsvrijwilliger te gaan aanmelden.  Op weg naar het registratiebureau werd dit voornemen hem echter door verschillende mensen ontraden.

De oorlog zou toch niet lang duren zei iedereen en men wees hem op zijn plichten ten opzichte van zijn kind, zijn jonge vrouw, zijn hoogbejaarde vader en oom, zijn twee ongehuwde zussen, en natuurlijk ook op zijn verantwoordelijkheid betreffende het familiebedrijf.  Argumenten die niet in dove-mansoren vielen en Andreas keerde letterlijk op zijn stappen terug waardoor hij aan de jarenlange slachtpartij kon ontsnappen en de maalderij tijdens de oorlog in bedrijf wist te houden.

Door de oorlog was de invoer van peper en kaneel uit overzeese gebieden natuurlijk stilgevallen.  De beschikbare voorraden werden mondjesmaat vermalen en wegens (of dank zij) de schaarste duur verkocht.  Daarnaast werden de molens ook gebruikt om de meest diverse andere zaken, al dan niet legaal, te malen.  Zo weten we via verhalen die binnen de familie circuleren dat er o.a. illegaal graan werd gemalen.  Iets wat ook in de Tweede Wereldoorlog zou gebeuren.

Dat de verordeningen van de Duitse bezetter inzake de rantsoenering van steenkool (nodig voor het opwekken van stoom) en het opeisen van koper (cfr. enkele onderdelen van de stoommachine waren in koper) gevolgen hadden voor de maalderij is evident.  Er zijn aanwijzingen dat het bedrijf in 1917 en 1918 volledig stil lag.  In het familie-archief vonden we een ontwerp van een brief waarin Benjamin Capiteyn terugbetaling vroeg van reeds betaalde belastingen voor de jaren 1917 en 1918 omdat die jaren “mon installation a chomé (= stilgelegen) complètement”.

foto 16

Familie-archief Capiteyn: Ontwerp van een brief door B. Capiteyn gericht aan de directeur van de belastingen te Gent.

 “Jusqu’a ce jour je n’ai encore reçu aucune réponse à ma requète tendant à obtenir la ristourne (= terugstorting) de mes contributions de 1917.  Par la présente, je prends la respectuese liberté de vous rappeler cette requète et de vous demander la meme faveur pour 1918, année pendant laquelle mon installation a chomé (stilgelegen) complètement comme en 1917.

De economische schade zal aanzienlijk zijn geweest, maar het had veel erger kunnen zijn.  Alhoewel ver van de frontlijn gelegen was het huis en maalderij (en de familie zelf) op een haar na aan een totale en vooral spectaculaire vernietiging ontsnapt: bedolven worden onder een reusachtige brandende Duitse zeppelin, 158 meter lang, met een diameter van 14,9 meter en een gewicht (zonder bemanning, ballast, bewapening of bommen) van 17.588 kg.

In de nacht van 6 op 7 juni 1915 was de Duitse zeppelin LZ 37, op de terugweg van een luchtaanval op Calais, ter hoogte van Langerbrugge bij Gent onderschept door de Engelse jachtpiloot Reginald Alexander John Warneford.  Deze slaagde erin een paar voltreffers te plaatsen waarna de stuurloze zeppelin brandend afdreef richting Sint-Amandsberg.  Hierbij vielen her en der brandende brokstukken naar beneden. 33  Boven het Groot Begijnhof van Sint-Amandsberg boorde een brokstuk zich door het dak van het huisje van begijn Sidonie Maes waarbij haar 9-jarig nichtje om het leven kwam. Iets verder scheerde het brandende gevaarte over het huis Capiteyn waarbij een stuk van een motor door het dak van de maalderij viel. 34  Enkele seconden later, en gelukkig 150 meter verder, brak de zeppelin middendoor waarbij de voorkant terechtkwam op het Visitatieklooster in de Gentstraat (nu Visitatiestraat).  Ontploffende benzinebussen veroorzaakten brand in de stallingen van het klooster. Een motor viel door het dak van de slaapzaal van de zusters en veroorzaakte ook daar brand waarbij één van de zusters om het leven kwam en een aantal andere zwaargewond werden.  Eén van hen zou een paar dagen later overlijden aan de opgelopen brandwonden.

Van de 9 Duitse bemanningsleden overleefden er 7 het neerstorten niet.  Daarnaast waren er nog twee zwaargewonden waarvan één nog dezelfde dag aan zijn brandwonden bezweek.  De meeste stortten te pletter toen de gondels van de zeppelin loskwamen.  In herberg “Sint-Amand” (later café “Macaco”) op de Antwerpsesteenweg viel een lichaam dwars door het dak en zoldering en kwam tenslotte in de keuken terecht.  Een ander lid van de bemanning vond de dood toen hij door het dak sloeg van een huis in de Joseph Gerardstraat.  In dezelfde straat vond men de dag nadien het verkoolde lijk van een Duitser in de dakgoot van het huis schuin tegenover het vroegere postkantoor.  In de bomen achter de tuinmuur van het klooster, op de hoek van de Antwerpsesteenweg en de Gentstraat, hingen eveneens de lijken van twee bemanningsleden. 35  Een paar beschadigde dakpannen in de werkplaats achter het huis Capiteyn waren in het licht van dit alles natuurlijk een detail.

Gelet op de Duitse censuur beschreef Louise Capiteyn de gebeurtenis slechts beknopt op de achter-zijde van een foto die ze naar haar broer Romaan, soldaat aan het IJzerfront, zond. 36  Toen Romaan Capiteyn op 28 augustus 1915 sneuvelde werden zijn persoonlijk bezittingen, waaronder de foto, naar de familie teruggestuurd.

foto 17

Foto van Aimé Capiteyn (°9/08/1913) met zijn pépé, grootoom Benjamin Capiteyn die naar Romaan Capiteyn aan het front werd gestuurd (juli ? 1915).  Op de achterzijde volgende tekst:  “Beste Romaan, Pépé gelast mij u dit portret te zenden, ge zult zien welken grooten jongen Aimé reeds geworden is.  Hij spreekt veel van zijn nonkel Romain, soldaat, en hij begint ook al reeds te exerceren, vind hij een stok dan is hij aan den gang.  Ik heb u reeds geschreven dat hij een broertje heeft Armand genaemd, maar dien brief is waarschijnlijk verloren gegaan.  Veel nieuws heb ik niet, wij stellen het altijd even goed.  Dezen nacht is hier een franschen of engelschen bestuurbaren ballon te zien geweest en zoals ge reeds weet hebben wij reeds een duitschen zeppelin zien branden en vallen.  Een stuk van den motor welke door ons dak van het werkhuis gevallen is, houden wij in bewaring.  Den laatsten brief welke gij naar Hoofdplaat gezonden hebt heb ik nog niet ontvangen.  Vele complementen van allen en bijzonderlijk van Mathilde.  Uwe zusters Louise en Sidonie.

Het overlijden van Seraphin Capiteyn op 2 januari 1917 had voor het bedrijf geen negatieve gevolgen. Op de begrafenis van de ongehuwde en kinderloze suikeroom waren familieleden talrijk aanwezig. Toen na de koffietafel bleek dat enkel broer Benjamin aanspraak kon maken op de erfenis waren de tranen vlug opgedroogd.  Bijna 25 jaar eerder had Seraphin zijn voorzorgen genomen en op 27 maart 1893 bij de Gentse notaris Cyrille De Wilde een testament gedeponeerd waarin zijn broer Benjamin, of bij overlijden diens kinderen, als enige en algemene erfgenaam werden aangeduid. 37

foto 18

Dagblad Het Volk, 2 januari 1917

Na de Eerste Wereldoorlog bleef Benjamin Capiteyn met zijn dochters Louise en Sidonie in het grote woonhuis wonen.  Zoon Andreas en zijn gezin namen hun intrek in de poortwoning.   Het was deze zoon die de maalderij verder zette als éénmansbedrijf.  Broer Romaan was gesneuveld aan het Ijzerfront 38 en de oudste broer Georges koos voor een overheidsfunctie en werd “opzichter van bruggen en wegen”.

Op vrijdag 17 november 1922 werd de familie Capiteyn voor dag en dauw uit bed getrommeld.  Om 6u05 was bij de brandweer van Gent een telefoontje binnengelopen met de melding dat in “Malterie Montbaillu” brand was uitgebroken.  Toen de brandweer met “l’auto de 1e secour et le train d’accessoires” ter plaatse kwam, was reeds sprake van een uitslaande brand. 39

Gezien het risico dat de brand zou overslaan naar de poortwoning die tegen deze mouterij was aangebouwd, kregen Benjamins kleinkinderen Aimé, Mariette en Armand Capiteyn een grote wasmand in de handen gestopt die inderhaast werd gevuld met de meest waardevolle voorwerpen.  De hitte was zo intens dat op de zolder van het grote achterliggende woonhuis het stro, dat ter isolatie onder de dak-pannen was aangebracht begon te smeulen.  Met vereende krachten werd alles in het werk gesteld om het stro zo snel als mogelijk te verwijderen en met emmers het dakgebinte vochtig te houden. 40 Inspanningen die gelukkig niet tevergeefs bleken.

foto 19

SAG, Gazette van Gent, dd. 18 november 1922.

Benjamin Capiteyn overleed op 9 mei 1934, 89 jaar oud.  Zijn nalatenschap viel toe aan zijn drie resterende kinderen Capiteyn: Andreas, Georges en Louise. 41  Gezien de maalderij Andreas’ broodwinning was, kocht hij op 8 september 1934 zijn mede-erfgenamen uit en werd zo eigenaar van de maalderij, woonst en poortwoning. 42

Uit het huwelijk Capiteyn – De Backere werden vijf kinderen geboren.

Uit respect voor de privacy van de nog in leven zijnde leden van de familie Capiteyn worden ze in deze gepubliceerde familiegeschiedenis niet nader besproken.

1) CAPITEYN Georges Seraphin

Geboren te Sint-Amandsberg 1886.  Overleden 1935.  Huwde met Emilie Leurs

2) CAPITEYN Andreas

Geboren te Sint-Amandsberg 19 maart 1888.  Overleden te Sint-Amandsberg 29 maart 1982

Huwde met Malvina Maria Clyncke (°Maldegem 20/05/1890,+Sint-Amandsberg 1/11/1952). Hij was de overgrootvader van de auteur van deze genealogie.

3) CAPITEYN Louise Alphonsia

Geboren te Sint-Amandsberg 7 maart 1890.  Overleden te Gent 22 maart 1963.  Huwde met Jozef Timmermans.

4) CAPITEYN Sidonie

Geboren te Sint-Amandsberg 1892.  Overleden te Sint-Amandsberg 5 mei 1925.  Huwde met Leon Timmermans.

5) CAPITEYN Romaan

Geboren te Sint-Amandsberg 5 februari 1894.  Overleden te Ramskapelle 28 augustus 1915 (gesneuveld)  Werd bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog soldaat bij het 4de bataljon jagers te voet.  Werd gewond op 21 augustus 1915 te (Oud)-Stuivekenskerke, een wijk tussen Oostkerke en Diksmuide.  Overgebracht naar een ziekenhuis te Ramskapelle en er één week later op 28 augustus 1915, 21 jaar oud, overleden.  Begraven op het kerkhof van Eggewaartskapelle (Veurne).  Toen het militair deel van dit kerkhof werd opgeheven, herbegraven op het militair kerkhof te Steenkerke als nr. 305.



Notes:

  1. GO, bevolkingsregisters 1847-1867.
  2. Vader Eugenius Capiteyn, moeder Francisca Vermeire en de kinderen Jacobus (27 jaar), Alphons (23 jaar), Benjamin (21 jaar), Benedictus (19 jaar), Marie-Cathérina (16 jaar) en Heliodorus (14 jaar).
  3. GSA, archief technische diensten, nr. 852-860, kadastrale legger nr. 212, 9 volumes.  Komen voor het eerst voor als sectie A nr. 298s en 298t.
  4. Archief kadaster Gent, Relevé des actes publics et sous seing privé donnant lieu à des mutations dans les propriétés foncières, enregistrés au Bureau de Loochristy 1884.
  5. RAG, modern notariaat, depot Van Impe, archief Francies Leopold De Backere notaris te Gent, nr. 74 akte nr. 124 dd. 18/04/1883.
  6. Kadastraal gekend als sectie A 319c (woonhuis Capiteyn), A 321b (het recent gebouwde poorthuis), A 321c (de tuin), en A 316i (het magazijn met de molens).
  7. RAG, modern notariaat, depot Van Impe, archief Francies Leopold De Backere notaris te Gent, nr. 74 akte nr. 198 dd. 4/07/1883.
  8. Waarschijnlijk betreft het hier de warmtebron waarmee de cacaobonen en cichorei werd geroosterd.
  9. Op de site bevinden zich tot op heden twee kleine molenstenen met een diameter van 81 cm en een dikte van 11 cm die als een “trapje” zijn ingewerkt in de drempel van het “suikerijkot”.
  10. RAG, modern notariaat, depot Van Impe, archief Francies Leopold De Backere notaris te Gent, nr. 74 akte nr. 198 dd. 4/07/1883.
  11. RAG, Provinciaal archief Oost-Vlaanderen 1851-1870, nr. 1.560 stukken en correspondentie betreffende het uittesten van stoommachine jaar 1860.
  12. “‘t Is voor de bakker.  Industrialisatie van brood- en banketbakkerij”, tentoonstellingscatalogus, MIAT Gent 1986.
  13. KUIPER P.M. en SCHOOREL E.A., “Suiker-suikerwerk-, cacao- en chocolade-industrie”, PIE rapportenreeks nr. 2, uitgave Stichting Projectbureau Industrieel Erfgoed, Zeist 1994.
  14. In de vroegere paardenstal, waar nu de peperkollergang staat, is een kleine schouw aanwezig die mogelijks dienst deed om de rook van een kleine oven of stoof af te voeren.
  15. Kollergang: molentype waarbij twee verticale pletstenen (lopers) rond een as rollen over een liggende steen (ligger).  De stenen zijn cilindrisch en niet conisch waardoor ze tijdens het rollen naast druk ook wrijving veroorzaken.  Dit heeft als voordeel dat men een eindproduct met een zeer fijne korrelgrootte kan bekomen.
  16. Melkchocolade werd pas in 1875 “uitgevonden” door de Zwitser Daniel Peter.
  17. RAG, modern notariaat, depot Van Impe, archief Francies Leopold De Backere notaris te Gent, nr. 74 akte nr. 198 dd. 4 juli 1883
  18. VAN DER LINDEN Renaat, “Cikorei”, Uitgave van de Koninklijke Bond der Oostvlaamse Volkskundigen Gent, jaargang 1973, nr. XXXII.
  19. DAM D., “Cichoreibranderijen”, PIA rapportenreeks nr. 37, uitgave Stichting Projectbureau Industrieel Erfgoed, Zeist december 1999.
  20. In een inventaris van de site uit 1881 heeft men het over een “grooten trommel met bak beslegen in yzer dienende tot branden van suikery“.
  21. RAG, modern notariaat, depot Van Impe, archief Francies Leopold De Backere notaris te Gent, nr. 74 akte nr. 198 dd. 4/07/1883.
  22. DSA, archief Burgerlijke Stand, bevolkingsregisters 1870-1880, 1880-1890, 1890-1900, 1900-1910.
  23. DSA, archief gemeentebestuur Sint-Amandsberg, “Processen-verbaal zittingen Schepenkollegie 1872-1891” zitting 14 augustus 1886.
  24. Documentatiecentrum Oost-Oudburg, “Lijst der kiezers voor Senaat, Provincie, Kamer van Volksvertegen-woordigers en Gemeente.  Gemeente Sint-Amandsberg, geldig van 1 mei 1907 tot 30 april 1908.”
  25. Philomena De Backer was de dochter van Ferdinandus Jacobus De Backer (°Middelburg, België 24/03/1827, +Gent 14/05/1884) en Maria Antonia Blancke.  Haar vader was naast herbergier ook “agent van militiezaken”.
  26. Georges Seraphin (°Sint-Amandsberg 02/08/1886), Andreas (°Sint-Amandsberg 19/03/1888), Louise-Alphonsia (°Sint-Amandsberg 07/03/1890), Sidonie (°Sint-Amandsberg 1892), Romaan (°Sint-Amandsberg 5/02/1894).
  27. Kollergang: molentype waarbij twee verticale pletstenen (lopers) rond een as rollen over een liggende steen (ligger).  De stenen zijn cilindrisch en niet conisch waardoor ze tijdens het rollen naast druk ook wrijving veroorzaken.  Dit heeft als voordeel dat men een eindproduct met een zeer fijne korrelgrootte kan bekomen.
  28. Builmolen: is ondanks de naam geen molen, maar een grote cilindervormige zeef (= buil) ingewerkt in een houten kist.
  29. DSA, archief gemeentebestuur Sint-Amandsberg, “Processen-verbaal zittingen Schepenkollegie 1872-1891”,  zitting dd. 16/04/1891.
  30. Familie-archief Capiteyn.
  31. SAG, Dagblad Het Volk, rouwadvertentie Seraphin Capiteyn dd. 2/01/1917.
  32. Andreas Capiteyn was op 21/05/1913 in Maldegem gehuwd met Malvina Clyncke (°Maldegem 20/05/1890, +Sint-Amandsberg 1/11/1952).  Huwelijk waaruit op 9 augustus 1913 een zoon, Aimé Capiteyn werd geboren.
  33. VANDERSTRAETEN Frederik, “Luchtschip ontploft te Gent.  Een duidelijk staaltje van desinformatie” artikel in Heemkundige kring “De Oost-Oudburg vzw”, jaarboek XXXVI, 1999″.
  34. Familie-archief Capiteyn, kaart (juli ?) 1915 van Louise en Sidonie Capiteyn aan hun broer Romain.
  35. VANDERSTRAETEN Frederik, “Luchtschip ontploft te Gent.  Een duidelijk staaltje van desinformatie” artikel in Heemkundige kring “De Oost-Oudburg vzw”, jaarboek XXXVI, 1999″.
  36. Familie-archief Capiteyn, postkaart (uit 1915 maar niet gedateerd) van Louise en Sidonie Capiteyn aan hun broer Romaan Capiteyn.
  37. Archief administratie Registratie en Domeinen, Gent 5, erfenisaangiften 1917, nr. 102 dd. 23/07/1917.
  38. Romaan Capiteyn (°Sint-Amandsberg 05/02/1894, +Ramskapelle 28/08/1915).  Is tijdens de Eerste Wereld-oorlog soldaat bij het 4de bataljon jagers te voet.  Wordt gewond op 21 augustus 1915 te (Oud)-Stuivekens-kerke, een wijk tussen Oostkerke en Diksmuide.  Overgebracht naar een ziekenhuis te Ramskapelle en er één week later op 28 augustus 1915, 21 jaar oud, overleden.  Begraven op het kerkhof van Eggewaartskapelle (Veurne).  Toen het militair deel van dit kerkhof werd opgeheven, herbegraven op het militair kerkhof te Steenkerke als nr. 305.
  39. Archief Brandweer Gent, kazerne Rodenhuize, register nr. 8 “Incendies du 29/12/1921 au 21/06/1931”, blusrapport dd. 17/11/1922.
  40. Interview van Mariette Capiteyn dd. 28/02/2003.
  41. Archief administratie Registratie en Domeinen, Gent 5, erfenisaangiften 1934, nr. 292 dd. 21/09/1934.
  42. Studie notaris Blindeman Sint-Amandsberg, archief Joseph Claerhout notaris te Sint-Amandsberg, akte dd. 9/09/1934.