“Carreren” als bijverdienste

Uit alles blijkt dat binnen de brigade Nieuwpoort de sfeer goed was en men elkaar vertrouwde. Zelfs in die mate dat men samen in zaken ging door allerhande goederen te “carreren”. Dit was het recht dat douaniers hadden om ladingen, of delen ervan, aan te kopen tegen de door de eigenaar of handelaar aangegeven waarde. Verhoogd met 15 % als winstvergoeding voor de verkoper. Daar bovenop kwamen nog de aan de overheid verschuldigde invoerrechten. Eens alles betaald stond het de douaniers vervolgens vrij de goederen door te verkopen voor eigen rekening. De eventuele winst mochten ze houden. Aanvankelijk financierde het douanepersoneel een dergelijke operatie met eigen middelen. Na verloop van tijd mochten ze daarvoor beroep doen op de kas van de douane. In ruil voor deze kortlopende lening dienden men dan wel 1/3de van de gemaakte winst als rente te betalen.

Arnoldus wist in Nieuwpoort minimaal vijf keer met één of meerdere gardes overeenstemming te bereiken om de krachten te bundelen en geld samen te leggen voor de “carrage” van een lading. Het ging om zeer diverse zaken: “quincuaillerie” (= ijzerwaren) “et mercerie” (= garen en band) voor een waarde van 13 gulden, een kist “ouvrage de porcelaine venu de Dunckerque” aangegeven voor 70 gulden, “une partie ouvrage de terre simple (= gewoon aardewerk) venant d’Hollande par le batelier Jacques De Roo destiné pour Bixschote châtellenie d’Ipres” en voor 7 gulden “ouvrage de faïence répandu que Livin Lams avait déclaré venant d’Hollande”. 1

Het grootste risico nam Arnoldus in de nacht van 14 november 1757. ’s Morgens noteerden de douaniers in het kasregister: “ce matin carré de notre propre argent soixante douzaines de paires de bas de laine (= wollen kousen) valant six cens florins, quarante quatre pieces de mousseline valant sept cens florins et une pièce de damas de soie valant neuf florins que le nommé P. Joffroy a déclaré pour sortir en mer pour Dunkercque par une chaloupe de pêcheur . Dans cette carrage ont pris part le brigadier Capitaine, les gardes Vande Vyver et Vander Heyden. Cette affaire est arrivée pendant la nuit a deux heures du matin”.

Het betrof dus een transactie met een aangegeven waarde van 1.309 gulden. Verhoogd met de winstmarge van 15% voor de “onteigende” handelaar en de invoerrechten ging het om een bedrag van ca. 1.500 gulden. Het equivalent van ruim 6 jaar loon van een douanier.

Zich midden in de nacht “a l’improviste” voor zo een fors bedrag engageren wijst niet enkel op een groot onderling vertrouwen tussen de Nieuwpoortse douaniers, het illustreert ook dat ze de plaatselijke markt(prijzen) blijkbaar goed konden inschatten. Men investeert niet in 60 dozijn (dus 720) paar wollen kousen en 44 stukken mousseline als men niet zeker is die tegen een mooie prijs te kunnen doorverkopen. Al valt natuurlijk niet uit te sluiten dat de douaniers getipt waren hun recht op “carrage” uitoefenden als stromannen voor rekening van derden.

Nieuwpoort dd. 26/04/1755. Brigadier Capitaine en garde Delmare hebben samen “pour leurs propres compte” een kist met porselein gecarreerd met een aangegeven waarde van 70 gulden. Ze hebben ook 15% “onteigeningsvergoeding” betaald, aangevuld met de verschuldigde in- of uitvoerrechten.

 

Soms tussen wal en schip

Natuurlijk waren er in Nieuwpoort handelaars, vissers, passanten en schippers die terecht of onterecht vonden dat ze door het douanepersoneel onheus werden behandeld. De archieven bevatten echter geen klachten tegen gewone douaniers. Alle onvrede richtte zich tegen ontvanger Louis Loot.

Maart 1756 resulteerde dit in een resem klachten. Sommigen vonden hem overijverig, om niet te zeggen pietluttig. “Le receveur Loot ne laisse pas de faire tellement le difficile que plusieurs (schippers en handelaars) ont de l’horreur pour aller au bureau”. Anderen beschuldigden hem van corruptie. Ze beweerden geschenken in natura of steekpenningen te moeten geven eer ze iets gedaan kregen. Ook werd Loot verweten onder één hoedje te spelen met “commissionnaire” (= handelsagent) Anthone Meyne, en dat hij de schippers die beroep deden op deze handelsagent een voorkeursbehandeling gaf. 2 3

Alle klachten tegen Loot kwamen bij de fiscaal van de Raad van Vlaanderen terecht. Eind maart 1756 trok die persoonlijk naar Nieuwpoort om de zaak te onderzoeken. Op 29 maart 1756 was het de beurt aan brigadier “Arnoldus Cappiteyne” om, als enig personeelslid van de plaatselijke brigade, verhoord te worden. Onder eed verklaarde hij “waarachtig te wezen dat hij op de conduite van ontvanger Sieur Loot niet anders en weet te zeggen dan dat hij dikmaals wat difficiel is”. Arnoldus had horen zeggen dat Loot “op zondagen en heiligdagen aan viskopers refuseert” doorvoerbewijzen af te leveren “om hun vis te kunnen verzenden“. Wat eventuele corruptie betrof of het onder één hoedje spelen met handelsagent Meyne hield Arnoldus zich op de vlakte.

Hij onderstreepte dat hij zelf “nooit nagelaten heeft aanslagen te doen (= beslagnames) van blaartoebak of van andere goederen alhier arriverende als hij daar toe materie (= aanleiding) gehad heeft, t’zij (= ongeacht) dat de kooplieden bediend wierden door den commissionaris Meynne of door andere. Dat hij zulks nooit nagelaten heeft uit vrees van te desobligeren den ontvanger, noch en heeft hij geen aanslagen gedaan de welke hij zoude kunnen zeggen geweest te zijn tegen goeste van zelve ontvanger. Zegt voorts nooit ondervonden of bemerkt te hebben dat den zelf ontvanger enig geld of presenten zoude ontvangen hebben van kooplieden of van den commissionaris Meynne ten wat effecte het zoude mogen wezen”. 4

Op basis van een tiental tegenstrijdige getuigenverklaringen, inlichtingen vanwege het stadsbestuur van Nieuwpoort en het controleren van de kasboeken oordeelde de fiscaal dat naar zijn aanvoelen alles terug te brengen was tot “une haine de la part de deux ou trois marchants contre le receveur Loot apparent a cause qu’il est un peu rigoureux (= streng) et qu’il fait trop son devoir.Je vois bien que le receveur y est généralement haï (= gehaat) parce qu’il est extrêmement fier et hautain, mais il parait irréprochable dans son devoir”.

Waarschijnlijk had de fiscaal het bij het rechte eind en deed Loot zijn werk naar behoren. Niet alleen was één van de indieners van de klacht Joannes Boudeloot. Iemand die als gevolg van de eerder beschreven smokkelaffaire ondertussen zijn herberg in Lombardsijde had moeten verkopen. Uit de archieven blijkt bovendien dat Meyne geen voorkeursbehandeling kreeg, maar net zoals elke andere handelsagent werd behandeld. Zo hadden op 23 juli 1754 brigadier Arnoldus en zijn manschappen in een schip afkomstig van Duinkerke gesmokkeld textiel aangetroffen. Hun zaak tegen Antoine Meyne “facteur en commissionaris van Pieter Caron koopman tot Dunkerke”, de eigenaar van de lading, was op 16 september 1754 door de douanerechter beslecht. De “vier stukken katoen en drie stukken mosselyne bij zijne (= Meyne) declaratie verzwegen”, werden “in profijt van Zijne Majesteit geconfisqueerd“.

Arnoldus en zijn gardes hadden op meer gehoopt en volmondig gesteund door hun overste, ontvanger Loot, tekenden ze op 24 september 1754 beroep aan bij de “Supreme Caemer” in Brussel.

Ze waren van oordeel dat de rechtbank uit de scheepslading ook 711 ellen “gedrukt katoen”, 27 ellen “camelotte5 en 32 ellen “saey” in beslag had moeten nemen. Op die rollen stof had Meyne weliswaar invoerrechten betaald, maar volgens Arnoldus en co waren de stoffen van een hogere kwaliteit dan aangegeven. Gelet op de gangbare reglementen ging het om meer dan gewoon wat extra invoerrechten die men was misgelopen. Indien de kwantiteit van goederen “vals” was volgens de aangifte mocht het deel van de landing dat daar qua aantal of gewicht van afweek in beslag worden genomen. Indien een aangifte echter “vals” was voor wat betreft de kwaliteit van goederen, dan mocht de volledige lading in beslag worden genomen. Qua prijsgeld zou dit voor de douaniers een spectaculair verschil uitmaken. 6

 

Drankzucht ?

Sommige douaniers in Nieuwpoort hadden een zwaar alcoholprobleem, maar over Arnoldus werd in de archieven geen onvertogen woord teruggevonden. Integendeel. Uit de processen verbaal van door hem uitgevoerde controles komt hij naar voor als een evenwichtig man die zeker niet lichtzinnig optrad. In geen enkel proces voor de douanerechtbank werd hij ooit persoonlijk door een tegenpartij van onregelmatigheden beschuldigd.

Toen viel opeens de hemel op zijn hoofd. In mei 1758 werd voor de regie in Brussel een zoveelste personeelsrapport opgemaakt. Behalve Arnoldus’ gekende personalia: gehuwd, één kind, Frans en “Vlaemsch” sprekend, “fils d’employée” en “tailleur” van opleiding, bevatte het ook een vernietigend moraliteitsverslag over de ondertussen 40-jarige brigadier. “Homme de peu de génie, ne sachant lire et peine écrire, plus zélé pour la boisson que pour le service, d’une étroite liaison avec bateliers (= schippers) et marchands, ne convenant aucunement ici”. 7 Wie het rapport schreef is onbekend.

Het is mogelijk dat Arnoldus meer dronk dan goed voor hem was. Dat hij in het al bij al kleine havenstadje Nieuwpoort na vijf jaar dienst (te) nauw bevriend was met plaatselijke schippers en handelaars is even goed mogelijk. 8 Al dient vastgesteld dat noch Arnoldus, noch zijn echtgenote in al die jaren ooit werden gevraagd om als peter of meter van een dopeling op te treden.

Hem als een semi-analfabeet afschilderen was echter manifest fout. Van zijn hand bleven behalve verschillende processen verbaal, ook tientallen korte nota’s onderaan processtukken bewaard. Zowel in het Frans als in het Nederlands. Als brigadier was hij immers ook deurwaarder van de plaatselijke douanerechtbank en was het zijn taak om allerhande dagvaardingen en processtukken officieel aan gedaagden te betekenen en bij te houden aan wie hij wat had overhandigd.

Onder een proces verbaal schreef Arnoldus Capitaine in zijn functie van “huissier” van de douanerechtbank op 19 november 1754 dat hij het stuk had “geinsuert (= betekend) ten huysen van n Looes tot Lombaseyde quaert voor den thynen”.

 

Naar de Franse grens

Het negatieve rapport had tot gevolg dat Arnoldus kort na mei 1758 naar Poperinge werd overgeplaatst. Daar was in de loop van 1757 een extra brigade gestationeerd in een poging om de textielsmokkel vanuit Bailleul en Armentières het hoofd te bieden. Omgekeerd werd er vanuit Poperinge en omgeving vooral boter naar Frankrijk gesmokkeld.

Arnoldus zou al snel ervaren dat de werkomstandigheden in deze grensbrigade niet te vergelijken waren met het betrekkelijk rustige leven dat hij had gekend in de havens van Oostende en Nieuwpoort. Enkele maanden voor zijn overplaatsing was het in Poperinge trouwens zwaar fout gelopen.

Een rapport van januari 1758 verhaalt hoe “la brigade de Poperinghe s’étant embusqué le 28 xbre dernier (28/12/1757) dans les environs, elle y surprit pendant la nuit une troupe de fraudeurs qui se voyant découverte se mit en défense”. De smokkelaars waren vervolgens in de aanval gegaan en hadden de douanebrigade bestaande uit een brigadier en twee gardes omsingeld waardoor die geen kant meer op konden. Dit alles gebeurde onder het roepen van de kreet: “tue, tue”. De situatie was zo bedreigend geworden dat “le garde B. Robert s’est vu dans la nécessité de faire feu” waarbij er een gewonde viel die later overleed. Gevolg was dat garde Benoit Joseph Robert kort daarna voor zijn eigen veiligheid overplaatsing vroeg. De hoofdofficieren van het departement Ieper steunden dit verzoek want Robert “serait exposé journellement a la vengeance des parents du défunt ou de ces amis”. Bovendien was het volledige stadsbestuur van Poperinge “tellement animé en toutes occasion contre nos employés”, waardoor er van die zijde geen steun te verwachten viel voor de douaniers. 9 10

Drie weken later zag ook de andere garde van Poperinge het niet meer zitten. Op 20 januari 1758 ontving Brussel het verzoek van Piette Jacques Wilmé om overgeplaatst te worden naar één of andere stadspoort of in elk geval “a un poste plus tranquille”.  Om zijn verzoek te motiveren verwees hij naar zijn slechte gezondheid. Een argument dat de hoofdofficieren van Ieper verwonderde. Volgens hen was het gewoon zo dat “il n’a ni coeur, ni courages, mais qu’il est tres paresseux (= lui) et craint tellement de s’exposer les armes en mains qu’il n’ose sortir de chez lui et accompagner son brigadier qu’avec crainte et tremblant”. Wel gaven ze toe “qu’il a la fatalité d’avoir la vue si bornée (= beperkt zicht) qu’il ne peut discerner les objets, surtout pendant la nuit”. 11 Brussel negeerde het verzoek tot overplaatsing. Een slechtziende douanier op pad sturen gewapend met een geladen geweer vonden ze geen probleem.

12

Notes:

  1. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.739 correspondence avec le personnel du département de Nieuport 1756-1760 bevat ook tientallen stukken uit 1754 en 1755 waaronder de registratie van carrages op 19/04/1755, 26/04/1755, 18/06/1755, 3/05/1756 en 14/11/1757.
  2. RAB, oud archief Nieuwpoort, nr. 121 verzonden en ontvangen briefwisseling van de magistraat 1753-1756.
  3. RAB, oud archief Nieuwpoort, nr. 161 verzoekschriften door of aan de magistraat 1756-1763.
  4. RAG, Raad van Vlaanderen, nr. 30.808 correspondentie van de fiscael 1756.
  5. Camelotte: stof die in de middeleeuwen werd gemaakt van kameelhaar. In de 17de en de 18de eeuw uit een mengsel van kameelhaar, zijde en fluweel. In de 19de eeuw geweven van de haren van de angorageit.
  6. RAG, oud archief Nieuwpoort, nr. 2.465 proces voor de rechter van de Domeinen te Nieuwpoort.
  7. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.130 inspectieverslagen diverse douanedepartementen 1758-1762.
  8. Het inwonersaantal van Nieuwpoort toen Arnoldus Capitaine er douanier was is onbekend. We schatten het op minder dan 3.000 gelet op latere cijfers. (In 1799 – 1800 2.958 inwoners, in 1806 2.606 inwoners).
  9. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.891 correspondence avec le personnel du département de Ypres januari-oktober 1758, rapport dd. 1 januari 1758 van de hoofdofficieren aan Brussel.
  10. Pas op 1 mei 1758 gaf Brussel toestemming voor Roberts overplaatsing naar Waasten/Warneton. Gedurende de twee maanden die hieraan vooraf gingen was hij nauwelijks de deur durven uitgaan, laat staan dat hij controles had verricht.
  11. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.891 correspondence avec le personnel du département de Ypres januari-oktober 1758, rapport dd. 20 januari 1758 van de hoofdofficieren aan Brussel.
  12. versie 2018