Egide Bauwens, een slechte betaler

Anthony had het al decennia moeilijk maar in de zomer van 1746 was de toestand extra problematisch als gevolg van onbetaalde rekeningen ten laste van zijn werkgever Egide Bauwens.

Nadat hij via Mechelen uit Breda naar Brussel was teruggekeerd, was Anthony bij Bauwens’ advocaat en gevolmachtigde gaan aankloppen in de hoop op betaling. Hij was door advocaat Clentinckx afgescheept die vervolgens contact opnam met Bauwens die ergens te velde verbleef om hem (juli ? 1746) “te informeren over de staat van rekening van sieur Capitaine aan ons ter hand gesteld”.

Clentinckx verzocht Bauwens “op het spoedigste de zelve rekening te doen overzien, en ons antwoord te schrijven, of zijn (= Anthony’s) ontfank adequaet is of niet, mitsgaders ons instructie te zenden om te contradiceren (= tegen te spreken) zijnen uitgeeft in zo verre den zelve zoude contradictie medebrengen”. Hoewel “het zaken zijn die van onze kennis niet en zijn”, formuleerde de advocaat toch al een aantal kritische bedenkingen. “Daar zijn differente posten in zijnen uitgeeft die zekerlijk niet aangenomen sullen worden, bezonderlijk een paard verkocht aan Vander Vinnen voor de somme van zestig guldens en meer andere van verteer, giften door hem gedaan, als andersints, ten ware zulks door U Edele orders gedaan had geweest”. De advocaat was van plan geweest om “Capiteyn naar d’armé (te) willen zenden om bij U Edele zijne rekening te doen, maar hij zegt geen geld te hebben tot het doen der zelve reize, en (slechts) indien wij hem ene merkelijke som geld wilde ter hand stellen hij alsdan t’uwen koste zoude overkomen”. 1

Nakijken van rekeningen, laat staan het terugbetalen van eventueel door Anthony voorgefinancierde uitgaven, was voor Bauwens op dat moment geen prioriteit. De oorlog was nog in volle gang en Bauwens was van Breda via Maastricht bij een keizerlijk legerkorps in Namen terecht gekomen.

Bauwens’ echtgenote Elisabeth Wauters, die gedurende de oorlog in Brussel verbleef, reisde op 3 september 1746 naar Namen voor dringend overleg met haar man. De toestand groeide haar immers boven het hoofd want haar deur werd platgelopen door schuldeisers, waaronder Anthony die zelfs al een gerechtelijke procedure had opgestart. Bij aankomst in Namen stelde Elisabeth vast dat haar man naar Luik was vertrokken. Terug in Brussel schreef ze op 4 september 1746 aan haar man: “ik heb alhier wederom grote ruze aan de hand, principalijk sieur Holek die wilt absoluut betaald zijn, sieur Notte van gelijken. Van Capityn ben ook gedaagd, als ook sieur Boulanger (die) heeft mij ook doen dagen“. “Sieur Wils zijne pretense (= vordering) die komt ook op 1.200 guldens te belopen en (hij) dreigt mij van mij doen te dagen”. Blijkbaar wisten de schuldeisers van haar reis naar Namen en was iedereen van mening “als dat ik van u geld mede gebrocht heb”. Dit was niet het geval, vandaar haar noodkreet: “dat ik u verzoek van mij instantelijk geld te zenden, anders kan hier niet blijven”. 2 Ze dacht er aan om alles in Brussel te “abandonneren” en openbaar te laten verkopen.

Op 6 september 1746 liet advocaat Joannes Henricus Rasch bij de griffier van de Brusselse schepenbank noteren dat hij door “Anthoon Capitaine” gemachtigd was tegen Egide Bauwens, vertegenwoordigd door meester De Neck te procederen. 3 4 De posities waren ingenomen, maar een proces viel nog te vermijden indien Bauwens met geld over de brug kwam.

Twee weken na haar brief had Elisabeth Wauters nog geen geld ontvangen van haar echtgenoot. De schuldeisers bleven haar dus belagen. Een nieuwe brief die Bauwens in Aken van zijn advocaat ontving bevatte dan ook enkel slecht nieuws. Boulanger (een kolenhandelaar uit Mons) was in actie gekomen en formuleerde een eis van 7.399 gulden. Diens zaakgelastigde dreigde “om bij den heer commissaris arrest te doen op de penningen die U Edele aldaar zoude ontvangen. Hij verzoekt dat wij die zake niet en zouden defenderen met gelofte van Uwe huisvrouw niet te sullen molesteren”. Ook andere schuldeisers hielden niet af. Bauwens’ echtgenote werd “grotelijk gepresseerd wegens dhr Hool, dhr Wyls, dhr Notte en Sr Capitaine zo dat U Edele huisvrouw haar alhier in groten embaras is bevindende en zeer mistroostig” was. Men zou van minder.

Bauwens’ suggestie “dat wij zouden zeggen aan al de gene die U Edele alhier actioneren (= vervolgen) dat Uwe affairens uw huisvrouw niet en raken” werd door zijn advocaat naar de prullenmand verwezen. Bauwens behoorde “geïnformeerd te worden, dat U Edele en niet uw huisvrouw alhier altijd is gedaagd en geactioneerd geweest.” Reden was dat hij “alhier nog domicilie hebt, en U Edele huisvrouw alhier actuelijk is winkel houdende welken winkel gelijk u bekend is, een gemenen (= gemeenschappelijk) winkel is tussen u ende uw huisvrouw”. 5 De advocaat vroeg om instructies.

Een week later, 20 september 1746, was het terug mevrouw Bauwens die de pen ter hand nam. Het resultaat was een bittere brief. Ze wist dat een Brusselse vriend bij haar echtgenoot in Aken op bezoek was geweest en was er van overtuigd dat die haar “bedroefden staat kenbaar gemaakt (zal) hebben. In wat embaras ik mij alhier bevinde”. “Niettegenstaande ik langen tijd op U Edele betrouwd heb dat U Edele mij zoude uit den zelven embaras getrokken heb” stelde ze “het contrarie” vast. Ze vroeg haar man om instructies en om geld “andersints ik Brussel moet verlaten want ik het hier niet langer tegenhouden kan”. “Dhr Hool presseert mij grotelijk en wordt ook gepresseerd van andere die ‘t zijne laste pretentie hebben, zelfs dat hij (Hool) genoodzaakt is geweest van zijn paard te verkopen om een ander te voldoen, soo dat hij niet langer wachten wilt.” Ook het geduld van de andere schuldeisers (waaronder Capitaine) was op. Zelf was ze ook bij een aantal mensen langs geweest om geld los te krijgen “maar heb noch oort (= oortje, kleien munt) noch duit” ontvangen. 6

Krediet was en is in tijden van oorlog een heikel punt. Dat in het bezette Brussel iedereen zijn best deed om openstaande rekeningen te innen en wisselbrieven te verzilveren, is dan ook logisch. Zeker als de schuldenaar Egide Bauwens was. Iemand die door het Oostenrijkse regime diende te worden (terug)betaald. Een regime dat uit Brussel was verdreven en niets wees er op dat de krijgskansen aan het keren waren. Integendeel. Nadat het legerkorps van maarschalk Batthyany (40.000 man sterk) op 11 oktober 1746 bij de slag van Roucoux (omgeving van Luik) door 60.000 Fransen in de pan was gehakt, was op een strook Limburg en Luxemburg na, het volledige grondgebied van de Oostenrijkse Nederlanden in Franse handen. Indien de Oostenrijkers er niet zouden in slagen om terug aan de macht te komen, was het voor iedereen duidelijk dat Bauwens geen cent zou ontvangen en via een echt waterval systeem evenmin zijn vennoten, leveranciers, personeelsleden, lokale agenten, enz.

Tot de brief van 20 september 1746 was Anthony een gewone schuldeiser die niet veel meer kon doen dan met zijn openstaande rekeningen mevrouw Bauwens het leven zuur te maken. Door zijn voormalige patroon werd hij, net zoals de andere schuldeisers, genegeerd. Het dreigen met justitie werd dus in daden omgezet.

Bauwens mocht dan wel als een struisvogel zijn kop in het zand steken, de Brusselse schepenbank deed dit niet. Begin november 1746 boog ze zich over de klacht die Anthony had ingediend en gaf hem gelijk in het dispuut met Bauwens. 7 Die tekende beroep aan en in afwachting van een uitspraak beperkte Bauwens er zich toe om de betwiste som (volledig ?) in bewaring te geven bij de “tresorije” van de stad. Op 18 november 1746 registreerde men er de ontvangst van “18 pistolen” (= 18 Louis d’or), het equivalent van 31 dukaten of 188 gulden 7 schellingen Brabants. 8 Voor Anthony een aanzienlijk bedrag want als douanier had hij zich jaren met een jaarloon van 240 à 260 gulden moeten tevreden stellen. Op 30 januari 1747 stond dit geld nog steeds geblokkeerd bij de Brusselse schatkist.

Op 18 november 1746 heeft Ferdinandus Benedictus Clentincx bij de “tresorij” van de stad Brussel 18 pistolen (= 18 Louis d’or), gelijk aan 188 gulden 7 schellingen, geconsigneerd in de zaak van Egidius Bauwens tegen “Anthon Cappitain”.

 

Wederzijdse chantage

In de brief die Clentinckx op 9 januari 1747 naar Bauwens schreef werd over Anthony’s rekeningen en schuldvorderingen niet gerept. Deze keer ging het over “quittantien die Capiteyn zoude ten anderen hebben”. Kwitanties die voor Bauwens blijkbaar grote waarde of belang hadden, maar die Anthony weigerde zomaar uit handen te geven. Clentinckx had Anthony verzocht ze op het Brusselse stadhuis te “consigneren” (= officieel in bewaring te geven). Het spel werd niet eerlijk gespeeld want het plan was dat “zo haast hij de zelve zal geconsigneerd hebben, zal (ik Clentinckx) de zelve quittantien aldaar houden, om naar date de zelve zien in te trekken en U Edele over te zenden”.

Dit was niet gelukt. Anthony had geweigerd de kwitanties zomaar “te consigneren, maar heeft alsnu verklaart de zelve te sullen consigneren in soo verre U Edele insgelijks zou willen consigneren alle de brieven die U Edele zou ten anderen hebben door hem aan U Edele geschreven, mitsgaders alle de papieren of notitiën hem enigsints rakende. Zo dat U Edele ons zou moeten overzenden alle de zelve brieven ende notitiën indien U Edele enige ten anderen heeft, ende dat onder eed te bevestigen van geen wederhouden of voordere ten anderen te hebben als de gene die U Edele ons zoude afzenden.

En in cas U Edele gene diergelijke papieren of notitiën van ditto Capiteyn ten anderen hebt, zult onder eed sulks gelieven te affirmeren, en daarover bij een notaris een akte te passeren. Zullende U Edele in handen van den zelven notaris den eed doen van geen andere brieven als degene die U Edele, in cas U Edele enige brieven of notitiën Capiteyn rakende ten anderen hebt met uitdrukking van het getal der zelve brieven ofte notitiën, ons overzend. En in cas van geen (papieren) ten anderen te hebben, zult U Edele den zelve eed doen, en in de akte bij den notaris te passeren mentie maken den zelven eed gedaan te hebben met procuratie op den procureur De Neck om den zelven eed alhier voor heren wethouderen in uwe ziele te vernieuwen, gelijk alle notarissen die hunne functie verstaan bekend is hoe zulks moet geschieden”. 9

De meest waarschijnlijke verklaring voor dit wederzijds “consigneren” van documenten en stukken (wat trouwens niet gebeurde) is dat Anthony schrik had dat indien hij de kwitanties gewoon uit handen gaf, Bauwens hem achteraf op een of andere manier van fouten (of erger) zou beschuldigen. De eis dat Bauwens alle correspondentie en nota’s die op Anthony betrekking hadden officieel op het Brusselse stadhuis in bewaring diende te geven, was dan ook een voorzorgsmaatregel. Anthony zou steeds op die stukken kunnen terugvallen om aan te tonen dat wat hij ook had gedaan, dit in overleg met, of in opdracht van Bauwens was gebeurd.

Dat Anthony geen vertrouwen in Bauwens had is onmiskenbaar want hij had geëist dat het aantal en de aard van overgezonden stukken nauwkeurig door een notaris dienden te worden geregistreerd. Indien Bauwens geen “dossier Capitaine” bezat, diende hij dit eveneens onder eed notarieel te laten vastleggen. Die officiële eed en verklaring zouden in Brussel door een procureur moeten worden geregistreerd in de stedelijke registers. Een procedure die er duidelijk op gericht was om bij een proces plots opduikende brieven of stukken officieel te neutraliseren. Maar wat had dat met die kwitanties te maken die Bauwens absoluut in handen wou krijgen?

Bauwens kon van de overheid enkel terugbetaling van zijn leveringen krijgen indien hij officiële kwitanties kon voorleggen die bewezen dat die goederen ook door de troepen in ontvangst waren genomen. Het uitschrijven van kwitanties was gebeurd door speciale commissarissen en financiële directeurs die aan het leger waren toegevoegd. Dat Anthony zulke kwitanties in zijn bezit had is gelet op zijn werkzaamheden in onder andere Lier en Mechelen logisch. In een brief van 4 mei 1746 was hij trouwens nadrukkelijk gewaarschuwd dat hij een lading haver en hooi enkel en alleen uit handen mocht geven in ruil voor “quittances des Sieurs Ippesiel, Durriez et Goffin, c’est a dire de l’un ou de l’autre de ces 3 et pas a d’autres”. Indien Anthony nu weigerde deze kwitanties aan zijn werkgever te overhandigen, zou deze op zijn beurt weigeren om de rekeningen te betalen. Een duidelijke zaak. Deze reguliere kwitanties konden dus niet de reden zijn dat Anthony zo achterdochtig was en er bij Bauwens op aandrong om over “zijn dossier” en alle correspondentie te kunnen beschikken.

De brieven die Bauwens zelf schreef bleven niet bewaard en veel juridisch archief van de stad Brussel wacht nog op inventarisatie. Het fijne van de zaak is dus onduidelijk. Toch is er een vermoeden hoe de vork aan de steel zit.

Het Oostenrijkse bewind had sinds het uitbreken van de vijandelijkheden met Frankrijk nederlaag op nederlaag geleden. Nagenoeg het volledige grondgebied van de Oostenrijkse Nederlanden was door de Fransen veroverd. In tal van steden waren er Blijde Intochten geweest van de Franse koning en de herbevestigde lokale besturen en ambtenaren hadden een eed van trouw aan Lodewijk XV gezworen. Zelfs de Staten van Brabant hadden dit gedaan, waarna ze voortaan kredieten goedkeurden voor “hun” nieuw anti-Oostenrijks leger.

Het ligt voor de hand dat velen die aan het Oostenrijks leger goederen hadden geleverd, het ergste begonnen te vrezen. Zouden ze hun kwitanties, deze beloften tot betaling, uitgeschreven ten laste van een verdreven regime ooit kunnen verzilveren? Of waren ze hun goederen en geld definitief kwijt in ruil voor waardeloos papier?

Speculanten en/of personen die goed op de hoogte waren van het verloop van de militaire campagnes (of eventuele vredesbesprekingen) zullen deze onzekerheid aangegrepen hebben om zaakjes te doen.

Door bijvoorbeeld voor een fractie van de waarde dergelijke risicokwitanties over te kopen. De verkopers konden zo een deel van hun geld recupereren en de opkopers koesterden natuurlijk de hoop dat ze bij een terugkeer van het Oostenrijkse regime de goedkoop verworven kwitanties tegen het volle pond te verzilveren.

Verschillende passages in Clentinckx’ brieven wijzen er op dat Anthony zulke risicokwitanties had opgekocht. Deels met geld van Bauwens, deels misschien voorgefinancierd met eigen middelen. Kwam het Oostenrijkse bewind echter niet terug aan de macht dan zat hij opgescheept met waardeloos papier. In dat geval kon niet uitgesloten worden dat men hem zou verwijten én aanrekenen dat hij geld van Bauwens oneigenlijk had gebruikt en dreigde hij mogelijk voor de rechtbank te eindigen.

Indien correct, is het logisch dat hij er op aandrong dat alle correspondentie tussen hem en Bauwens veilig werd gesteld in handen van de overheid. Indien nodig kon hij dan aantonen dat de risicokwitanties wel degelijk met medeweten of zelfs op bevel van Bauwens waren opgekocht.

Anderzijds, indien de Oostenrijkers terug aan de macht zouden komen, kon Anthony de goedkoop gekochte, potentieel zeer lucratieve, kwitanties die in zijn bezit waren voor het volle pond zelf verzilveren en ging de meerwaarde aan Bauwens voorbij. Zolang de oorlog niet beslecht was diende Bauwens dus Anthony te vriend te houden en gunstig te stemmen. Zeker omdat Anthony blijkbaar wist waar en hoe er nog extra risicokwitanties konden worden opgekocht. Ze hielden elkaar dus in een wurggreep, maar waren ook op elkaar aangewezen. Natuurlijk konden ze elkaar uitputtend voor de rechtbank bekampen, maar de uitslag van een rechtszaak was onzeker en procederen niet goedkoop. Bovendien gaf men aan de financiële manoeuvres best niet te veel ruchtbaarheid.

Advocaat Clentinckx’ brief van 11 februari 1747 past hier perfect in. Hij gaf Bauwens, die nog steeds in Aken verbleef, niet alleen een stand van zaken. De brief bevatte ook een scenario om Anthony, die zeer voorzichtig diende te worden bewerkt, een rad voor de ogen te draaien. Bauwens kreeg de raad om in zijn brieven Anthony te flatteren en volledige betaling voor te spiegelen. Clentinckx had Anthony immers beloofd dat hij de brieven die hij van Bauwens ontving mocht inzien. Zijn echte bedoelingen en opdrachten moest Bauwens via een parallelle correspondentie duidelijk maken.

Clentinckx schreef: “Heb geprotesteerd van reformatie (= beroep aangetekend) jegens Capiteyn, volgens U Edele orders en heb (procureur Gerard Joseph) Mesurolle gesproken om het zelve in den rade (van Brabant) te achtervolgen. Capiteyn heeft gisteren op mijn comptoir geweest en hij heeft gezeid indien men hem wilde 14 a 16 dukaten (= 70 à 80 gulden) ter hand stellen hij bij U Edele zoude komen zijne rekening sluiten en alle quittantien van geleverd brood medebrengen. Hij zegt dat hij nog weet waar quittantien berusten en dat hij U Edele het zelve zal kenbaar maken. Gelove dat hij wel de quittantien zoude laten volgen als ik van U Edele daar toe orders zoude hebben om de zelve onder recipisse in te trekken, en indien U Edele liever zoude hebben dat U Edele de zelve door mij zoude overgezonden worden als dat Capiteyn de zelve zouden medebrengen, U Edele kont op een separaat papier mij daar toe authoriseren. Zal hem (Capitaine) dan daar toe maken te verwilligen (= over te halen) indien het mogelijk is. Hij segt niet minder als 15 dukaten om die reise te kunnen doen te zullen ontvangen, want hij zijn vrouw en zes kinders alhier moet geld laten om te kunnen subsisteren. En hij met de voiture maar niet te voet wilt overkomen en ten uwen koste. Over alle welke voorschreven pointen ik U Edele ben verzoekende mij U Edele intentie te willen kenbaar maken.

(Daar) ik hem (Capitaine) beloofd heb U Edele antwoord hem te laten lezen, 10 (is het aangewezen) indien U Edele zou willen dat hij overkomt niet het minste tegens hem schrijft maar hem flatteert, maar en maakt geen mentie van zijne gage als alleenlijk dat hij zoude willen overkomen om met U Edele te rekenen en het gene hem bij rekening zoude toekomen dat gij hem aanstonds zult voldoen ingevalle gij hem zoude debet blijven. U Edele kunt aan mij twee brieven of een memoire overzenden wat U Edele oprechte mening is, (ik) zal hem maar den enen brief laten zien die hem flatteert.

Maar als hij bij U Edele is moet (u) maken aleer hij wederkeert met hem geëindigd te hebben, want anders soude de sake alhier wederom voortsgaan. Ende in den brief die U Edele mij zal schrijven die hem flatteert mag U Edele mij maar orders geven van hem maar een kleine som ter hand te stellen om zijne voyagie te doen. 11 Maar U Edele kan mij bij een (afzonderlijk) memorie briefken laten weten wat penningen ik hem mag ter hand stellen.

Zoude U Edele raden van hem bij U Edele te zien krijgen en als hij mij de quittantien ter hand stelt is U Edele in salvo, want hij de zelve mochte ontvreemden en scheuren want zonder geld zal hij de zelve uit zijne handen niet laten gaan, en het is enen capucien daar en niet op en zit, en de reformatie in den rade van Brabant te vervolgen zal U Edele veel geld kosten want hij (Capitaine) heeft zo U Edele bekent is den pro deo, en hij en ontziet niet van onnuttige kosten te kweken en aleer de brieven van reformatie te bekomen, moet men in de dertig guldens voor de zelve brieven en de pene in den rade tellen. En schoon U Edele de zake winde daar en is geen guarant op. Hij (Capitaine) loopt voorts met alle U Edele quittantien zodat U Edele quittantien wel vereiste dat men de zelve zou intrekken en hem enig geld ter hand te stellen om met U Edele te komen rekenen.12

Uit de brief blijkt dat tegen het voor Anthony gunstig vonnis van de Brusselse schepenbank beroep werd aangetekend. Of advocaat Clentinckx hiervoor echt argumenten had is onbekend. Mogelijk wou hij de procedure gewoon rekken omdat hij wist dat de financieel kwetsbare Anthony het geen jaren kon volhouden.

 

Hulp van de Franse bezetter

Het beroep bij de Raad van Brabant was een streep door Anthony’s rekening. Hij reageerde door zijn nood te gaan klagen bij de (bezettende) overheid. Met succes want de nieuwe Franse bestuurders sommeerden advocaat Clentinckx op 22 februari 1747 naar het stadhuis voor uitleg. Iets wat hij nog de dag zelf aan Bauwens rapporteerde.

Hij liet beleefde openingszinnen achterwege en viel met de deur in huis: “Alzo ik op heden in het gouvernement alhier ben ontboden geweest wegens dhr de La Graulet over de zaak van Capitaine, en door dhr de La Graulet gevraagd geweest waarom U Edele was reformerende (= beroep aantekenen) over de sententie van 10 pistolen (= 10 Louis d’or) aan dhr Capiteyn toegewezen. Mitsgaders aan mij aangezeid dat ik als in de zelfde zaak het protest gedaan hebbende mij kan wachten wat mij kan overkomen, als ook aan U Edele. En dat ik in deze zaak niet en wil iet doen zonder of buiten U Edele orders.” De advocaat vroeg om instructies: “als ook aan mij kenbaar maken ofte U Edele zou willen dat ik alle quittantien zou intrekken die Capiteyne ten anderen is hebbende, of alleenlijk de gene (die) U Edele bekent (zijn). Hij zal mij de rachatten (= de ingekochte risicokwitanties) ook overleveren die hij heeft gekocht en betaald mits hem daar van recipisse (= ontvangstbewijs) bij mij te verlijden. U Edele zou mij op een separaat biljet bij procuratie daar toe authoriseren in zo verre U Edele zulks goed vindt”. 13

De dreigementen van de La Graulet, de door de Franse koning Lodewijk XV aangestelde “lieutenant du Roi” van Brussel (cfr. koninklijk commissaris, ondergeschikt aan de stedelijke gouverneur), 14 hadden indruk gemaakt op de advocaat. Die was zelfs zo van zijn melk dat hij Anthony’s familienaam in zijn brief op drie verschillende manieren neerpende: Capitaine, Capiteyn en Capiteyne.

Kort daarna kwam het tot een compromis. Uit de Brusselse “tresorije”-boeken blijkt dat Anthony op 3 maart 1747 van de door Bauwens geconsigneerde som een bedrag van 105 gulden (= 10 pistolen) had mogen lichten en advocaat Clentinckx de resterende 83 gulden 7 schellingen kreeg terugbetaald. 15 De volledige afrekening met Bauwens zou later volgen. Mogelijk stond Anthony het water dermate tot aan de lippen, dat hij in het belang van zijn gezin wel had moeten plooien.

Op 7 maart 1747 schreef Clentinckx aan Bauwens: “zende U Edele hier nevens alle de quittantien die Capiteyn ten anderen heeft. Heb die ingetrokken, doch heb hem geen recipisse (= ontvangstbewijs) gegeven.”. 16

Op 3 maart 1747 licht Anthony Capitaine 105 gulden uit de door Bauwens geconsigneerde penningen. Advocaat Clentickx krijgt de resterende som van 83 gulden 7 schellingen uitbetaald.

 

Dat de plooien ver van gladgestreken waren, blijkt uit Bauwens’ voornemen om Anthony bij de autoriteiten aan te klagen via een “besloten missive”. Iets wat Clentinckx hem met klem probeerde af te raden. Anthony had immers invloedrijke beschermheren en er waren nog tal van andere redenen. Zowel de namen van de beschermheren, als die andere redenen, als de omstandigheden waarin een aantal beslissingen waren genomen waren volgens de advocaat echter te delicaat om aan het papier toe te vertrouwen. Uitleg zou later mondeling worden gegeven.

Clentinckxs’ brief van 22 maart 1747 is dan ook mistig en prikkelt de nieuwsgierigheid. “Dheer Mosselman en dhr Van Dormaele heden mij komen vinden ter zake U Edele van intentie is zekeren besloten missive aan het gouvernement te adresseren tot laste van Capitaine. ‘t Is U Edele bekend dat U Edele mij belast hebt bij voorgaande missive van aan Capitain ter hand te stellen tot de somme van 8 dukaten tot het bekomen van U Edele quittantien, welke quittantien ik niet daar voren heb kunnen bekomen. En alzo U Edele een reformatie vervolgen in den rade (van Brabant) de welke U Edele ten minsten twee a drij honderd guldens zou hebben gekost, en schoon U Edele in deselve triumpheerde, (dan) U Edele wel zou belast gebleven hebben met de kosten der zelve uit dien U Edele geen guarand op den voorschreven Capitaine en is hebbende en dat hij (Capitaine) grotelijkx geprotegeerd werd door vrienden die U Edele naderhand zult kennen.

Zo heeft men gerade gevonden met ditto Capiteyn te accorderen, voor tien pistolen (= 10 gouden Louis = 105 gulden Brabants) voor welke somme de zaak zal blijven stille staan tot dat de heer Capitaine met U Edele zal hebben afgerekend.

De heer Van Dormaele heeft U Edele daar over geschreven, ben verwonderd dat U Edele zijnen brief beneffens den mijne niet en hebt bekomen. Waart zaken U Edele alhier present was en onze reden hoorde, U Edele zou zekerlijk ons aangegaan accoord aggreëren (= instemmen met het bereikte akkoord). Hope U Edele metter tijd het zelve mondelinge te expliceren, en rakende het gouvernement verzoeke U Edele aan het zelve niet te schrijven. De reden waarom zijn te groot om U Edele alhier te expliceren, zou U Edele mondelinge sulks behoren voor te dragen.

En Capitaine en is alhier niet meer, heb de 25 dukaten door dhr Renette betaald geweest, en alzo U Edele bevinde 18 pistolen geconsigneerd had in de zaak van Capitaine zo heb hem tien pistolen als voorzeid laten lichten, de acht resterende heb ik gelicht, want andersints zou hij misschien alle 18 pistolen gelicht hebben.17

Op 22 maart 1747 was er tussen Bauwens en Anthony nog geen definitieve afrekening gebeurd van de uitgaven die Anthony voor de vennootschap had gedaan. Later moet de zaak toch geregeld zijn want in de door Bauwens bij de regering ingediende vordering (na het beëindigen van de oorlog) staat bij uitgavepost nr. 82: “Payé au sieur Capitaine tant pour ses achats que pour ses débours depuis le premier mars jusqu’ au premier mai 1746 la somme de 6.401 florins 6 deniers.18 Het forse bedrag lag toch beduidend lager dan de som in de rekening (mogelijk een kladversie ?) die in het archief van Bauwens bewaard bleef. Daarin had men het over: “Payé au sieur Capitaine tant pour ses achats que débours depuis le 1e mars jusques au 1e mai 1746 ensuite de la copie de son compte la somme de f 8.854 – 1 – ½”. 19

20

Notes:

  1. ARAB, archief Egide Bauwens, correspondentie “C”, brief van Clentinckx aan Bauwens geschreven te Brussel 1746.
  2. ARAB, archief Egide Bauwens, correspondentie “B”, brief van Elisabeth Bauwens – Wauters aan haar man Egide Bauwens geschreven te Brussel 4/09/1746.
  3. SAB, oud archief stad Brussel, nr. 148 manuale procuratorum sub J.P. De Fraye.
  4. RAAnd, schepengriffies arrondissement Brussel, stad Brussel nr. 2.186 manuale procuratorum 1746-1747.
  5. ARAB, archief Egide Bauwens, correspondentie “C”, brief van Clentinckx aan Bauwens geschreven te Brussel 12/09/1746.
  6. ARAB, archief Egide Bauwens, correspondentie “B”, brief van Elisabeth Bauwens-Wauters aan Bauwens geschreven te Brussel 20/09/1746.
  7. Het procesbundel vonden we in het Brusselse stadsarchief nog niet terug. Dit zit waarschijnlijk nog in één van de honderden dozen procesbundels die nog op inventarisatie wachten.
  8. SAB, oud archief, nr. 937 régistre aux consignations à la trésorie de la ville 2/10/1742 – 31/12/1748.
  9. ARAB, archief Egide Bauwens, correspondentie “C”, brief van Clentinckx aan Bauwens geschreven te Brussel dd. 9/01/1747.
  10. Het wantrouwen zat duidelijk diep
  11. Er was immers de belofte dat Capitaine de brief mocht lezen.
  12. ARAB, archief Egide Bauwens, correspondentie “C”, brief van Clentinckx aan Bauwens geschreven te Brussel 11/02/1747.
  13. ARAB, archief Egide Bauwens, correspondentie “C”, brief van Clentinckx aan Bauwens geschreven te Brussel 22/02/1747.
  14. HENNE Alexandre en WOUTERS Alphonse, Histoire de la ville de Bruxelles.”, 1845. Na de inname van Brussel door de Fransen wordt door maarschalk graaf de Saxe op 26 februari 1746 een nieuw (bezettings) bestuur aangesteld. Hertog de Botteville wordt gouverneur van Brussel, La Graulet wordt “lieutenant du Roi” en majoor Chasserol van het regiment Piemont wordt militair bevelhebber van de stad.
  15. SAB, oud archief, nr. 937 régistre aux consignations à la trésorie de la ville 2/10/1742 – 31/12/1748.
  16. ARAB, archief Egide Bauwens, correspondentie “C”, brief van Clentinckx aan Bauwens geschreven te Brussel 7/03/1747.
  17. ARAB, archief Egide Bauwens, correspondentie “C”, brief van Clentinckx aan Bauwens geschreven te Brussel 22/03/1747.
  18. ARAB, Rekenkamer, nr. 50.461 “Compte général de feu Gilles Bauwens, rendu par les associés et héritiers de celui (feu le sieur de Gotte et Louis Henry), des fournitures de vivres, fourrages et chariots, faites aux troupes de Marie-Thérèse et de ses alliés en 1744, 1745, 1746, 1749 et 1750.”
  19. ARAB, archief Egide Bauwens, nr. 48 comptes 1745-1766.