Erven is een kunst en sommigen zijn er beter in dan anderen

Twee jaar na de aankoop van het chocolade- en cichoreibedrijf ging de gezondheid van Eugenius Capiteyn achteruit.  Ondanks de zorgen van dokter Van Cleemputte overleed hij op 17 mei 1883 in zijn huis in de Halvemaanstraat, 76 jaar oud. 1

Vier weken voor Eugenius’ overlijden hadden de zonen Seraphin en Benjamin op 18 april 1883 samen de bedrijfsgebouwen met het daarbij horende woonhuis, poorthuis en tuin overgekocht. 2 3  Eugenius was toen al niet meer in staat om het huis te verlaten en de notaris was ten huize gekomen.  In de notariële akte omschreef hij de goederen als: “een eigendom bestaande uit twee woonhuizen, tuin, magazijn en alle andere katheilen er op staande en medegaande”.

Een bedrag van 2.500 fr. werd onmiddellijk betaald.  Om de resterende 8.000 fr. te voldoen kregen de zonen vijf jaar tijd mits het betalen van 3,5 % rente per jaar.  Als garantie werd door de broers een hypotheek op het geheel gevestigd.

Drie weken na het overlijden van hun vader verwierven Seraphin en Benjamin op 4 juni 1883 ook alle roerende goederen die zich in de Halvemaanstraat bevonden. 4  Dit gebeurde met instemming van zowel moeder Francisca als de zes broers en zussen Capiteyn en was natuurlijk bedoeld om de continuïteit van het goedlopende bedrijf veilig te stellen.  Het waren dan ook de machines en materiaal in de bedrijfsgebouwen die in de notariële akte eerst werden opgesomd.  Het ging om: “een dampketel van vier atmospheren, een fournuis 5, een (stoom)machien met toebehoorten, een plettermolen met bakken en zeefden, een kleine plettermolen 6, chocoladepotten met gereedschappen, groten trommel met bak beslegen in ijzer dienende tot branden van suikerij, een kleine trommel dienende tot het branden van cacao, een molen om cacao te kuisschen, een baskuul met gewichten, een koperen weegschaal met gewichten, een steekwagen, een kruiwagen, twee grote suikerijbakken, vormen dienende tot het fabrikeren van chocolade en alle de toebehoorten dezer verschillende voorwerpen”.

Seraphin en Benjamin verwierven ook de inboedel van het woonhuis: “zes matrassen, een ijzeren bedstoel, drie houten bedstoelen, twee commoden, een nachtstoel, een jachtcomfoor en stove met toebehoorten, achttien stoelen, een zetel, drie kleerkassen, vier kleine kassen, een glazen kas, een schapraai, een ronde tafel, drie keukentafels, een lievevrouwbeeld met bocaals, een crucifix, al het geleijer en aardewerk, lepels, messen, vorken, potten, pannen, ketels, rieken, spaden, raken, manden, zakken, koopwaren, oogst te velde, pachtersrechten, beestialen, met één woord al de mobilaire voorwerpen” die aan de huwelijksgemeenschap Capiteyn-Vermeire hadden toebehoord “zonder enige uitzondering of wederhouding”.

Op één of andere manier had men onderling de globale waarde van de machines en inboedel vastgesteld op 5.800 fr. en de broers dienden moeder, broers en zussen 5.256 frank 25 centiem uit te keren voor hun 58/64sten in de eigendomstitel en erfrechten.  De familie was ten opzichte van Seraphin en Benjamin meer dan soepel want ze dienden de som pas effectief te betalen bij het overlijden van moeder.  In afwachting dienden ze haar, in ruil voor het afzien van het vruchtgebruik over de goederen, wel 3,5 % intrest per jaar uit te keren.  Mogelijk hadden Seraphin en Benjamin ook één en ander onder tafel geregeld want het valt op dat er geen melding werd gemaakt van voorraden cichorei, chocolade of andere producten.

De eerste weken na Eugenius’ overlijden wees niets op problemen betreffende de erfenis.  Iedereen wist van de twee huizen in de (Joseph) Gerardstraat en de twee huizen in de (Witte) Molenstraat die voorlopig onverdeeld bleven tussen “Vermeire, weduwe en kinderen”. 7  Wat de inboedel en bedrijfsgoederen betrof hadden de zes broers en zussen Capiteyn er grootmoedig, of achteraf beschouwd zeer naïef, zelf mee ingestemd dat Seraphin en Benjamin de verschuldigde 5.265 frank 25 centiem pas dienden te betalen bij het overlijden van hun moeder.  Een grootmoedigheid die er mogelijk op wijst dat de broers en zussen Capiteyn pas na begin juni 1883 vernamen dat het ouderlijk huis en bedrijf in de Halvemaanstraat drie weken voor Eugenius’ overlijden door Seraphin en Benjamin waren aangekocht en onder welke voorwaarden dit was gebeurd.  Naar aanleiding van een eerste samenkomst over Eugenius’ erfenisaangifte zal dit zeker ter sprake zijn gekomen.

Natuurlijk hadden de broers en zussen Capiteyn als erfgenamen recht op hun aandeel in de opbrengst: 10.500 fr, maar meer dan 2.500 fr was daarvan niet beschikbaar.  Seraphin en Benjamin hadden vijf jaar tijd om met de resterende 8.000 frank over de brug te komen.  Behalve de verdeling van wat contanten viel er qua erfenis op korte termijn dus niets te verwachten.

Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat enkele kinderen Capiteyn zich, niet onterecht, tekort gedaan voelden.  Wie het luidst en het meest krachtig zijn/haar ongenoegen liet blijken is onbekend, maar enkele kinderen vielen bij hun moeder uit de gratie.  Zelfs in die mate dat ze op 16 september 1884 een testament liet opmaken. 8  De wensen van de 70-jarige Francisca Vermeire waren glashelder.  Ze wou dat “het meeste part en deel mijner erfenis waarover de wet mij toelaat te beschikken” zou toevallen aan zes van haar acht kinderen: Seraphin, Benjamin, Jacob, Heliodoor, Benoit (= Benedictus) en Marie.  Haar twee andere kinderen: Coleta en Alphons liet ze onvermeld waardoor deze slechts in aanmerking kwamen voor het wettelijk voorbehouden minimum.  Of Coleta en Alfons op de hoogte waren van dit testament?

De verhoudingen bleven gespannen want het duurde bijna twee jaar eer Eugenius’ erfgenamen op 23 februari 1885 samenkwamen in de Meersstraat/Halvemaanstraat om formeel en officieel de baten en lasten van de nalatenschap te inventariseren. 9  Weduwe Francisca Vermeire werd bijgestaan door de twee zonen bij wie ze was blijven inwonen: Seraphin en Benjamin Capiteyn, “chocolade en chicoreifabrikanten”.  Samen verklaarden ze aan de aanwezige mede-erfgenamen dat er op de dag van Eugenius’ overlijden sprake was van 3.260 frank “gerede gelden”.  Er waren toen ook zes obligaties van elk 100 frank uitgegeven door de stad Antwerpen in huis geweest, maar die waren ondertussen verkocht.  En natuurlijk waren er de vier huizen in de (Joseph) Gerardstraat en (Witte) Molenstraat.  Men besloot om die te verkopen.

Bij de vorderingen ten voordele van het sterfhuis werd melding gemaakt van het bedrag dat Seraphin en Benjamin nog dienden af te betalen.  Ook broer Alphons liet optekenen dat hij zijn vader nog geld schuldig was geweest, maar dat hij ondertussen al een deel had terugbetaald aan zijn moeder.  Ook de andere kinderen Capiteyn hadden van hun ouders geld ontvangen, maar om hoeveel het ging werd in het midden gelaten.  Alle aanwezigen waren het erover eens “dat de schulden en lasten van deze gemeenschap en nalatenschap later zullen vastgesteld worden”.  Ondanks het feit dat de bijeenkomst vier uur duurde, had ze dus weinig opgeleverd toen alle kinderen Capiteyn hun handtekening zetten.  Namens Marie Capiteyn zette haar echtgenoot Seraphin Lippens een kruisje onder de akte want zelfs zag Marie het blijkbaar niet zitten om met de familie samen te komen.  Drie weken later regelde ze zelfs een notariële volmacht 10 en de volgende 20 jaar liet Marie zich bij elke officiële familiebijeenkomst vervangen door een neutrale gevolmachtigde.  Afstand kan hiervoor niet de reden zijn geweest want ze woonde in Gentbrugge, later in Ledeberg.

Het duurde enkele maanden eer de openbare verkoop van de vier arbeiderswoningen plaats vond.  Uiteindelijk verzamelde men op 18 augustus 1885 in herberg “De Barriere” te Sint-Amandsberg.  Herberg die werd uitgebaat door Coleta Capiteyn en haar man.  Na drie zitdagen werden de twee huizen in de Molenstraat toegewezen aan Nazarinus De Pue, “metser en plafonneur” voor 6.150 frank (die optrad als stroman voor Eduard Van Ceuelebrouck).  De huizen in de Gerardstraat werden ingekocht door Coleta Capiteyn en echtgenoot Jan Baptiste Van Brueseghem voor 6.050 frank. 11

Contant geld kregen de erven Capiteyn na de openbare verkoop niet in handen.  De verkoop kaderde immers in de afwikkeling van een nalatenschap, dus werd in afwachting van een algemene regeling het geld bijgehouden door notaris De Rudder.  Een notaris die kort daarna overleed en waarna zijn erfgenamen bij de afhandeling van zijn zaken er een potje van maakten.  Uiteindelijk waren de erven Capiteyn genoodzaakt om op 23 januari 1888 een advocaat in te schakelen die ze volmacht gaven “om alle de maatregelen te nemen welke hij zal geradig vinden en oordelen nuttig tot de inning der schuldvordering der voormelde erfgenamen jegens den heer Eduard Van Ceulebroeck negociant te Gent of jegens de notaris van dheer Joannes De Rudder in leven notaris en burgemeester te Oostakker aangaande de verkoopsom van twee woonhuizen en afhankelijkheden gestaan en gelegen te Sint-Amandsberg en desnoods rechterlijke vervolgen inspannen”.  “Daarenboven gevende het vermogen van in beslag te nemen de gelden in andere handen berustende.” 12  Februari 1891 waren de erfgenamen van notaris De Rudder aan de familie Capiteyn nog meer dan 4.000 frank schuldig.

We weten niet of het ooit ter sprake kwam binnen de familie, maar Seraphin en Benjamin hadden ergens een lening kunnen afsluiten om de 8.000 frank te voldoen die ze het sterfhuis nog schuldig waren over de aankoop van de familiewoonst en bedrijf.  De twee broers hielden zich echter aan de letter van hun contract en hadden nog tot april 1888 tijd om het bedrag op te hoesten.  En wat de machines en inboedel betrof diende de schuld van 5.256 frank 25 centiem pas vereffend te worden bij het overlijden van moeder Francisca Vermeire.  Indien de mede-erfgenamen eerder contanten wilden, kon dit enkel door de schuldbrieven te verkopen (met het risico dat men er geld bij inschoot).

Dit was wat ook gebeurde.  In de herberg van Coleta Capiteyn werd op 13 oktober 1886 in aanwezigheid van alle kinderen Capiteyn (Marie uitgezonderd) overgegaan tot de openbare verkoop van de schuldbrieven.  Het schouwspel was niet fraai.  Bij het afsluiten van de eerste zitdag bleken Seraphin en Benjamin de hoogste bieders te zijn.  Voor de schuldbrief van 8.000 fr waren ze bereid 6.100 fr te betalen.  De schuldbrief van 5.256 frank 25 centiem was hen toegewezen voor 3.000 fr.  Op een tweede en definitieve zitdag werd de eerste schuldbrief aan de twee broers toegewezen voor 7.000 fr.  De tweede schuldbrief lieten ze uit handen gaan en deze werd toegewezen aan Francies De Vreese, hovenier, Ottergemsesteenweg te Gent voor 4.770 fr. 13

Seraphin en Benjamin hadden het hard gespeeld.  Door de eigen schuldbrief op te kopen hadden ze 1.000 fr bespaard (en ook nog eens 16 maanden intrest).  Opgeteld bij de bijna 500 fr die verloren ging op de schuldbrief over de inboedel waren de erven Capiteyn ruim 11% van de initiële waarde kwijt.  Het recept om de familie verder uit elkaar te drijven.

Eind oktober 1886 leek alles duidelijk.  Er was de inventaris uit februari 1885 met de baten van de nalatenschap.  De vier huizen die men in onverdeeldheid had geërfd waren verkocht en voor de schuldbrieven ten laste van Seraphin en Benjamin gold hetzelfde.  Toch duurde het nog verschillende jaren eer er overeenstemming werd bereikt over de verdeling van de nalatenschap.  Behalve dat de sfeer flink verziekt was, zal er vooral onenigheid zijn geweest over wat de kinderen Capiteyn tijdens Eugenius’ leven reeds hadden ontvangen.  Wie had hoeveel ontvangen?  Ging het om giften, voorschotten op de erfenis of om terug te betalen leningen?  Indien het om leningen ging, had men intrest moeten betalen en was die ook effectief betaald?  Wat was er allemaal bewijsbaar, wat stond er allemaal op papier?  Zou men enkel rekening houden met geld of zou men ook andere zaken verrekenen zoals bijvb. een uitzet die men had meegekregen bij het verlaten van de ouderlijke woonst, of de kosten van een huwelijksfeest?  Wie ruzie wil maken, vindt altijd wel iets om moeilijk over te doen.  Hadden bijvb. alle kleinkinderen wel evenveel geschenken gekregen?

Naast energie kost ruzie maken kost ook tijd en het was pas op 2 februari 1891, Eugenius was bijna acht jaar dood, dat men eindelijk tot de definitieve vereffening kon overgaan. 14  Om de “menigvuldige onderhandelingen met partijen” te begeleiden had men heel wat juridische raadgevers nodig gehad wat zich vertaalde in gepeperde rekeningen.  De twee dienstdoende notarissen claimden 675 fr.  De kosten voor drie “avoués” (= pleitende juristen, procureurs) Tibbaut, Piens en Van Waesberge beliepen 444 fr en deze voor een niet nader genoemd aantal advocaten 800 fr.  Samen 1.919 fr. of 2/3 van de prijs van een door de familie verkochte arbeiderswoning.

Belangrijk was dat er de voorbije jaren geen financiële lijken uit Eugenius’ kast waren gevallen.  Bij de definitieve verdeling werd geen melding gemaakt van schuldeisers of onbetaalde rekeningen van zakenpartners of leveranciers.  Er waren evenmin af te lossen hypotheken of leningen.  De enige die geld te goed had was dochter Coleta die haar ouders blijkbaar ooit 2.500 fr had geleend en deze nu in haar voordeel verrekend zag.  De andere kinderen hadden op Seraphin en Benjamin na, reeds een mooi voorschot op hun erfenis ontvangen voor vader overleed.  Werkman Heliodoor 400 fr., werkvrouw Marie 500 fr., werkman Jacobus 1.263, 50 fr., herbergier Benedictus 1.300 fr en “vleeschhouwer” Alphons 1.400 fr.  Deze laatste diende ook nog eens een lening van ongeveer 725 fr. terug te betalen.  Wel mocht hij 144 frank 34 in mindering brengen “over levering van vleesch in den loop van ‘t jaar 1884”.

Deze giften werden opgeteld bij de opbrengst van de vier verkochte woningen, de twee verkochte schuldbrieven, het spaargeld dat er in huis was aangetroffen bij overlijden, een kleine som die op een spaarboekje had gestaan.  Omdat de partijen rond de tafel het erover eens waren dat alle trekkingsrechten ten laste van of schulden aan de huwelijkse gemeenzaamheid Capiteyn-Vermeire zouden verrekend worden à rato van 4% intrest sinds het overlijden van Eugenius en men ondertussen al acht jaar verder was, hadden de notarissen heel wat bladzijden nodig om alles tot op de centiem uit te rekenen.  Alles samen was er een netto schuldenvrij batig saldo van niet minder dan 33.087 fr. 41 centiem.  Om dit te verdelen rekenden de notarissen rustig verder en toen ze klaar waren hadden de kinderen Capiteyn waarschijnlijk behoefte aan een stevige jenever.

Ook al hadden de erven Capiteyn geen hogere wiskunde gestudeerd, ze moeten tijdens het jarenlang getouwtrek over de flinke spaarpot toch beseft hebben dat de inhoud van die spaarpot buiten hun bereik viel.  Moeder Francisca Vermeire was immers in gemeenschap van goederen gehuwd en bezat dus de helft van alles.  Bovendien kwam daar als gevolg van de gift onder levenden opgemaakt in augustus 1866 uit de helft van wijlen haar man nog eens 1/4de in volle eigendom en 1/4de in vruchtgebruik bij.  De acht kinderen Capiteyn hadden dus elk recht op 1/32ste of na aftrek van de erfenisrechten elk slechts 1.000 fr 34 centiem.

Verschillende kinderen hadden echter tijdens het leven van hun vader reeds een bedrag ontvangen, sommigen zelfs beduidend meer dan de 1.000 fr die ze nu erfden.  Voor Coleta kwam daar bij dat ze nog een deel van de aangekochte huizen in de Gerardstraat diende te voldoen en hetzelfde gold voor de broers Seraphin en Benjamin wat de door hen opgekochte schuldbrief van 7.000 fr betrof.

Rekening houdende met de afgesproken 4% rente per jaar sinds Eugenius overlijden kwam het er uiteindelijk op neer dat slechts twee kinderen een beetje geld ontvingen: Marie 347 fr en Heliodoor 477 fr.  Alle anderen waren geld schuldig aan de huwelijkse gemeenschap Capiteyn-Vermeire, dus aan hun moeder: Jacobus 633 fr., Benedictus 698 fr., Alfons 1.408 fr., Coleta 3.218 fr, Seraphin en Benjamin elk 3.925 fr.  Niemand kon die bedragen zomaar op tafel leggen, dus werden ze als schuldvordering toegewezen aan moeder Francisca Vermeire die tot de betaling ervan 4% rente per jaar mocht aanrekenen.  Mogelijk was het toen voor sommige kinderen Capiteyn tijd voor een tweede of derde jenever.

Zich troosten met jenever was voor Seraphin en Benjamin niet nodig want ze hadden zich reeds jaren eerder flink ingedekt.  Op 27 december 1886 waren ze samen met hun toen 76-jarige moeder naar de notaris getrokken om een overeenkomst te laten registreren die 10 jaar geldig zou zijn. 15  Met terugwerkende kracht tot 4 ,juni 1883 (= de dag dat de twee broers de volledige inboedel van de woning en het bedrijf aankochten) werd overeengekomen dat: “Madame Capiteyn – Vermeire zal mogen inwonen ten huisgezin der mede comparanten (= haar twee zonen) en zij zal er genieten haren dagelijkschen onderhoud van kost en maaltijden, oppas, naaien, wasschen en plasschen, immers zoals zij zoude deel maken van het huishouden.  In geval van ziekte zal zij onderhouden worden van zorgen zoals een ziekelijk persoon behoort.  Doch de kosten van doctors, medicamenten, ziekendiensters, indien nodig, blijven tharen personelen last.  Insgelijks den aankoop van klederen, de begravingskosten en voordere andere uitgaven na het overlijden te doen.  Zij heeft voor dezen onderhoud te betalen twee frank per dag welke som hare kinders vermogen af te houden vooraf en buiten part van hare erfenis, indien zij niet vroeger is gekweten.  Er is ook bedongen dat kwam madame Capiteyn het huisgezin te verlaten er zal rekening gehouden worden van zoo veel dagen onderhoud zoo veel maal twee frank.

Met deze akte in de hand trokken ze op 2 november 1891 (het stof van de erfenisverdeling was wat gaan liggen) samen met hun ondertussen 81-jarige moeder terug naar de notaris. 16  Bijna als een Siamese tweeling verklaarden de broers dat ze hun moeder samen 7.851 frank 21 centiem schuldig waren.  Omgekeerd was hun moeder hen echter geld schuldig voor de kosten van onderhoud.  Zoals bij notariële akte bepaald ging het om 2 frank/dag sinds 4 ,juni 1883 en dit gedurende 10 jaar.  Men vroeg de notaris nu om te registreren dat na het aflopen van deze 10 jaarlijkse termijn de overeenkomst automatisch zou verlengd worden tot 13 maart 1894.  Dag waarop moeder Vermeire haar zonen à rato van 2 frank/dag dus een gecumuleerd bedrag van 7.851 frank 20 centiem schuldig zou zijn.  “Dus dat de eene schuld de andere heeft gecompenseerd, en dat partijen de een aan de andere wederzijds volkomen en onherroepelijk quittantiën verlenen.”

Het kwam er dus op neer dat Seraphin en Benjamin de familiewoonst en bedrijf in de Halvemaanstraat in feite hadden verworven voor een schamele 2.500 fr.  De andere 8.000 fr hadden ze eerst door het opkopen van hun schuldvordering teruggebracht tot 7.000 fr welke ze in de praktijk aan hun moeder betaalden onder de vorm van een dagelijks rantsoen soep, patatten, hopelijk af en toe rijstpap, en het recht om mee rond de stoof te zitten.  Waar de twee broers die financiële trucs hadden geleerd ?

Na Eugenius’ erfenisverdeling van februari 1891 bleef moeder Vermeire dus bij Seraphin en Benjamin  inwonen.  Hoeveel contact ze nog had met haar andere kinderen is onbekend.  De kans is klein dat die veel goesting hadden om met hun broers geconfronteerd te worden bij een bezoek.

Francisca Vermeire overleed uiteindelijk in de Halvemaanstraat op 7 juni 1902, 92 jaar oud.  Blijkbaar na een zeer kort ziekbed want de rekening van dr. Van Cleemputte bedroeg slechts 5 fr.  (19 jaar eerder voor Eugenius 92 fr.)

De familie kwam in verband met de nalatenschap op 18 augustus een eerste keer samen in de Halvemaanstraat en verrassend genoeg was Marie Capiteyn deze keer wel aanwezig. 17  Wat Francisca haar roerende goederen betrof was men snel klaar.  Ze bezat “drij zwarte stoffen rokken, zwarte stoffen jak, twee wollen neusdoeken, vier blauwe voorschotten, zeven paar kousen, gebreide lijfrok, twee lijvekens, wollen rok, katoenen rok, twee zakneusdoeken, twee hemden, twee slaapmutsen, twee ondermutsen, twee kleerzakken.”  Samen  goed voor 15 fr.  De enige zeer bescheiden luxe bestond uit “twee lichte gouden ringjes”, nauwelijks 10 fr. Waard.  Van hoeden, paraplu, kant, oorringen, sierspelden, halssnoeren of uurwerk was geen sprake.

Verder waren er “tien obligaties der stad Brussel, ter nominale waarde van 100 frank ieder”, uitgegeven op 1 juli 1887 tegen 2,5%.  Voor de rest bestond haar nalatenschap uit schuldvorderingen op haar kinderen zoals in 1891 afgesproken.  Snel was duidelijk dat enkel Coleta en Alfons de afspraken waren nagekomen en elk jaar trouw de afgesproken 4% intrest aan hun moeder hadden betaald.  Van de andere kinderen had ze nooit iets ontvangen.

Bij de inventarisatie kwam ook het testament boven water dat Francisca in 1884 had opgemaakt.  Dit was nooit herroepen, mogelijk was Francisca het uiteindelijk gewoon vergeten, en dus kregen Coleta en Alfons te horen dat ze enkel recht hadden op het wettelijk minimum in de nalatenschap van hun moeder.  Ook de akte met de onderhoudsregeling door Seraphin en Benjamin à rato van 2 fr/dag werd voorgelegd.  Een regeling die na 13 maart 1894 voor onbepaalde tijd was verlengd.  Dit alles zou natuurlijk verrekend moeten worden.

Het duurde dan ook tot 9 februari 1903 eer de familie nog eens samen kwam. 18  Men had er goed aan gedaan om voor neutraal terrein, herberg “De Papegaai”, te kiezen want samengevat kwam het erop neer dat het grootste deel van Francisca Vermeire haar erfenis  wegsmolt door “de rekening jegens Seraphin Capiteyn en Benjamin Capiteyn wegens onderhoud hunner moeder aan twee franks per dag van 13 maart 1894 tot den overlijdensdatum op 7 juni 1902 zijnde 6.008 frank”.

De zeven kinderen van de ondertussen overleden Benedictus Capiteyn kregen zelfs een negatieve erfenis toegewezen en dienden elk 72 fr 87 centiem toe te leggen.

Na de verdeling van de erfenis viel de familie volledig uiteen en ging ieder zijn eigen weg.  Een aantal van Eugenius’ kinderen en kleinkinderen hadden flair voor zaken en bleven of werden nijveraar, herbergier, winkelier, paardenmakelaar, slager.  Deze middenstanders waren eigenaar van de eigen woning en zaak en bezaten na verloop van tijd het gemeentelijk of provinciaal stemrecht.  Een aantal hadden zelfs stemrecht voor de Wetgevende Kamers.  Een ander deel van de familie Capiteyn bleek echter niet in staat om hun leven een nieuwe wending te geven en deze bleven wever, spinster, graf-maker, stoelenvlechter, fabriekswerkster of leurder. 19 20



Notes:

  1. DSA, registers Burgerlijke Stand.
  2. Archief kadaster Gent, Relevé des actes publics et sous seing privé donnant lieu à des mutations dans les 
  3. RAG, modern notariaat, depot Van Impe, archief Francies Leopold De Backere notaris te Gent, nr. 74 akte
  4. RAG, modern notariaat, depot Van Impe, archief Francies Leopold De Backere notaris te Gent, nr. 74 akte
  5. Waarschijnlijk betreft het de warmtebron waarmee de cacaobonen en cichorei werden geroosterd. 
  6. Op de site bevinden zich tot op heden twee kleine molenstenen met een diameter van 81 cm en een dikte van
  7. GSA, archief technische diensten, nr. 852-860, kadastrale legger nr. 212, 9 volumes.
  8. RAG, modern notariaat, depot Verschaffel, archief Cyriel De Wilde notaris te Gent, nr. 9 akte 273 dd.
  9. RAG, modern notariaat, depot Kluyskens, archief Charles Jean De Rudder notaris te Oostakker, nr. 13 akte 
  10. Volmacht verleden door notaris Augustus Fraeys te Gent op 11/03/1885.  Deze volmacht werd gebruikt op
  11. RAG, modern notariaat, depot Kluyskens, archief Charles Jean De Rudder notaris te Oostakker, nr. 13 akte
  12. RAG, modern notariaat depot Verschaffel, archief Cyriel De Wilde notaris te Gent nr. 16 akte 27 dd.
  13. RAG, modern notariaat depot Verschaffel, archief Cyriel De Wilde notaris te Gent nr. 13 akte 341 dd.
  14. RAG, modern notariaat depot Verschaffel, archief Cyriel De Wilde notaris te Gent nr. 22 akte 50 dd.
  15. RAG, modern notariaat depot Verschaffel, archief Cyriel De Wilde notaris te Gent nr. 13 akte 424 dd.
  16. RAG, modern notariaat depot Verschaffel, archief Cyriel De Wilde notaris te Gent nr. 23 akte 379 dd.
  17. RAG, modern notariaat depot Kluyskens, archief Alphons Huybrecht notaris te Sint-Amandsberg, nr. 31
  18. RAG, modern notariaat depot Kluyskens, archief Alphons Huybrecht notaris te Sint-Amandsberg, nr. 32, akte 11 dd. 9/02/1903.
  19. DSA, archief Burgerlijke Stand, bevolkingsregister 1870-1880, 1880-1890, 1890-1900, 1900-1910.
  20. RAG, modern notariaat depot Kluyskens, archief Alphons Huybrecht notaris te Sint-Amandsberg, nr. 32,