Garde aan de Franse grens

Het negatieve rapport had tot gevolg dat Arnoldus naar Poperinge werd overgeplaatst.  Daar was in de loop van 1757 een extra brigade gestationeerd in een poging om het textiel dat vanuit Bailleul en Armentières werd binnengesmokkeld het hoofd te bieden.  Omgekeerd werd er vanuit Poperinge en omgeving vooral boter naar Frankrijk gesmokkeld.

Arnoldus zou al snel ervaren dat de werkomstandigheden in deze grensbrigade niet te vergelijken vielen met het betrekkelijk rustige leven dat hij had gekend in de havens van Oostende en Nieuwpoort.  Enkele maanden voor zijn overplaatsing was het in Poperinge trouwens zwaar fout gelopen.

Een rapport van januari 1758 verhaalt hoe “la brigade de Poperinghe s’étant embusqué le 28 xbre dernier (28/12/1757) dans les environs, elle y surprit pendant la nuit une troupe de fraudeurs qui se voiant découverte se mit en défense”.  De smokkelaars waren vervolgens in de aanval gegaan en hadden de douanebrigade bestaande uit een brigadier en twee gardes omsingeld waardoor die geen kant meer op konden.  Dit alles gebeurde onder het roepen van de kreet: “tue, tue”.  De situatie was zo bedreigend geworden dat “le garde B. Robert s’est vu dans la necessité de faire feu” waarbij er een gewonde viel die later overleed.  Gevolg was dat garde Benoit Joseph Robert kort daarna voor zijn eigen veiligheid overplaatsing vroeg.  De hoofdofficieren van het departement Ieper steunden dit verzoek want Robert “serait exposé journellement a la vangeance des parens du defunt ou de ces amis”.  Bovendien was het stadsbestuur van Poperinge “tellement animé en touttes occasion contre nos emploiés”, waardoor er van die zijde geen steun te verwachten viel voor de douaniers. 1 2

Drie weken later zag ook de andere garde van Poperinge het niet meer zitten.  Op 20 januari 1758 ontving Brussel het verzoek van Piette Jacques Wilmé om overgeplaatst te worden naar één of andere stadspoort of in elk geval “a un post plus tranquille”.   Om zijn verzoek te motiveren verwees hij naar zijn slechte gezondheid.  Een argument dat de hoofdofficieren van Ieper verwonderde.  Volgens hen was het gewoon zo dat “il n’a ni coeur, ni courages, mais qu’il est tres paresseux (= lui) et craint tellement de s’exposer les armes en mains qu’il n’ose sortir de chez lui et accompagner son brigadier qu’avec crainte et tremblant”.  Wel gaven ze toe “qu’il a la fatilité d’avoir la vue si bornée (= beperkt zicht) qu’il ne peut discerner les objets, surtout pendant la nuit”. 3  Brussel negeerde het verzoek.  Een slechtziende douanier op pad sturen gewapend met een geladen geweer vonden ze blijkbaar geen probleem.

Wat men van Arnoldus’ overplaatsing had verwacht, is een raadsel.  Indien hij echt een alcohol-probleem had en in Nieuwpoort niet voldeed als brigadier, dan was leiding moeten geven aan de totaal  gedemoraliseerde brigade Poperinge niet de oplossing.  Poperinge werd dan ook geen succes.

Wat er juist fout liep in Poperinge is onbekend, maar het gevolg was dat Arnoldus werd gedegradeerd en men hem als gewone garde wou overplaatsen naar de brigade Veurne (27/06/1759).  Dit ging niet door en het werd de brigade van Pont-Rouge (een gehucht tussen Waasten en Ploegsteert naast de brug over de Leie die de grens met Frankrijk vormde).  Een jaar later volgde een overplaatsing naar Veurne (19/06/1760) en 15 maanden later naar de grenspost van Wulvergem die afhing van het kantoor Komen.  In Wulvergem deed Arnoldus dienst van op 8 oktober 1761 tot 11 mei 1763.

De officieren van Komen beoordeelden Arnoldus iets gunstiger, maar een modelpersoneelslid was hij niet: “le garde Capitaine est un homme deja vieux dans le service, mais sans beaucoup d’experience propre pour un poste fixe ou il est, et l’on n’en peut dire non plus de bien que de mal”. 4

De kritiek op Arnoldus was waarschijnlijk terecht, maar voor zijn gebrekkige motivatie zijn er ver-zachtende omstandigheden.  In de periode 1749 – 1763 bestond de douane in Veurne-Ambacht maar uit een enkelvoudig grenskordon, wat totaal onvoldoende was om de grens met Frankrijk en een stuk kust echt te controleren.  De controleposten waren ook onderbemand en konden makkelijk worden ontweken.  Aan veldwegen was er geen gebrek en mobiele brigades in het achterland waren er nauwelijks.  Slechts zeer geleidelijk werd een dubbel douanenetwerk uitgebouwd, via de aanwerving van nieuw personeel.  De grensbewaking door 30 man in 1749, evolueerde naar 45 man in 1763 en in 1764 uiteindelijk 74 man.

Niet alleen de jarenlange onderbemanning was demotiverend.  Voor douaniers was de situatie aan de Frans – West-Vlaamse grens ook nogal verwarrend in de jaren dat Arnoldus er gestationeerd was.  Natuurlijk bestond hun taak erin om smokkel te voorkomen, maar slechts in één richting.  Om de eigen producenten te beschermen had Frankrijk in 1669 hoge invoertarieven afgekondigd.  Het gevolg was natuurlijk dat de smokkel van vooral tabak en textiel (kousen, linten, tafellinnen, enz.) van de Zuidelijke Nederlanden naar Frankrijk in stijgende lijn ging.  Smokkel die na verloop van tijd door de centrale en regionale overheden van de Zuidelijke Nederlanden niet alleen werd gedoogd, maar zelfs werd gestimuleerd.  In een rapport van de Raad van Financiën uit 1755 lezen we dat “le principal, et pour ainsi dire l’unique commerce d’exportation que nous faisons depuis quelques années avec la France consiste en marchandises qui sont de contrabande”.  Er werd aan toegevoegd dat een achter-uitgang van de smokkelhandel vooral negatieve gevolgen zou hebben voor “nos manufactures de tabac, qui depuis peu d’années ont pris un si grand accroissement”.  Omgekeerd werden ruwe grondstoffen met steun van de Zuid-Nederlandse overheid illegaal vanuit Frankrijk ingevoerd, lees binnengesmokkeld, zonder dat er Franse uitvoertaks werd voor betaald.

Er ontstonden aan beide zijden van de grens dan ook professionele smokkelbendes die zich natuurlijk niet beperkten tot wat de centrale overheid in Brussel officieus toeliet.  Zeker niet toen de politieke autoriteiten in Brussel en Wenen een douanepolitiek begonnen te voeren die erop gericht was om enerzijds de invoer van industriële producten te verminderen en anderzijds probeerde om de export van ruwe grondstoffen te beperken zodat ze in eigen land konden worden verwerkt.  De invoerrechten op buitenlands textiel werden door Brussel verhoogd en op 10 juli 1756 werd het uitvoertarief op niet gekamde wol verviervoudigd tot 12 gulden 10 stuiver per 100 pond.  Vooral de stijging van deze uit-voerrechten was voor smokkelaars een gedroomde kans om zich te verrijken want van oudsher was men in Noord-Frankrijk van de Vlaamse wol afhankelijk.

In de West-Vlaamse grensregio waar Arnoldus als garde patrouilleerde was vooral een zekere Colingris actief.  Schuilnaam voor de uit het Franse leger gedeserteerde Jean-Baptiste Cordonnier, actief.   Zijn eerste sporen als smokkelaar had hij verdiend in 1750, maar in de jaren die volgden groeide hij uit tot een echte bendeleider.  Hij was niet alleen “un dur” maar beweerde ook onkwetsbaar te zijn.  Zijn bendeleden kon hij ook “hard” maken met behulp van magische rituelen uit het toverboek dat hij altijd bij zich droeg.  Zo liet hij nieuwe bendeleden kleine briefjes met magische spreuken door-slikken met een pint brandewijn.  In geval van nood kon Colingris bovendien rekenen op de hulp van de duivel die hem persoonlijk een grote hond cadeau had gedaan.

Colingris’ daden en verhalen creëerden een klimaat van angst, bewondering en sensatie in de streek. Door de lokale clerus werd er in de kerken tegen hem gepreekt en douaniers stuurden alarmerende rapporten naar Brussel.  Dit verhinderde niet dat tal van jongeren als een magneet door zijn zeer charismatische verschijning werden aangetrokken.

Na verschillende gewelddadige incidenten met douaniers beval gevolmachtigd minister Von Cobenzl zijn arrestatie.  Soldaten werden naar de streek gestuurd en juli 1757 zat Colingris veilig opgesloten in de gevangenis van Kortrijk.  Veiligheidshalve werd hij door 10 dragonders overgebracht naar Gent waar hij op 3 maart 1758 met de strop om de hals werd gegeseld, gebrandmerkt en voor dertig jaar verbannen uit de Zuidelijke Nederlanden.

Natuurlijk stoorde hij zich daar niet aan, hij was niet voor niets “un dur”.  In de winter van 1758 zag men hem regelmatig gewapend opduiken in en rond Moeskroen, Rekkem, Lauwe, Doornik, …. Douaniers werden tot in hun eigen huis bedreigd en geïntimideerd.  Door het gewone volk werd hij telkens enthousiast onthaald “qui courait vers lui comme si c’était un dieu, ce qui fait augmenter les troubles et fait ébranler la justice”.  Een jaar later werd hij terug gevat en op 5 juli 1759 opgehangen in Gent, 32 jaar oud.

Op het smokkelen zelf had dit weinig effect.  Daarvoor was het te lucratief.  Niet enkel voor de handelaars en bendeleiders, maar ook voor de gewone begeleiders van een smokkeltransport die daarvoor elk een halve kroon (= 1 gulden 11,5 stuiver) ontvingen.  Ongeveer drie keer het dagloon van een landarbeider 5.

Indien douaniers de wol, de wagens en de paarden in beslag wisten te nemen was het verlies voor smokkelaars en handelaars enorm.  Gezien de belangen die op het spel stonden was geweld dan ook bijna onvermijdelijk indien het tot een treffen kwam tussen douaniers en smokkelaars (40 à 50 man per konvooi was niet ongewoon).  Sommige organisatoren van smokkeltransporten beloofden de begeleiders zelfs dubbel loon indien ze in een gevecht met de douaniers terechtkwamen en er toch in zouden slagen om de wagens naar Frankrijk te loodsen.  Pas toen in 1769 een samenwerkingsakkoord werd getekend tussen de douane van de Zuidelijke Nederlanden en deze van Frankrijk om de smokkel gezamenlijk te bestrijden, wist men het tij wat te keren.



Notes:

  1. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.891 correspondence avec le personnel du département de Ypres januari-oktober 1758, rapport dd. 1 januari 1758 van de hoofdofficieren aan Brussel.
  2. Pas op 1 mei 1758 gaf Brussel toestemming voor Roberts overplaatsing naar Waasten/Warneton.  Gedurende de twee maanden die hieraan vooraf gingen was hij nauwelijks de deur durven uitgaan, laat staan dat hij controles had verricht.
  3. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.891 correspondence avec le personnel du département de Ypres januari-oktober 1758, rapport dd. 20 januari 1758 van de hoofdofficieren aan Brussel.
  4. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.133 rapports et inspections dans les differents bureau 1763, “inspection du département d’Ypres pour l’année 1763”.
  5. DECEULAER Harald, “Magie, geweld en grensoverschrijdende cont(r)acten.  De sociaal-economische, politieke en culturele wereld van de Frans-Vlaamse smokkelaar Colingris (1727-1759).” verschenen in het tijdschrift “De Achttiende Eeuw” jaargang 2005 nr. 1, p. 109-131.