De familie van Egmont en hun stadspaleis in Brussel

De geschiedenis van de familie van Egmont valt buiten het bestek van deze genealogische studie. Hetzelfde geldt voor het Egmont – Arenbergpaleis te Brussel. Wie zich daarover wenst te informeren leest best het boek van Walter D’Hoore, “Het Egmont – Arenbergpaleis te Brussel”, uitgegeven bij Lannoo in 1991.

Toch is wat achtergrondinformatie nuttig over de periode dat het gezin CapitaineTacqué in dienst was van de familie van Egmont en in de periode juni 1683 tot de zomer 1687 (waarschijnlijk) in hun Brusselse stadspaleis woonde.

Het Egmont – Arenbergpaleis te Brussel, toestand eind 18de eeuw.

Aan de Kleine Zavel in Brussel werd door Françoise van Luxemburg, weduwe van Jan graaf van Egmont, in 1532 een groot stuk grond gekocht waarop een nieuwe woning werd gebouwd, later gekend als het hotel van Luxemburg of het kleine hotel van Egmont. In de loop van de volgende jaren daarna kocht Françoise in de omgeving, namens haar zoon Lamoraal van Egmont, stelselmatig alle percelen en huizen op tot uiteindelijk de volledige Holstraat (een verbinding tussen de Heerenstraat en de stadswallen) eigendom was van de familie. Dit grote perceel grensde ook aan het kerkhof van Sint-Jacob-op-Koudenberg.

Na het opkopen van nog enkele percelen liet Lamoraal van Egmont het geheel in 1560 ommuren, liet alle constructies slopen, en bouwde naast de woonst van zijn moeder een nieuwe herenwoning in dezelfde stijl, voortaan gekend als het grote hotel van Egmont. Groot en klein hotel van Egmont werden in de eeuwen die volgden met elkaar verbonden door bijgebouwen.

Vanaf 1654 was Philips-Lodewijk (°ca 1623) de titelvoerende graaf van Egmont. Hij vervulde in dienst van de Spaanse koning belangrijke militaire en diplomatieke functies. Gestart als kolonel van een regiment Duitse cavalerie, werd hij later generaal van de ingehuurde vreemde ruiterij in Spaanse dienst. Hij was ook een tijdlang buitengewoon ambassadeur in Engeland.

Philips Lodewijk graaf van Egmont (°ca 1629, +Cagliari, Sardinië 16/03/1682). Gravure uit 1717 naar een schilderij van Anselmus van Hulle uit 1656. (Waarschijnlijk) was Arnout Capitaine minimaal sinds oktober 1678 bij de man in dienst.

Op 4 augustus 1659 huwde Philips-Lodewijk met Marie-Fernandine de Croy, hertogin van Havré. In hun huwelijkscontract werd een clausule opgenomen waardoor de twee hotels niet langer als private eigendom werden beschouwd, maar voortaan een onvervreemdbaar familiegoed vormden en als voorbehouden erfdeel steeds zouden toevallen aan de titelvoerende graaf van Egmont. Dit hield in dat tot in de eeuwigheid de oudste levende zoon, en bij ontstentenis hieraan de oudste zoon van de oudste dochter van de overleden graaf, de hotels zou erven. De regeling bewees welke grote waarde aan deze woningen in het geheel van de goederen van de Egmonts werd gehecht. Toch werden de Brusselse hotels de volgende decennia nauwelijks bewoond door de familie. Deze leefde voornamelijk op haar landgoederen in Noord-Frankrijk.

Of Arnout Capitaine, die zeker sinds oktober 1678 in Brussel woonde, toen reeds in dienst was van de familie van Egmont is tot op heden onbewezen, maar wel waarschijnlijk.

Philips-Lodewijk werd na zijn verdienstelijke loopbaan in 1679 aangesteld tot vicekoning van Sardinië. Hij stierf er te Cagliari op 16 maart 1682. Zijn oudste zoon, de 17-jarige Lodewijk-Ernest (°ca 1665), werd hierop graaf van Egmont. Hij was het die dooppeter werd van Maria Ludovica Capitaine (°Brussel 18/06/1683), het derde kind van Arnout Capitaine toen “valet de pied” van de graaf.

Op 3 augustus 1683 verhuurde Lodewijk-Ernest het hotel van Luxemburg (= het kleine hotel van Egmont) aan zijn neef Ferdinand de Croy en diens vrouw Marie-Joséphine de Halewin. Zelf nam hij zijn intrek in het grote hotel. Op 10 februari 1687 huwde hij met Maria-Theresia van Arenberg, de zuster van de hertog van Arenberg, en tevens de jonge weduwe van Otto Huni markies van Carette, Savonne en Grana, gouverneur van de Nederlanden. Een huwelijk dat waarschijnlijk extra werk voor Arnout Capitaine met zich mee bracht want hij was toen nog steeds “valet de pied au service de son éminence Monseigneur le Comte d’Egmont” (cfr. akte december 1686). Tussen mei en december 1687 werd Arnout Capitaine met zijn gezin door de graaf van Egmont naar Zottegem overgeplaatst waar hij als “grand veneur” aan de slag ging.

Na het overlijden van Lodewijk-Ernest op 30 september 1693, nauwelijks 28 jaar oud, bleef Maria-Theresia voor de tweede maal in haar leven als kinderloze weduwe achter. Een deel van haar douarie werd gevormd door het kleine hotel van Egmont waar ze tot aan haar dood in 1716 zou blijven wonen. Haar schoonbroer Procope-François van Egmont 1 werd na het overlijden van Lodewijk-Ernest de titelvoerende graaf en eigenaar van de beide herenwoningen.

In opdracht van de nieuwe graaf verhuurde Maria-Theresia van Arenberg op 9 oktober 1693 het grote hotel aan graaf Ferdinand van Wurtenberg. Met uitzondering echter van de grote toren die in gebruik bleef van de familie Egmont omdat daarin het familie-archief werd bewaard.

Op 13, 14 en 15 augustus 1695 werd Brussel beschoten door de troepen van de Franse koning Lodewijk XIV, maar de hotels van Egmont bleven gespaard.

Procope-François van Egmont verliet Brussel in 1705 en liet het beheer van alle familiebezittingen over aan zijn schoonzus Maria-Theresia van Arenberg. Hij overleed kinderloos op 15 september 1707 te Fraga in Catalonië. Bij gebrek aan rechtstreekse erfgenamen viel zijn nalatenschap toe aan neven. Gevolg was dat na verloop van tijd het grootste deel van het familiearchief van de ondertussen uitgestorven familie van Egmont verloren ging. Ook alle documenten over het interne reilen en zeilen binnen de Brusselse hotels van Egmont.

Notes:

  1. Procope Francois graaf van Egmont, prins van Gavere, markies van Renty en Longueville, hertog van Guelderen, Juliers en Berghes, ridder van het Gulden Vlies (°Brussel 18/09/1664 , +Fraga, Spanje 15/09/1707). Vanaf 1704 tot zijn overlijden was hij kapitein-generaal van de ruiterij van de Spaanse koning en tevens “brigadier” van de cavalerie van de Franse koning. Op 23/02/1706 werd hij ridder van het Gulden Vlies. Hij huwde te Parijs op 25/03/1697 met Louise de Cosnac (°1667/1668, +Parijs 14/04/1717). Volgens sommige bronnen was de naam van zijn vrouw Marie Ange de Cosnac. Het huwelijk bleef kinderloos.