Een bodemloze put, maar hoe gegraven ?

Alle gegevens samengevoegd dient vastgesteld dat het echtpaar Capitaine – Moreau de eerste vier jaren van hun huwelijk minstens 7.000 gulden in handen kreeg via bruidsschat, erfenissen, verkoop van erfelijke renten en bossen. Daar bovenop had Anthony ook enige tijd een inkomen genoten als ontvanger te Merchtem. Toch zat het gezin aanvang 1722 financieel aan de grond en was er alleen al aan herbergier Timmermans een uitstaande schuld van ruim 800 gulden. Hoe kwam dit?

Het is onmiskenbaar dat Anthony’s schoonouders hun bezittingen met onrealistisch zware hypotheken hadden belast. Wat ze hun kinderen nalieten was dan ook waardeloos. Het is echter niet correct om alle schuld op de schoonouders af te schuiven. De goederen die suikertante Reynbouts aan de kinderen Moreau had geschonken/nagelaten waren vrij van schulden en hypotheken. Aanvankelijk bleef alles in onverdeeldheid, maar minstens vier kinderen Moreau gingen binnen de kortste keren leningen aan met hun erfdeel als onderpand. Geen van hen kon ooit een lening aflossen, en ook het betalen van de jaarlijkse intrest bleek een probleem. In de periode 1720 – 1722 werd dan ook vanuit meerdere hoeken bewarend beslag gelegd op de geërfde goederen. 1 Niemand van de familie Moreau wist wat sparen was.

Anthony en Theresia Moreau waren in hetzelfde bedje ziek, maar aan wat ze hun geld concreet uitgaven is een raadsel. Het werd niet veilig belegd in bezette (overheids)renten of geïnvesteerd in onroerend goed. Het werd niet gebruikt om aan derden uit te lenen in ruil voor een lucratieve intrest. Het werd niet gebruikt voor het kopen of pachten van een winstgevend ambt. Evenmin om één of andere nijverheid of bedrijf op te starten. Er werden geen onzinnige luxeproducten zoals juwelen, renpaarden, wandtapijten, duur meubilair, etc. aangeschaft want op geen enkel ogenblik werd iets van die aard in beslag genomen of verkocht om geld te recupereren. Er zijn geen indicaties dat ze onvoorzichtig hadden ingetekend op speculatieve projecten van compagnies en vennootschappen die achteraf zeepbellen bleken. 2 Evenmin zijn er aanwijzingen dat ze zich borg hadden getekend voor iemand uit hun omgeving en daardoor buiten hun wil in een financieel debacle werden meegesleurd. Niets doet vermoeden dat ze (schoon)moeder Reynbouts hielpen bij de betaling van haar schulden of dat ze haar financieel ondersteunden. Evenmin gebruikte Anthony het geld om zijn vader bij te staan bij het aflossen van diens schulden die het gevolg waren van de diefstal op het tolhuis jaren eerder.

Tot bewijs van het tegendeel wijst alles er op dat ze lichtzinnig het geld gewoon “opleefden” aan een verschroeiend tempo, zonder aan de dag van morgen te denken.

 

Een jaar op drift ?

Hoe Anthony de eerste maanden na zijn ontslag (voor oktober 1721) als ontvanger te Merchtem de kost verdiende is onbekend. Een veel later (in 1737) opgemaakt personeelsrapport stelt dat hij een tijdje in Vlaanderen actief was. 3 In welke functie en waar?

Het is weinig waarschijnlijk dat deze informatie klopt. Anthony’s handtekening prijkt op tientallen akten opgemaakt door Brusselse notarissen waardoor zeker is dat hij in 1722 zeer frequent in Brussel verbleef. Ook voor de doop van neefje Joannes Franciscus Josephus Moreau op 29 oktober 1722 was hij in Brussel, want aanwezig als plaatsvervangend dooppeter.

Brussel, parochie Sint-Michiel en Sint-Goedele. Doopakte dd. 29/10/1722 van Joannes Franciscus Josephus Moreau.  Antonius Capitaine is plaatsvervangend dooppeter voor Joannis Francisci Vande Laer.

 

Dat schoonbroer Thomas Adrianus Moreau, de vader van het kind, toen (en later) nog steeds de titel “Toparche de Stalle” (= heer van Stalle) gebruikte zegt veel over Anthony’s schoonfamilie. Die titel was enkele jaren eerder bij de gedwongen openbare verkoop van de heerlijkheid Stalle immers verloren gegaan. Even veelzeggend over de schoonfamilie is dat schoonbroer Thomas Moreau, een licentiaat in de rechten en advocaat bij de Raad van Brabant, op 5 mei 1725 niet aanwezig was op een familieraad in Brussel “omdat hy fugitief is over saecken den voorschreven Souverynen Raede (= de Raad van Brabant) bekent. (Zijn mening was) onmooghelyck te bekoomen om dat de plaetse van syne onthoudinghe onbekent is”. 4

5

 

Notes:

  1. RABW, Schepengriffies van Vlaams Brabant, Hoofdbank van Sint-Martens en Sint-Kwintens-Lennick, nr. 4.677 beslagleggingen.
  2. SLECHTE C. H., “Een noodlottig jaar voor veel zotte en wijze. De Rotterdamse windhandel van 1720.”, ’s Gravenhage 1982. Geeft een beeld hoe ca. 1720 in Frankrijk, Engeland en de Nederlanden tal van “compagnies” werden opgericht die door middel van vlot verhandelbare aandelen en obligaties kapitaal verzamelden om zonder veel kennis van zaken, soms zelfs louter speculatief of ronduit frauduleus, te investeren in het opkopen van staatsschulden, in slavenhandel, in walvisvangst, in scheepsverzekeringen, inpolderingen, mijnbouw, enz.
  3. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.859 correspondance du conseil avec le département Turnhout 1734 – 1737, rapport dd. 2/05/1737 over de loopbaan van het personeel van het douanedepartement
  4. RAAnd, Raad van Brabant secretariaten, nr. 2.666, gezegelde brieven Tombelle 1725 + 1726.
  5. versie 2018