Garde in Oostende

Najaar 1738 werd vader Anthony als brigadier overgeplaatst naar de douanebrigade Turnhout.Arnoldus woonde er (terug?) samen met zijn ouders.  Ondanks Arnoldus’ opleiding tot kleermaker vroeg vader Anthony op 9 november 1740 aan de regie van de douane in Brussel om zijn 22-jarige zoon in dienst te nemen als garde ter versterking van de onderbemande brigade die onder zijn bevel stond.  Arnoldus was al vertrouwd met het werk want “voici pres de huit mois qu’il fait le service de tems en tems avec nous”.  Het extra inkomen zou bovendien meer dan welkom zijn want vader was “un homme chargé de famille” en “le garson pourait me soulager etant en employ”. 1

Het hoofdbestuur ging op het verzoek in.  Arnoldus werd aangeworven.  In tegenstelling tot wat zijn vader had gevraagd werd zijn standplaats echter niet Turnhout of omgeving, maar het verre Oostende. 2

Daar kreeg men op 26 april 1741 de boodschap dat een nieuwe garde op weg was: “le nommé Capitaine, fils du brigadier de Turnhout” à rato van 240 gulden/jaar. 3 4  Anthony had nu wel een mond minder te voeden, maar van een extra inkomen voor het gezin was dus geen sprake.

Op de jonge Arnoldus zal de zee, de grote zeilschepen, de onbekende goederen en producten, de vreemde talen, enz. een overweldigende indruk hebben gemaakt.  Zijn vorige woonplaatsen kon men bezwaarlijk tot de “vensters op de wereld” rekenen.  Arnoldus zal in Oostende straffe verhalen hebben gehoord over stormen, schipbreuken, kaapvaart, walvissen,  zeemonsters, exotische eilanden, enz.

Zelfs wijdverspreide verhalen over Moorse piraten kregen nu een reële betekenis.  Amper een jaar voor Arnoldus’ aankomst in Oostende had het plaatselijk broederschap voor het vrijkopen van christen slaven op 23 april 1740 een bedrag van 1.083 pond Tournois via Duinkerken doorgestort om te “contribueren in de verlossing van Lenart De Wever en Louis Willems, slaeven tot Tanger, zynde beyde geboortig van Oostende”. 5

Arnoldus bleef jaren in Oostende gestationeerd waar alle aandacht van de douane natuurlijk op de haven was gericht.  Gelet op de honderden schepen die elk jaar gecontroleerd dienden te worden was de plaatselijke brigade flink uitgebouwd.  Ze bestond uit: een ontvanger, een controleur, een assistent controleur, een brigadier, negen gardes en een matroos. 6  Na verloop van tijd werd de functie van hulpbrigadier gecreëerd en werden er extra gardes aangeworven voor het “entrepôt”. 7

In tegenstelling tot sommige andere brigades was er in Oostende tussen het lagere personeel geen sprake van verbitterd uitgevochten vetes, afrekeningen of verklikking.  Integendeel.  Verschillende malen bleek het voor de regie in Brussel moeilijk om de ware toedracht te achterhalen over mogelijke fouten of verdachte zaken die men hen had gesignaleerd.  De douaniers gaven elkaar immers rug-dekking en stemden verklaringen op elkaar af.

Afkomst / bestemming schepen 1741 1742 1743 1744 1749 1750
in in In    uit in      uit in      uit in       uit
Baltische staten 1       1 1 3       3 9       2
Duitse staten 1 1 1
Engeland 36 81 105     22 150     78 132     69 114     49
Frankrijk 101 114 147     62 82     53 138     95 107     67
Ierland 5 11 17     10 16      8 3       1
Ijsland 1 1 1 7       6
Italiaanse staten 5 1
Kanaaleilanden 1
Verenigde Provinciën 20 43 64     24 48     43 64     33 56      23
Noorwegen/Denemarken 9 6 10       5 8       3 19       9 16        6
Portugal 3 1 2       1 2       5 1 1
Rusland 1 1
Schotland 2 2 1 1 1
Spanje 23 13 25     12 11     13 39     15 42      20
Zuidelijke Nederlanden 2
Zweden 2       2 5       2 1
Onbekend 15 2 1 12       5
totaal 214 276 375    140 351   216 405    230 354     174

Indicatief overzicht van de scheepsbeweging in de haven van Oostende toen Arnoldus Capitaine er douanier was.   Opgemaakt op basis van scheepsvermeldingen in de “Gazette van Gent”.  Informatie over de visserijvloot, kustvaarders, en binnenschepen ontbreekt.  Ook over de periode van de Franse bezetting ontbreekt informatie. 8

Al waren er natuurlijk ook uitslovers.  Slechts één voorbeeld.  In de nacht van 27 mei 1744 hadden hulpbrigadier Piette en garde Arnoldus Capitaine op de kaai wacht gelopen om te beletten dat vijf schepen die in de haven voor anker lagen hun lading zout onreglementair zouden lossen.  Piette beweerde later dat hij rond 6 uur ’s morgens naar de stad was vertrokken, terwijl Arnoldus op wacht bleef staan.  Toen Piette rond 8 uur terug ter plaatse kwam bleek Arnoldus verdwenen en stonden twee wagens geladen met zout op het punt weg te rijden.  Daar het zout nog niet was aangegeven had Piette de karren tegengehouden.  Hij hield het voor mogelijk dat de karren al een eerdere rit hadden gemaakt en een deel van het zout dus aan tolheffing was ontsnapt.  Gelukkig zag Piette zijn collega garde Lennick op de kaai heen en weer stappen, maar die weigerde ondanks een bevel van Piette in te grijpen want hij was naar eigen zeggen (nog) niet van dienst.  Brigadier Geeraert en garde Peralth (de gardes die Arnoldus hadden afgelost?) waren eveneens spoorloos.  Enige tijd later had Piette gezien dat beiden het huis verlieten van Louis Bernaerts, de eigenaar van het zout.  Het duo beweerde dat ze met de handelaar waren overeengekomen dat hij al mocht beginnen lossen en in de loop van de dag aangifte van de volledige lading diende te komen doen op het bureau.  Dit was volgens Piette niet alleen tegen de reglementen, bovendien twijfelde hij er aan of dit wel de echte afspraak was die met Bernaerts was gemaakt.  Volgens Piette hadden zijn collega’s gewoon een regeling getroffen om in ruil voor wat smeergeld een aantal karren met zout niet te tellen.  Hij rekende er dan ook op dat Brussel gepast zou ingrijpen. 9

Om advies gevraagd was de ontvanger van Oostende van mening dat er slechts twee personeelsleden echt te vertrouwen waren wat hun werk betrof: hulpbrigadier Piette en garde Vandenberghe.  Alle andere, van brigadier tot matroos (dus ook Arnoldus), hielden elkaar de hand boven het hoofd en gingen zich in meer of mindere mate aan alcohol te buiten.

Het was de ontvanger bekend dat de douaniers geld samen legden om tijdens de diensturen drank naar de kaai te laten komen.  Ook werden schippers, handelaars en reders die tot een traktatie bereid waren, al te vaak al te welwillend bejegend.

In zijn repliek vond brigadier Geeraert de bewering dat de brigade van Oostende maar twee betrouw-bare kerels telde kwetsend.  Zeker omdat ze geformuleerd was door iemand zoals de ontvanger die nogal kwistig beledigingen rondstrooide.  Tegen garde “Lennick il a dit que c’est un âne, a Capitaine qu’il n’est le fils d’un honnete homme”. 10  Wat de beschuldigingen van hulpbrigadier Piette betrof, die hielden geen steek.  Waarom zouden brigadier en gardes op 27 mei samenspannen met Bernaert, terwijl ze op 21 mei van dezelfde handelaar een partij zout in beslag hadden genomen die een flinke boete had opgeleverd? 11

Het al dan niet eventueel onreglementair lossen van zout verloor aan belang door het uitbreken van de Oostenrijkse successieoorlog (1744-1748).  Via de haven van Oostende, toen een stadje bevolkt door ca. 1.000 gezinnen, werden vanaf mei 1743 niet minder dan 16.000 Britse soldaten aan land gezet.  Tal van officieren en soldaten waren bovendien vergezeld van vrouw en kinderen.  Het meest bekijks hadden enkele regimenten “berg-Schotten”, natuurlijk “om dat sy allegaeder zonder broecken synde, (en) oock op eene vrende wyse gekleed waeren”. 12

Aanvankelijk bleven de militaire operaties beperkt tot het grondgebied van Duitsland en Oostenrijk waar de troepen van keizerin Maria-Theresia belegerd werden door de Fransen.  Vanaf maart 1744 waren ook de Zuidelijke Nederlanden (terug) oorlogsgebied waarbij de troepen van Lodewijk XV in april op korte tijd Menen, Ieper, Veurne en het fort van Knokke veroverden.  Nieuwpoort en Oostende kregen een jaar respijt door de aanvoer van nieuwe Oostenrijkse troepen en het onder water zetten van een aantal polders.  Ook extra Britse troepen werden opnieuw via de haven van Oostende aan wal gezet.  Een gebrek aan instructies gaf aanleiding tot problemen met de douane.

Maart – april 1745 waren Arnoldus Capitaine en zijn collega’s bij een aantal incidenten betrokken toen Britse troepen na hun ontscheping weigerden zich te laten controleren op de invoer van goederen.

Laat staan dat ze van plan waren om daar invoerrechten voor te betalen.  Door het ingrijpen van enkele officieren was men er in geslaagd echt geweld te voorkomen, maar vanuit Oostende vroeg men aan Brussel herhaaldelijk dringende instructies.  Wat was het statuut van die Britse troepen?  Mochten ze gecontroleerd worden?  Voor welke goederen en hoeveelheden waren ze als bondgenoten eventueel vrijgesteld van invoerbelasting?  Hoe zat het met hun familieleden of bedienden? 13

We weten niet of Brussel met antwoorden kwam en instructies uitvaardigde, maar al snel deed het er niet meer toe.  Na de door de Fransen gewonnen veldslag te Fontenoy (11/05/1745) en de snelle verovering van Doornik, Gent (11/07/1745), Oudenaarde (21/07/1745) en Brugge (7/08/1745) werd gestart met het beleg van Oostende.  Op 9 augustus 1745 was de omsingeling een feit.  De eerste weken werd er wat heen en weer gevuurd zonder noemenswaardige schade aan te richten.  Op 17 augustus stelden de Fransen zwaar geschut op in het Zuid-Westen van de stad.  Vier dagen later ook in het Noord-Oosten.  De bombardementen van deze batterijen waren wel verwoestend.  In de nacht van 22 – 23 augustus 1745 wisten de Fransen een doorbraak te forceren en was de stad verloren. 14

De val van de stad had onmiddellijke gevolgen voor het loonzakje van garde Arnoldus Capitaine.  Tot juli had hij elke maand 20 gulden loon ontvangen, in augustus 1745 ontving hij slechts 14 gulden 16 stuivers 9 duiten. 15  Net zoals voor zijn collega’s het geval was, had de val van de stad en dus het verdwijnen van het Habsburgse bewind, automatisch tot gevolg dat op 23 augustus een einde kwam aan Arnoldus’ dienstverband.  Wat de nieuwe machthebbers met de douaniers van plan waren, diende men af te wachten.

Deze periode van financiële onzekerheid kwam voor Arnoldus zeer ongelegen.  Een maand voor de val van de stad was hij als 27-jarige te Oostende gehuwd met Marianna WILLEMS (°Oostende 1725, +Zeveneken 6/04/1802), dochter van Jozef WILLEMS (°1696, +voor 1745) en Joanna Francisca BOERBOOM (°Oostende 1699, +Oostende 25/07/1776). 16  De juiste datum van het huwelijk is onbekend want de oudste parochieregisters van Oostende gingen verloren.

foto 1

Plan des attaques d’Ostende an 1745”  Links de loopgrachten, rechts enkele batterijen geschut.

Gelukkig bleef hun huwelijkscontract, opgemaakt om te “verhoeden alle desputen”, wel bewaard. 17 Voor de Oostendse notaris Philippe Rijcx werd op 3 juli 1745 tussen “Arnoldus Capitaine comis van haere majesteyts uytgaende ende incommende reghten binnen dese stadt geboortigh van Loven fs Anthone” en zijn aanstaande overeengekomen dat ze “tot onderstande van den aenstaenden huywelycke t’samen sullen brengen alle henlieden goederen, hebbende ende toecomende, geene gesondert nogh gereserveert”.  Indien één van hen kwam te overlijden, zou de langstlevende partner steeds “genieten alle syne ofte haere cleederen, lynnen, wullen, ende juweelen t’synen ofte t’haeren hoofde, haere lyfve ende lichaeme dienende, met coutse ende bedde gestoffeert”.  In ruil voor de roerende goederen kon ook een som van 300 gulden worden opgeëist.

Daarnaast zou de langstlevende partner voorafgaand aan de erfenisverdeling met de eventuele kinderen een voorafname kunnen laten gelden op het sterfhuis van “eene duyst guldens”.  Dit waren zeer aanzienlijke sommen gezien Arnoldus als garde slechts een jaarinkomen genoot van 240 gulden. Waarschijnlijk was het huwelijkscontract dan ook bedoeld om de belangen van de bruid veilig te stellen.  Haar moeder, die reeds weduwe was, bezat immers een herberg in Oostende.

 

foto 2

 Handtekeningen Arnoldus Capitaine en Marie Anna Willems onder hun huwelijkscontract dd. 3 juli 1745.

Op 1 oktober 1745 werd door de Franse “opperintendant” van de veroverde gebieden ook in Oostende een nieuw bestuur geïnstalleerd.  Alhoewel, nieuw?  Wie ook de touwtjes in handen had, elk regime had inkomsten nodig en Oostende bleef een drukke havenstad.  Het was dus in ieders belang om de stad bestuurlijk zo stabiel als mogelijk te houden.  Zowel de burgemeester, de schepenen, de griffiers, als de postmeester werden dan ook in hun functie bevestigd, mits het afleggen van een eed van trouw aan de Franse koning.  Enkel “den heer ontfanger Bossaert zyne plaets weygerende, wierd (door) zekeren Franschman met naem Du Croquet als ontfanger van ‘s Konings inkomende en uytgaende regten” vervangen. 18  Voor de rest bleef bij de douane alles ongewijzigd.  Alleen kwamen de geïnde bedragen voortaan in de Franse schatkist terecht.

Ook Arnoldus werd als garde door de Fransen gehandhaafd tot deze de stad op 5 februari 1749 verlieten.  Jammer voor ons namen ze toen ook hun archieven en administratieve stukken mee. 19

Na het vertrek van de Fransen kwam de Oostendse brigade terug onder het gezag van de Habsburgs gezinde regie in Brussel die evenmin van plan was om gewone douaniers zoals Arnoldus te ontslaan. Als gevolg van de nieuwe organisatiestructuur en regelgeving binnen de douane werd Arnoldus voor-taan wel regelmatig overgeplaatst.  Net zoals voor andere douaniers het geval was.

Na Oostende deed hij korte tijd dienst in “Etterghem” (waarschijnlijk Ettelgem, nu een deelgemeente van het West-Vlaamse Oudenburg), Diksmuide, Merkem (nu deelgemeente van Houtem) en Lombardsijde om uiteindelijk terug in Oostende te belanden. 20 21  Het valt niet uit te sluiten dat Arnoldus’ echtgenote ervoor koos om met hun enig kind, de in 1746 geboren Franciscus Arnoldus Capitaine, bij haar moeder (een herbergierster) in Oostende te blijven wonen.  Verhuizingen kostten immers geld en de opeenvolgende standplaatsen waren toch maar tijdelijk.

Een inspectierapport, juni 1751 opgemaakt door zijn lokale oversten, meldt dat Arnoldus 33 jaar oud was, geboren in Leuven, gehuwd en vader van 1 kind.  Hij was 12 jaar in dienst 22 en sprak zowel Frans als “Vlaemsch”.  Tweetaligheid was trouwens algemeen in de brigade Oostende.  Slechts één van de 15 personeelsleden sprak enkel Frans. 23

Tot eind september 1751 bleef Arnoldus in Oostende garde à rato van 240 gulden/jaar. 24  Daarna werd hij bevorderd en overgeplaatst naar de “brigade sedentaire” van Brugge waar hij tot half maart 1753 de enige hulpbrigadier was.  Zijn bevordering was goed voor een kleine loonsverhoging.  Voortaan verdiende hij 260 gulden/jaar.  De 15 gewone gardes in Brugge ontvingen 240 gulden. 25 26



Notes:

  1. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.860, correspondence avec le personnel de Turnhout.
  2. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.130, inspections effectués dans les diff. Bureaux et le signalement des employés 1758-1762, rapport dd. 21/05/1758 departement Nieuwpoort.
  3. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.745 correspondance du conseil avec le département Ostende 1741-1744, brief 26/04/1741.
  4. Bij het uitbreken van Wereldoorlog II ging het overgrote deel van het archief van Oostende verloren.  Enkel de notarisarchieven en een aantal her en der verspreide stukken bleven bewaard.  Ongetwijfeld bevat het archief van de kasselrij van het Brugse vrije nog veel nuttige informatie.  Een groot deel van dit archief is echter nog niet geïnventariseerd.  Dit is onder andere het geval voor de procesbundels voor de periode 1400-1795 (goed voor 242 strekkende meter).
  5. RAG, Raad van Vlaanderen, nr. 31.489 fundaties van de broederschappen voor de vrijkoping der gevangenen1771-1773, overzicht van de werkzaamheden van de Oostendse fundatie sinds haar oprichting in 1644.
  6. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.745 correspondance du conseil avec le département Ostende 1741-1744, loonstaten juli 1742, januari – december 1743, januari – december 1744.
  7. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.746 correspondance du conseil avec le département Ostende 1745-1750, loonstaten januari – augustus 1745.
  8. PARMENTIER Jan, “De maritieme handel en visserij in Oostende tijdens de achttiende eeuw: een prosopo-grafische analyse van de internationale Oostendse handelswereld, 1700-1794.”, onuitgegeven doctoraatsthesis Universiteit Gent, 2001.
  9. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.745 correspondance du conseil avec le département Ostende 1741-1744, rapport van hulpbrigadier Piette dd. 30/05/1744.
  10. Een beschuldiging die correct was want vader Anhony Capitaine was als ontvanger in Arendonk ontslagen wegens “creatief” boekhouden.
  11. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.745 correspondance du conseil avec le département Ostende 1741-1744, verweerschrift van brigadier Geeraert dd. 13/06/1744.
  12. RABAU Werner, “Voor koningin geboren.  Oostende, duizendjarig boegbeeld van maritiem Vlaanderen.” , uitgeverij J. M. P. Trends bvba, 2000.
  13. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.746 correspondance du conseil avec le département Ostende 1745-1750, brieven maart – april 1745.
  14. SERRUYS Michael, “Oostende en de Oostendse compagnie: het economisch effect van koloniale zeehandel op een Zuid-Nederlandse haven tijdens de Spaanse en Oostenrijkse successieoorlog.”, Leuven 1999.
  15. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.746 correspondance du conseil avec le département Ostende 1745-1750, loonstaten januari – augustus 1745.
  16. Het echtpaar Willems – Boereboom was in 1723 te Oostende gehuwd.
  17. RAB, oud notariaat, depot Van Caillie, archief Philippe Rijck notaris te Oostende, nr. 36 akte 78dd. 3/07/1745.
  18. BOWERS Jacobus, “Nauwkeurige beschryving der oude en beroemde zeestad Oostende gelegen in Oostenryksch Vlaenderen.”, Brugge 1792.
  19. In het archief van de Raad van Financiën ontbreken de loonstaten voor het departement Oostende vanaf september 1745 tot en met december 1748.  Logisch want de stad was toen in Franse handen.  Dat Arnoldus in dienst bleef als douanier blijkt uit latere personeelsdossiers over zijn dienstanciënniteit.  Arnoldus’ “Franse jaren” worden daarbij nooit ter discussie gesteld en gewoon meegerekend.
  20. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.115, signalement des employés 1757, personeelsregister opgemaakt voor juli 1758, p. 113 en 126.
  21. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.130, inspectieverslagen diverse douanedepartementen, 1758-1762, rapport 21/05/1758.
  22. Zowel de assistentie die hij zijn vader in de brigade Turnhout had verleent, als de jaren dat Arnoldus onder het Franse bewind te Oostende had gewerkt, werden dus meegerekend bij het bepalen van zijn anciënniteit.
  23. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.746 correspondance du conseil avec le département Ostende 1745-1750, loonstaat met uitleg over de personeelsleden juli 1751.
  24. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.746 correspondance du conseil avec le département Ostende 1745-1750, loonstaten januari – december 1749, loonstaten januari, maart juni 1750, loonstaten juli – december 1751.
  25. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.438 correspondance du conseil avec le département Bruges 1752.
  26. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.439 correspondance du conseil avec le département Bruges 1753-1755, een A. Capitaine volgens loonstaten januari en februari 1753 “sousbrigadier” te Brugge.