De pastoor zegt “njet”

Wanneer juist en hoe Anthony de zwangere Maria Theresia liet vallen is onbekend, maar eind april 1717 had hij het bij de dorpspastoor in die mate verkorven dat deze weigerde hem de laatste sacramenten (biecht en Heilig Oliesel) te komen toedienen. Zelfs al lag Anthony (schijnbaar) op sterven. Alles werd in geuren en kleuren in een notariële akte vastgelegd.

Op 27 april 1717 noteerde notaris Joannes Baptiste Wilmars dat “Peeter Loopmans, ingezetenen binnen de heerlijkheid van Laer en commis van zijne Majesteits tollen op het Tolhuis1 op verzoek van “Juffrouwe Livina Capiteyn” zich op 26 april had gespoed naar “den Eerwaarde Heere Joannes Hooffmans, pastoor van Schelle, mits de heerlijkheid van Laer is een enclavement van Schelle en dienvolgens ook pastoor van het zelve”. Hij trof de pastoor thuis aan “tussen acht ende negen uren naar den noen” en verzocht hem of hij “zoude gelieven te komen ten huize van den Heer Capiteyns om te administreren (= bedienen, de laatste sacramenten geven) zijnen zone (Anthony) den welken in een gevaarlijke ziekte en gesteltenisse was gevallen”.

De pastoor had geantwoord met een vraag: “is de ziekte zo zwaar”? Loopmans diende het antwoord schuldig te blijven omdat “hij den zieken niet gezien en had”. “Waarop de Heer pastoor hem zeide dat hij naar huis zoude gaan en in cas den zieken zoude geerne Ons Heere ontvangen, dat hij (= Loopmans) zo aanstonds zoude wederom komen, het welk hij heeft gedaan en wederom gekomen zijnde geaccompanieerd (= vergezeld) met den Heere Thomas Adrianus Moreau, heer van Stalle etc, beneffens Egidius Brouwers, meier van Laer”. Een opmerkelijk zware delegatie om pastorale bijstand te vragen.

De pastoor had ondertussen de onderpastoor opgetrommeld en hem instructies gegeven om de boot af te houden. Thomas Moreau (die het woordvoerderschap van Loopmans overnam) was “gegaan ten huize van den Heere pastoor en aldaar zijnde heeft (hij) de Heere onderpastoor gesproken en aan hem gebeden dat den Heere pastoor zoude gelieve in propre persoon (= in eigen persoon) de biecht te komen horen van de voorzeide Heer Anthoin Capiteyns en hem gelieve te administreren de Heilige Sacramenten. Waarop de Heer onderpastoir geantwoord heeft dat het niet noodzakelijk en was dat de Heere pastoor zoude daar naar toe gaan maar dat hij (= de onderpastoor) (het) wel koste doen. Waarop den voorzeide Heere Moreau geinsisteerd heeft dat den pastoor moeste komen mits de voorzeide zieke verzochte zijne biecht aan den pastoor te spreken en aan niemand anders.2

Uitdrukkelijk werd in de getuigenverklaring opgenomen dat de pastoor “de voorschreven woorden” tussen de heer Moreau en de onderpastoor gewisseld, had gehoord “als staande bij de deur van den voorzeide pastoor” (weggestoken achter de deur?). Maar dat “niettegenstaande het insisteren van de voorzeide Heere (Moreau) den onderpastoor is gekomen met Ons Heere ende den Heer pastoor is thuis gebleven”.

Kortom, de pastoor had manifest geweigerd om een stap (zowel letterlijk als figuurlijk) in de richting van Anthony Capitaine te zetten. Het was de onderpastoor die de kastanjes uit het vuur diende te halen en Anthony’s ziel voor het hellevuur te behoeden.

De pastoor had waarschijnlijk terecht bedenkingen bij de ernst van Anthony’s ziekte. Op 26 april was Anthony ‘s avonds zogezegd stervende en wou hij dringend de laatste sacramenten ontvangen. Reeds de dag daarna legde Peter Loopmans bovenstaande getuigenis af, expliciet op “verzoek en requisitie van d’Heer Anthoin Capiteyns, rentmeester ende ontvanger der tollen der wijnen”. Een paar dagen later was Anthony bovendien fit genoeg om naar Brussel af te reizen waar hij op 13 mei 1717 samen met zijn vader voor een notaris verscheen. 3

De kans is dan ook groot dat Anthony’s ziekte voorgewend was. Bedoeld om via een soort noodbiecht de absolutie te krijgen van de pastoor zodat hij kon huwen. Maar niet met de zwangere Maria Theresia Quarteer.

 

Getrouwd met een ander, zonder pastoor

Misschien vergezocht, maar niet onmogelijk. Op 15 mei 1717, amper drie weken na zijn bijna sterfbed, begaf Anthony zich samen met de 21-jarige Theresia Clara Jacoba Moreau (°Ukkel 13/01/1696, +Brussel 25/07/1750) naar de kerk van Schelle om er hun huwelijk te laten inzegenen. Hoe, waar en wanneer ze elkaar hadden leren kennen is onbekend. Gezien de verordeningen van het concilie van Trente inhielden dat een huwelijk drie voorafgaande zondagen vanop de kansel diende te worden aangekondigd, is het duidelijk dat de aanmelding van de ondertrouw bij de pastoor samenviel met het incident rond het “Laatste Sacrament” tussen Anthony en de pastoor.

Tot een huwelijk kwam het de 15de mei niet, of toch niet onmiddellijk. Toen de pastoor ‘s ochtends tussen 9 en 10 uur Anthony en Theresia vergezeld van een aantal familieleden in de sacristie zag opduiken, stormde hij roepend de kerk uit. Na aanvankelijk te zijn afgedropen, keerden de families Capitaine en Moreau later op de dag naar de kerk terug waar ondertussen een requiemmis bezig was. Schrik voor hun zielenheil was Anthony en Theresia duidelijk vreemd want na de communie stonden ze recht, namen elkaar bij de hand, stapten naar voor en spraken voor het altaar luid en duidelijk ten opzichte van elkaar en de aanwezigen de klassieke huwelijksgelofte uit. Kortom, ze huwden zichzelf zonder dat de pastoor er aan te pas kwam. Het allereerste burgerlijk huwelijk in onze gewesten?

De gebeurtenis werd vier dagen later, op verzoek van Anthony Capitaine en Theresia Moreau, in een akte door notaris Joannes Baptiste Wilmars uitvoerig beschreven. Een document dat leest als een artikel uit een hedendaags schandaalblad.

Op 19 mei 1717 verklaarden Adriaen van Boven, Peeter Bogaerts en Martinus Vereecken “present geweest te hebben den vijftiensten dezer in de prochiale kerke van de voorzeide prochie van Schelle tussen den negen a tien uren smorgens, als wanneer den voorzeide Heer Capiteyn met de voorgenoemde Juffrouwe (Moreau) zijn gaan vinden den Eerwaarde Heere Joannes Hoffmans, 4 pastoor van Schelle voorschreven en dat in de sacristije om aldaar in onze presentie in te gaan den huwelijken staat. Het welk den pastoor horende is (deze) instantelijk weggelopen roepende: Ick en hoor het niet, ick en hoor het niet. Hetwelk geschiet zijnde zo zijn wij comparanten met den voorzeide heer Capiteyn, zijnen vader, de voorzeide Theresia Moreau, hare moeder en haren broeder 5 uit de kerke gegaan. In de welke wij comparanten met alle den voorgenoemde zijn kort daarnaar wedergekeerd en hebben gevonden de voorgenoemden Heer pastoor aan den autaar (= altaar) bezich zijnde met het celebreren van een misse van requiem. En naar de communie zo hebben wij voorschreven comparanten distinktelijk gehoord als dat den voorzeide Heer Anthony Capiteyns heeft gepronuntieerd (= uitgesproken) deze woorden: Ick Anthony Capiteyns neme Theresia Moreau, die ick hier met de handt hebbe voor myne wettigen vrouwe ende dat voor Godt ende alle syne Heylighen. Waarnaar de voorzeide Theresia Moreau ook prononceerde deze woorden: Ick Theresia Moreau neme Anthony Capiteyns, die ick hier met de handt hebbe, voor mynen wettigen man ende dat voor Godt ende alle Heylighen. Welke woorden van voorzeide Juffvrouwe Moreau den bovengezeide eersten comparant Adriaen van Boven niet wel verstaan hebbende heeft gevraagd aan de voorzeide Juffrouwe wat dat zij daar zeide, waarop zij instantelijk heeft gerepeteerd (= herhaald) deze woorden: Ick Theresia Moreau neme Anthony Capiteyns, die ick hier met de handt hebbe, voor mynen wettigen man ende dat voor Godt ende alle syne Heylighen”. 6

De notaris had hun verklaring na het uitschrijven nog eens voorgelezen waarna hij de getuigen vroeg of zij “bereed waren allen het gene voorschreven is te bevestigen bij eed, dewelke mij (notaris) imparelijk hebben geantwoord: Jae”.

Gezien de aanwezigheid van vader Capitaine en de moeder en broer van de bruid tijdens de “plechtigheid” in de kerk, gebeurde alles met instemming van de twee families. De uitgesproken huwelijksgelofte had door het manifest ontbreken van een priesterlijke zegen, voor de Kerk natuurlijk geen enkele waarde. Van een echt huwelijk was dan ook geen sprake. Het was dus logisch, en vanuit kerkrechtelijk oogpunt terecht, dat de pastoor in het huwelijksregister van de parochie niets noteerde over de door Capitaine – Moreau aangegane verbintenis. Indien de notariële akte niet bewaard was gebleven was over dit “huwelijk” nooit iets vernomen.

De reactie van de pastoor staat jammer genoeg niets in de akte. De kans is groot dat hij tijdens het uitspreken van de huwelijksgeloften gewoon aan de grond genageld stond. Verbijsterd over de nooit geziene onbeschaamdheid. Bekomen van de emotie zal hij het bisdom op de hoogte hebben gebracht, waar men blijkbaar niet van plan was om de zaak blauw-blauw te laten. 7 Reeds op 28 mei 1717 was Anthony vanuit Brussel genoodzaakt om advocaat Borremans “postulerende in de geestelijke hove binnen de stad Antwerpe” volmacht te geven om hem te verdedigen voor de kerkelijke rechtbank van het bisdom Antwerpen. 8 Een proces werd niet teruggevonden. 9

Op het ogenblik van het schandaal-“huwelijk” was Anthony’s vorige verovering, Maria Theresia Quarteer, ca. 4 maanden zwanger. Dat haar vader zijn borgstelling uit 1716 introk is evident. In één moeite door diende notaris Quarteer tevens een eis in tot terugbetaling van de 450 gulden die hij eerder voor Anthony had “betaald en geadvanceerd”. Natuurlijk aangevuld met de sinds februari 1716 verschuldigde intresten. 10

Anthony had dit verwacht, en voorzorgen genomen. Reeds op 8 maart 1717, ruim twee maanden voor zijn huwelijk met Theresia Moreau, had zijn toekomstige schoonmoeder zich voor hem “borg principaal” gesteld. Geld vormde schijnbaar geen probleem want Anthony’s bruid kwam uit een vooraanstaande familie. Enerzijds was ze de dochter van wijlen Franciscus Desideratus Moreau, een licentiaat in de rechten en “schepenen van het Hoochricht (= hooggerechtshof) van de stad ende hertochdomme van Limbourch”. 11 Anderzijds was haar moeder de adellijke Philippine Clara Ferdinanda Reynbouts “vrouwe van Stalle”, met adelbrieven die stamden uit de tijd van keizer Karel V.

Als onderpand voor de borgstelling vermeldde weduwe Reynbouts 12 de binnen Ukkel gelegen heerlijkheid Stalle, Neerstalle en Overhem, met achterlenen binnen Linkebeek, Huizingen, Dworp, Sint-Pieters-Leeuw, enz. Ook inbegrepen bij de borg was het familiaal “speelhuis daarinnen staande ende twintig bunderen land daar aan gelegen”. 13 Weduwe Reynbouts behield zich het recht voor om de onderpanden door andere te vervangen, iets wat ook gebeurde.

Toen Quarteers borgstelling op 19 mei 1717 effectief door deze van schoonmoeder Reynbouts werd vervangen (maar natuurlijk niet met terugwerkende kracht), werden de bezittingen in Ukkel niet meer vermeld. Als onderpand had men het over: 14

– “een pachthof gelegen onder Beckevort, land van Zichem, groot dertien bunderen een dagwant

– “een rente tot laste van de voorschreven heren Staten van Brabant int kwartier van Loven staande te boek G;B; Litt. 1e no 500, renderende jaarlijks twintig gulden

– “een rente op dezelve Staten staande te boek G;B; Litt. 1e no 576, renderende jaarlijks zes gulden vijftien stuivers

– “een rente G;B; Litt. 2e no 1697, renderende jaarlijks drij honderd zevenentwintig gulden negen stuivers en negen deniers”. 15

Wapenschild familie Reynbouts en handtekening Philippine Clara Reynbouts, vrouwe van Stalle (dd. 19/05/1717).

 

Ontslag wegens “abuisen

De wittebroodsweken van Theresia Moreau waren van korte duur. Snel werd duidelijk dat haar echtgenoot uit zijn ambt dreigde te worden gezet en dus zonder inkomen te vallen.

Toen notaris Quarteer zich realiseerde dat Anthony zijn bezwangerde dochter in de steek liet, had hij niet alleen zijn borgstelling ingetrokken en het geld dat hij had voorgeschoten teruggeëist. Hij had de Staten van Brabant ook gemeld dat hun ontvanger vaak afwezig was en zijn werk door anderen liet uitvoeren. Quarteers beschuldiging dat het innen van de wijntol daardoor niet optimaal gebeurde, en de overheid dus inkomsten misliep, viel niet in dovemansoren. Op 16 april 1717 (vier weken voor Anthony’s huwelijk) werd door de Staten “goed bevonden t’ordonneren aan den collecteur van het recht van de 24 stuivers op iedere aam wijn komende in Brabant ontvangen op het tolhuis, van zijn vaste residentie te houden ten comptoire op het tolhuis (in Schelle), ende persoonlijk te doen de devoiren” (= taken) die nodig waren voor de uitoefening van het ambt. Dit “op peene (= straf) van suspentie van zijne commissie”.

Gelet op de onzekerheid over de correctheid van Anthony’s kasboeken vonden de Staten het ook raadzaam dat “rentmeester Vanden Werve voor het einde van deze lopende maand april zal gaan visiteren het comptoir en in zijne rentmeester handen zal doen overleveren alle de boeken van de zelven collecteur (= Anthony) rakende zijnen ontfanck ‘t sedert 1 december 1714 tot ultima december 1716, om de zelve boeken te doen confronteren met de gene van de collecteurs van d’imposte op de wijnen binnen de steden van Leuven, Brussel en Lier”. 16

Vader en zoon Capitaine, die de voorbije vier jaren samen de wijntol hadden geïnd, wisten natuurlijk dat het onderzoek van de kasboeken één en ander aan het licht zou brengen. Zaken die mogelijk tot Anthony’s ontslag zouden leiden. Waarschijnlijk was dit voor vader Arnout, ondertussen bijna 65 jaar oud, de aanleiding tot een opmerkelijk initiatief. Op 13 mei 1717, twee dagen voor Anthony’s huwelijk, vroeg hij de Raad van Financiën om zijn ambt van tolontvanger (dat afhing van de centrale regering, niet van de Staten van Brabant) te mogen overdragen aan zijn zoon. In afwachting van de goedkeuring droeg hij via een notariële akte “a son fils tous et quelconques deniers, droits et émoluments provenant et a provenir de la dite recette” over. Anthony ging met de overeenkomst akkoord maar omdat zijn handtekening er wat beverig uit zag vond de notaris het raadzaam om in de marge te noteren dat “la signature d’Anthoin Capitaine (was) faite de la main gauche pour être incommodé et ne savoir écrire présentement de la droite”. 17

De overdracht van het ambt tussen vader en zoon ging uiteindelijk niet door. Daarvoor had Anthony zich teveel in nesten gewerkt. Nadat rentmeester Vanden Werve verslag had uitgebracht aan de Staten van Brabant, viel in hun vergadering van 30 juli 1717 het verdikt. Gezien “d’abuisen de welke bevonden zijn in de manuele boeken van de collecteur (Anthony) Capiteyn, ordonneren (de Staten) hun rentmeester Caerel Vanden Werve aan hun te proposseren van een anderen nutten en getrouwen persoon den welke bij promissie zoude kunnen worden gecommitteerd om in de plaatse en gedurende d’absentie van de collecteur” de wijntol te innen. 18 Anthony had kunnen aanvoeren dat hij aanvankelijk louter een stroman was geweest en de “abuisen” de schuld van zijn vader waren, maar een echt excuus was dat niet.

Parallel aan het administratief onderzoek had notaris Quarteer het nodige gedaan om Anthony volledig uit te schakelen door de Raad van Financiën te vragen Anthony uit zijn ambt te ontslaan. Ver hoefde men niet te zoeken naar een nieuwe ontvanger want Quarteer vroeg het ambt aan hem toe te wijzen als vorm van schadeloosstelling voor de sommen die hij als borgsteller reeds had moeten neertellen. Hij stuurde zijn rekwest echter niet zomaar naar Brussel, maar liet het aan de raadspensionaris van Brabant toezenden via de bisschop van Antwerpen, Peter Josef de Francken-Sierstorpff, die het verzoek volmondig steunde.

Peter Josef de Francken-Sierstorpff, bisschop van Antwerpen (1707-1727)

 

In een begeleidend briefje (dd. 3 september 1717) schreef de bisschop: “je le fai autant plus volontiers puisque sa (= Quarteers) demande me paraît assez bien fondée et que d’ailleurs Antoine Capitaine pour le quel il a donné caution et avancé de l’argent, a trompé aussi sa fille, en sorte que ce bons homme soufre non seulement en sa bourse, mais outre cela encore en honneur et réputation”. 19

Een week later was alles geregeld. Op 10 september 1717 werd “mits d’absentie van Lieven Anth. Capityn, 20 (door de Staten van Brabant) gecommitteerd ende geauthoriseerd notaris Peter Quarteer om op het comptoir van het tolhuis te ontvangen het recht van de 24ste stuiver op ieder aam wijn komende in Brabant”.

Behalve dat Quarteer voor zijn ambt een borgsom diende te storten bleef hij verplicht “alle t’gene den voornoemden collecteur Capiteyn (voor den welke hij Quarteer zich heeft borg gesteld) ten zelven comptoir is schuldig gebleven” aan te zuiveren. 21 Dat bedrag tikte na een controle van Anthony’s kasboeken aardig aan. Eind 1717 was Quarteer verplicht “40 ponden 6 schellingen 6 penningen Arthois” aan te zuiveren “over verscheide erreuren begaan bij de gewezen collecteur A. Capityn in de jaren 1716 en 1717 en niet verantwoord volgens de declaratie en notitie van den collecteur der wijnen binnen Brussel N. De Mol”. Een jaar later diende Quarteer bijkomend “35 ponden 5 schellingen Arthois, zijnde het emport van enige erreuren begaan bij de gewezen collecteur A. Capityn in de jaren 1715 en 1716” bij te passen. 22

Briefje dd. 3 september 1717 van de bisschop van Antwerpen ter ondersteuning van het verzoek van notaris Quarteer van Schelle aan de Raad van Brabant om Anthony Capitaine te ontslaan.

 

De bisschop van Antwerpen was zeer tevreden over Anthony’s ontslag en de toewijzing van het ambt aan Quarteer. Hij stuurde dan ook een hartelijk bedankingsbriefje naar Brussel: “La grâce faite au notaire Quarteer par Messieurs les députés mérites un remerciement de ma part (…) et un Deo Gratias de mon côte pour l’un et l’autre”. 23

24

Notes:

  1. Peeter Loopmans was niet enkel een personeelslid op het tolhuis, er waren ook nauwe banden met de familie Capitaine. Twee kinderen uit Loopmans huwelijk met Maria Verelst hadden Livinus Anthony Capitaine als dooppeter: Catharina (°Schelle 5/03/1714) en Antonius (°Schelle 11/03/1715).
  2. RAA, oud gemeentearchief Schelle, nr. 63 losse schepenakten 1640-1795, akte nr. 201, dd. 27/04/1717.
  3. RAAnd, oud notariaat, archief Nicolas Philippe De Cuyper notaris te Brussel, nr. 3.169 minuten 1717-1718, akte dd. 13/05/1717.
  4. Joannes Baptista Hooftmans, (°Rozendaal) was vanaf 1714 tot zijn overlijden in 1732 pastoor van Schelle.
  5. Het gaat om Thomas Adriaan Moreau, heer van Stalle, die drie weken eerder de pastoor van Schelle had verzocht om Anthony Capitaine (zijn toekomstige schoonbroer) de laatste sacramenten te komen toedienen.
  6. RAA, oud gemeentearchief Schelle, nr. 63 losse schepenakten 1640-1795, akte nr. 202, dd. 19/05/1717.
  7. Dhr. Jos Van den Nieuwenhuizen, archivaris van het archief van het bisdom Antwerpen, meldde ons dat eind 18e eeuw over elke parochie mappen werden aangelegd. De map van Schelle die 25 nrs. telt, bevat geen stukken van pastoor Hooftmans.
  8. RAAnd, oud notariaat, archief Nicolas Philippe De Cuyper notaris te Brussel, nr. 3.169 minuten 1717-1718, akte dd. 28/05/1717.
  9. De processen voor de kerkelijke rechtbank Antwerpen werden geïndexeerd door pastoor Jozef De Brouwer in het kader van zijn boek “De kerkelijke rechtspraak en haar evolutie in de bisdommen Antwerpen, Gent en Mechelen tussen 1570 en 1795”, Tielt, 1971-1972, 2 dln. In de index komen Hooftmans of Capitaine niet voor. Via de inventaris op de processen werd niets gevonden. Correspondentie van de Antwerpse bisschoppen bleef niet bewaard, wel de “Acta episcopatus” (= beslissingen). Via de indices werd geen zaak Capitaine gevonden.
  10. RAA, oud gemeentearchief Schelle, nr. 101, dossiers van proceszaken 1595 – 1795, losse akte waarop het jaartal “1717” in de marge staat bijgeschreven.
  11. Franciscus Desideratus Moreau (°Limbourg 7/07/1667, +Limbourg 29/09/1714) stamde af van burgemeesters en schepenen van Herve en Limbourg. Dank zij de websites http://www.acomeliau.net/WELCOME.htm, http://www.bartydeux.be/ en http://perso.infonie.be/sdcsdc/index.htm konden we voor de familietak Moreau onze voorouders terugvoeren tot Winand de Herve, ca. 1330 geboren en maarschalk van Limburg.
  12. Philippine Clara Ferdinanda Reynbouts (+Brussel parochie Sint-Michiel en Sint-Goedele 18/11/1733) was een afstammeling van keizerlijk hofapotheker Sebastiaen Reynbouts die door keizer Karel V op 12 november 1547 te Augsburg in de adelstand was verheven. Als speciale gunst mocht hij de keizerlijke rijksadelaar in zijn wapenschild opnemen. Zijn grootvader Danckaert Reynbouts is tot op heden de oudste bewezen voorouder in deze familietak. De man was in 1491 ontvanger-fiscaal van Brussel en van 1494 tot 1506 was hij er schepen.
  13. RAAnd, oud notariaat, archief Nicolas Philippe De Cuyper notaris te Brussel, nr. 3.169 minuten 1717-1718, akte dd. 8/03/1717.
  14. RAA, oud gemeentearchief Schelle, nr. 63 losse schepenakten 1640-1795, akte nr. 203 dd. 19/05/1717.
  15. Een jaarlijkse intrest uit overheidsrenten van ruim 350 gulden wijst op een kapitaal van meer dan 7.000 gulden.
  16. RAAnd, Staten van Brabant registers, nr. 37 resoluties van 1717, zitting 16/04/1717.
  17. RAAnd, oud notariaat, archief Nicolas Philippe De Cuyper notaris te Brussel, nr. 3.169 minuten 1717-1718, akte dd. 13/05/1717.
  18. RAAnd, Staten van Brabant registers, nr. 37 resoluties van 1717, zitting 30/06/1717.
  19. RAAnd, Staten van Brabant supplement, nr. 85/5 brieven gericht aan de raadspensionaris van Brabant 1717, brief geschreven te Antwerpen dd. 3 september 1717 door de bisschop van Antwerpen.
  20. Anthony had inderdaad kort na zijn huwelijk Schelle verlaten voor Brussel waar zijn schoonfamilie woonde.
  21. RAAnd, Staten van Brabant registers, nr. 37 resoluties van 1717, zitting 10/09/1717.
  22. RAAnd, Staten van Brabant registers, nr. 3.044 – 3.045 heffing 24ste stuiver per aam wijn in het kwartier Antwerpen rekening rentmeester Carel Van Werve 1/12/1716-30/11/1717 en 1/12/1717-30/11/1718.
  23. RAAnd, Staten van Brabant supplement, nr. 85/5 brieven gericht aan de raadspensionaris van Brabant 1717, brief geschreven te Heist-op-den-Berg dd. 16 september 1717 door de bisschop van Antwerpen.
  24. versie 2018