Oostende eindelijk stabiliteit

Afgewezen door de douane zal Franciscus in Zeveneken waar hij bij zijn moeder inwoonde werk hebben gezocht.  Iets wat zo goed als onmogelijk was.  Het was een klein dorp waar hoofdzakelijk aan landbouw werd gedaan, aangevuld met wat thuisnijverheid zoals spinnen en weven.  Franciscus had echter geen enkele nuttige beroepservaring, kwam uit de gevangenis, was een buitenstaander in de gemeente en bezat geen financiële middelen.  Al snel verliet hij dan ook de gemeente en trok naar Oostende.  Mogelijk “a la recherche du temps perdu” want hij vond er zijn grootmoeder Joanna Boerboom terug die kort daarna op 25 juli 1776 overleed, ca. 77 jaar oud.  Of en in welke mate de verstandverhouding met zijn stiefvader, die maar 13 jaar ouder was, een rol heeft gespeeld in Franciscus’ vertrek uit Zeveneken is onbekend.

In 1778 huwde de 33-jarige Franciscus Arnoldus Capitaine te Oostende met de Maria Theresia VAN THUYNE (°Oostende 23/01/1757, +Mesen 23/09/1828). 1  Zij was de 21-jarige dochter van Philippe Van Thuyne en van Petronella Rosset (+Oostende 1781). 2  Een huwelijkscontract werd niet terug-gevonden en werd waarschijnlijk ook niet opgemaakt. 3  Een jaar later werd hun eerste kind geboren.

Hoe Franciscus de eerste jaren in Oostende de kost verdiende is onbekend bij gebrek aan bronnen. Het vinden van werk zal echter geen probleem zijn geweest want haven en stad hadden de wind in de zeilen.  Een gevolg van de onafhankelijkheidsverklaring op 4 juli 1776 van de tot dan Engelse kolonies in Noord-Amerika.  De oorlog met moederland Groot-Brittanië die volgde was snel uitge-groeid tot een internationaal conflict toen de drie andere Europese zeemogendheden de kant kozen van de Amerikanen: Frankrijk in 1777, Spanje in 1778 en de Republiek der Verenigde Provinciën in 1780.

Gevolg was dat van Friesland tot Gibraltar de Europese havens voor de Britten gesloten werden.  De enige uitzondering was het stukje kust van de Zuidelijke Nederlanden.  Oostende (en in mindere mate Nieuwpoort) was voor de Britten dan ook de enige mogelijkheid om contact te houden met het Europese continent.  Keizer Jozef II speelde daar op in door Oostende in juni 1781 het statuut van vrijhaven toe te kennen waar geen douanerechten verschuldigd waren.  Door gebruik te maken van neutrale Zuid-Nederlandse stromannen kon bovendien de handel tussen enerzijds de Britse én ander-zijds de Franse en Nederlandse handelaars ongehinderd doorgaan.

Het resultaat was spectaculair: de Oostendse haventrafiek vervijfvoudigde. 4  Her en der werden pak-huizen bijgebouwd om de goederen op te slaan.  De keizer stond toe dat er een tweede havenbassin met stenen kaaimuren werd aangelegd.  Tijdens deze gouden jaren was in Oostende van werkloosheid dan ook geen sprake.

jaar inkomende schepen jaar inkomende schepen jaar inkomende schepen
1776 526 1779 1.037 1782 2.626
1777 529 1780 1.560 1783 1.694
1778 644 1781 2.941 1784-1785 2.015

In 1772 telde Oostende ongeveer 92 herbergen.  Dit betekende dat in ongeveer één wonig op de tien er alcohol werd geschonken.  Tijdens de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog steeg het aantal herbergen zelfs tot boven de 120.  Ook waren er in 1787 niet minder dan 55 adressen waar clandestien drank werd geschonken.

Ook Franciscus laafde indirect de dorstigen want samen met drie andere personen 5 was hij voor 2/5 mede-eigenaar van een “huyse met synne erfve ende toebehoorten daer medegaende gestaen ende geleegen binnen dese stadt (Oostende) in de Kaeystraete”, “wesende eene herberghe genaemt De Stadt Rotterdam”. 6  De andere 3/5 van de eigendomstitel waren in handen van “Joannes Cousyn, zeylmaecker binnen dese stadt”. 7  Waarschijnlijk betrof het de herberg die vroeger door zijn groot-moeder werd opengehouden.  Hoe haar erfenis juist was verdeeld kon niet achterhaald worden.

Wel weten we dat er onenigheid ontstond tussen de eigenaars van de herberg.  De vier minderheids- eigenaars waaronder Franciscus lieten op 20 maart 1782 registreren dat het “mondelinghe consent” waardoor Cousyn namens hen de herberg verhuurde, niet langer van kracht was.  “Pieter Lams pachter ende gebruycker van den voorschreeven huyse ende herberghe” kreeg te horen dat hij het deel van de huur bestemd voor de minderheidseigenaars niet langer via Cousyn mocht betalen. 8

 

FOTO 1Handtekening Franciscus Arnoldus Capitaine 20 maart 1782

In 1784 woonde het gezin Capitaine – Van Thuyne in de Oostendse “Kerremelckstraete”, de huidige Christinastraat. 9  Samen met de buren zullen ze waarschijnlijk gefascineerd omhoog gekeken hebben toen op 8 februari 1784 de eerste montgolfière-luchtballon boven Oostende werd opgelaten.

Het is onbekend of het echtpaar huurder of eigenaar was van de woning in de “Kerremelckstraete”. Wel weten we dat ze er herberg hielden.  Waarschijnlijk was het een zeer volks café waar klanten soms geen maat wisten te houden.

Zeker “Philips Joohmans, ressortmaker voor horloges” zou het op 6 september 1784 nogal bont maken. 10  Die dag was “Gerard Bruynseraede luitenant-bailliu dezer stede ende port van Oostende (…) ontrent den twee uren en half s’naermiddaghs (…) aen zyne deure staende (toen hij) bespeurde dat er eenige disputen ende moeyelyckheden waren ten huyse van Francis Capteyn, herbergier ende briefdrager alhier.”  Hij was erop af gegaan “ende aldaer commende, heeft gezien dat er eenen jongeling (= Joohmans) gans bebloed met alle force ende gewelt inden zelven huyse wilde binnen wesen, ten dien eynde gedeurig met zyne bebloede vuysten op deure ende vensters slaende.

Bruynseraede was “in den zelven huse binnen getreden (…) tot ondersoeken d’oorzake der troubelen”.

Hij had “vande moeder ende huysvrauwe vanden gezeyden Capteyn vernomen als dat den zelven jongeling van hun drank geweigert zynde, hy de glaesen die op tafel stonden in stukken hadde geslaegen, met meer andere faitlykheden reden waer door hy zoo zeer gequets was ende bebloed, ende tot verhoeden voordere moeyelykheden by hun met assistentie aen de deure was gestelt”.  Waarna Bruynseraede “als verplight uyt hoofde zynder officie heeft getraght den meermaels genoemden jongeling met alle goede redenen van daer af te keeren, hem ordonnerende de zelve plaetse ende huys te verlaeten, ende hem te begeven naer zyn logiment.

Tevergeefs, want “niet willende luysteren is hy den genomden huyse (toch) binnne getreden altyd voortsgaende in zyne collere slaende op tafels, stoelen, & als eenen verwoeden ende verlatenen mensch.  Tot in zoo verre dat den (luitentant-baljuw) tot voorcommen swaere toevallen (gemerkt dhuysvrauwe van dito Capteyn groot swanger was) genootsaekt heeft geweest den zelven Joohmans) te dreygen met byaldien hy zigh niet en vertrok (hem) te zullen geleyden naer het gevangenhuys, hem ten dien eynde vast nemende.”  Het was olie op het vuur want “verre van zig te retireren” had Joohmans “different swaere stooten opde borst (…) toegebraght” aan de ordehandhaver.  Om zich te verdedigen was deze “geobligeert geweest d’omstaenden tot assistentie te vragen.

Joohmans “aenmerkende ende ziende dat zekeren Michiel Ketels hem begon vast te houden (zich) seffens heeft laeten ter aerde vallen hem houdende al of hy doodt zoude hebben geweest.  Maer een corte wyle tydts daer naer zigh beginnnde te verroeren heeft, aen den voornoemden Ketels eene bete gegeven (heeft) in zyn been.  (Waarop) eenige omstaenders (Joohmans) met alle gewelt ten versoeke van den onderschreven (= de luitenant-baljuw) tot voorcommen nogh swaerdere gevallen uyt den huyse getrokken.  Maer nauwelikx buyten zynde heeft (Joohmans zich) wederom als doodt ter aerden laeten vallen”.

Het was duidelijk dat “het een stuk werk zonder eynde zoude hebben geweest (gelet op de) menigte der omstaenders die gedeurig meer ende meer aengroeyden.  (Daarom besloot de luitenant-baljuw) den levenden dooden op eenen cordewagen (= kruiwagen) doen leggen ende hem met hulpe van eenige der omstaenders alzoo in het gevangenhuys te brengen.  Maer te vergeefs, want nauwlykx op den waegen liggende (wist Joohmans) spoedigh den vlught te nemen.  Dogh door eenige aenschauwers aghter-volgt ende aengehouden zynde heeft hy zigh al wederom over doodt laten ter aerde vallen.

De luitenant-baljuw had het “geraedigh gevonden (…) Jan De Guy stadts officier die daer ontrent was gecommen te senden tot synder assistentie omme de militaire waght.  In welken tusschen tydt den onderschreven den geveynsden dooden den voet opden rugge stellende opdat hy niet en zoude hebben ontsnapt”.

Joohmans wist niet van ophouden en “andermael erlevende, het linkerbeen vanden onderschreven vast grypende (had hij) met eene excessive collere zwaerlyk tot den loopenden bloede (erin) gebeten tot zoo verre d’omstaenders het zelve been met alle gewelt uyt zyne handen ende mond hebben moeten rukken.  Men kreeg de situatie pas onder controle bij de “aenkomste der militairen waght”.  Met vereende krachten had men Joohmans “in eenne waegen der smuggelaers daer ontrent staende” gelegd, waarna men geholpen door militairen met “groote moeyte (Joohmans) in het gevangenhuys deser stadt heeft beweegt”.  Terug nuchter bleek dat Joohmans geen kwade intenties had gehad ten opzichte van het echtpaar Capitaine – Van Thuyne en alles “zeer apparent door den drank, waeraen hy ongewoon is, moet gebeurt zyn”. 11

De luitenant-baljuw had in zijn rapport vermeld dat “dhuysvrauwe van dito Capteyn groot swanger was”.  Dat had hij goed gezien want een maand later (16/10/1784) beviel ze van een tweeling. Mogelijk prematuur want de twee meisjes overleden enkele dagen na de geboorte.

De openbare dronkenschap van Joohmans was natuurlijk laakbaar, maar verkoop van alcohol kon men moeilijk verbieden.  Niemand die dat trouwens overwoog want de belastingen “ende accynsen op de wynen, liqueren ende alle andere stercke drancken geconsommeert ende gesleten” vormden de grootste bron van inkomsten voor de stad Oostende.  Burgers betaalden “vier stuyvers par stoop wyn”. Van die 4 stuivers waren er 2 voor de stadskas en 2 voor de aanleg en het onderhoud van de steenweg naar Wijnendale.  “Par stoop op den genevre, brandewyn, liqueren ende andere stercke drancken” betaalden ze 6 stuivers.  Hiervan vloeiden er 2 naar de stadskas en 4 naar de aanleg en het onderhoud van de steenweg naar Wijnendale.

FOTO 2

De inkomsten voor de stad Oostende uit de belasting op alcoholische dranken voor de periode 1/10/1785 – 30/09/1786.

Als herbergier betaalde Franciscus gevoelig meer: “zeven stuyvers par stoop wyn”, “thien stuyvers par stoop reynschen, moesel, spaensche ende andere vremde wynen” en “achtthien stuyvers par stoop op den genevre, brandewyn, liqueren ende andere stercke drancken”  Van die 18 stuivers waren er 14 “in stadsproffyte” en 4 bedoeld voor de steenweg naar Wijnendale. 12  Natuurlijk werd dit aan de klanten doorgerekend die zich bij elk glas konden troosten met de gedachte dat hoe meer ze dronken, hoe meer dit ten goede kwam aan de gemeenschap.

Omdat bij een herbergier alle soorten mensen over de vloer kwamen, zat Franciscus op de eerste rij om tekenen van ongenoegen, oproer of rebellie te registreren en gebeurlijk een graantje mee te pikken op kosten van het stadsbestuur.  Dit was onder andere het geval in de nasleep van de Brabantse Omwenteling (1789 – 1790).

Bij het uitbreken van deze oproer tegen het progressief en verlicht beleid van Keizer Jozef II hadden ook in Oostende reactionaire “patriotten” de macht overgenomen.  Nadat op 3 december 1790 Brussel, het hart van de opstand, terug in keizerlijke handen kwam, kozen in Oostende de rebellen eieren voor hun geld en verlieten in de weken die volgden de stad.  Een korte periode van machtsvacuüm gaf aanleiding tot onlusten.  Om deze te bedaren werden ook herbergiers ingeschakeld die gouden zaken deden.

Over de gebeurtenissen ontving de fiscaal van de Raad van Vlaanderen een rapport. 13  De Oostendse stadsontvanger wist te melden dat “soo haest de troupen der patriotten de stad hadden geevacueert, een groot nomber visschers ende met hun gevoegt een deel van het grauw, hebben begonst langs de stad te loopen ende te bedryven verscheyde geweldenaeryen ende excessen”.  Enkel Pieter Ocket, deken van de vissers, en Jacobus De Clercq, oud deken van de beenhouwers, hadden enige greep op de massa gehad.  Ondanks hun ingrijpen waren de buitensporigheden “niet gecesseert alsoock niet de afpersingen van gheldt die sy visschers en voorder grauw van verscheyde braeve borgers hebben gepleegt”.  Uiteindelijk had de burgemeester een soort tournée generale gegeven om de stemming te ontmijnen.  Enkele dagen nadat de rust was teruggekeerd, werd de stadsontvanger geconfronteerd met het resultaat van het crisisbeleid van de burgemeester: “de rekeninge der herbergiers alwaer de theere geschiet” bedroeg niet minder dan 1.600 gulden Brabants.  Vooraleer te betalen vroeg de ontvanger advies aan de hogere overheid.  Hij wou een duidelijke machtiging om te vermijden dat men hem vroeg of laat ter verantwoording zou roepen voor slecht beheer van overheidsmiddelen.  Zelf vond hij het in elk geval een onverantwoorde uitgave die in geen geval ten laste van de stadskas kon vallen.

Het stadsbestuur verdedigde zich met een schrijven van 9 februari 1791.  Volgens hen ging het om feestuitgaven in het kader van de “vreugteekens ter ontruyminge der oproerige troepen ende de in-komste der gone van onsen genaedigen ende wettigen souvereyn”.  De ruime traktaties waren nood-zakelijk geweest om “het gewoel met soetigheyde te stillen”, “waer door wy voorkomen hebben menigvuldige rampen, selfs doodslaegen”.  Alles wijst er op dat de hogere overheid deze redenering is gevolgd en de verschillende herbergiers (dus mogelijk ook Franciscus Capitaine) voor de uitgeschonken alcohol werden vergoed.

Al snel kreeg het Oostends stadsbestuur af te rekenen met een nieuw soort onrust.  In 1789 was in Frankrijk de revolutie uitgebroken en men hoefde geen specialist in internationale politiek te zijn om te beseffen dat dit ook in onze gewesten de gemoederen zou beroeren.  In een stad zoals Oostende volstond het om zijn oor te luisteren te leggen in de haven of de gesprekken in de herbergen te volgen.

Na wat schermutselingen in de stad werden op 26 juli 1791 de scheepskapiteins “sous pavillon dit national francais” naar het stadhuis gesommeerd waar hen werd duidelijk gemaakt “que nous ne pouvons tolerer le port des cocardes ou autre marques de distinction national” als hun bemanningen aan wal kwamen “a fin de ne pas les exposer a des insultes ou propots de la part de notre peuple”.

Niet echt onder de indruk gaven ze als antwoord dat de Franse consul hen had opgedragen om de tricolore kokardes te dragen. 14  Of die consul ook een rol had gespeeld in de opstootjes die zich augustus 1791 in Oostende (maar ook in andere steden) hadden voorgedaan is onbekend, maar het was voor de plaatselijke autoriteien zeker dat de “samenrottingen veroorsaekt waeren geworden door het uytdeelen van gelt ende het hauden van provigile discoursen”. 15  De bevolking werd inderdaad over-spoeld met informatie pro of contra het nieuwe bewind in Frankrijk.

Zich van geen kwaad bewust droeg ook Franciscus bij tot de onrust in de Oostende.  Hij was immers niet enkel herbergier.  Minimaal sinds 1784, mogelijk reeds eerder, genoot hij ook een vast inkomen als “briefdrager”. 16  Een betrekking die hij twee decennia wist te behouden.

Toen hij als “porteur de lettres” in dienst trad (voor september 1784) ging het niet om een overheids-betrekking.  Sinds eeuwen was het postwezen in de Zuidelijke Nederlanden in handen van de familie Thurn und Taxis waarbij de dienstverlening beperkt bleef tot de steden en enkele tussenstops langs de belangrijkste steenwegen. 17  Dit alles gebeurde met opvallend weinig personeel. Het grondgebied van huidige België, aangevuld met het hertogdom Luxemburg, het hertogdom Gelderland, de regio Doornik en het markizaat Bergen-op-Zoom werden bediend door slechts 215 personeelsleden. In Oostende ging het om 1 directeur, 1 “commis effectief”, 1 “commis surnumeraire” (= boventallig), 1 “tenant-poste” en 2 “porteurs de lettres” waar Franciscus Arnoldus Capitaine er één van was. 18

FOTO 3

Fürst Thurn und Taxis Zentralarchiv, Postakten nr. 5.256: overzicht postpersoneel Oostende op 1 oktober 1786.  Franciscus Arnoldus Capitaine is één van de “porteurs de lettres”.

Als brievenbesteller was hij een kleine schakel in de verspreiding van opruiende traktaten, al zal hij zich van geen kwaad bewust zijn geweest.  In december 1791 hadden verschillende Oostendse notabelen ongevraagd een manifest via de post ontvangen waarin vanuit Frankrijk de “Natie der Hollandsche ende Belgische Provintiën” werd opgeroepen om het juk af te werpen van alle “tyrannen, bekend onder den naem van Keysers, Koningen, Princen, Hertogen, Graven, Stathouders ende soo voors, de welke met hunne medehelpers, bekend onder den naem van Gouvernement, Ministers, Raeden, Magistraeten, Fiscaele, etc. ons alle vervolden ende verdukten”. 19  De postdiensten in het land werden dan ook herhaaldelijk door de regering in Brussel gewaarschuwd voor “pacquets suspects qui viennent de la France”. 20

De boodschap van “Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap” uit de traktaten werd tegengesproken door de verhalen van de vele vluchtelingen die dag na dag via de Oostendse haven het land binnen kwamen. Zeker was dat vooral de godsdienst, en in elk geval de clerus, het zwaar te verduren had.  Een “liste des prêtres Français qui ont passé par la ville et port d’Ostende a qui ont été délivré des passeports” spreekt boekdelen. 21

Op 8 september 1792 ontscheepten er 27, de dag erna 37, de 10de september 44, enz.  Voor de periode 8 september – 2 oktober 1792 ging het om niet minder dan 619 priesters, kapelaans, paters en abten. Onder hen ook kardinaal-aartsbisschop dela Rochefaucault van Rouen en de bisschoppen van Clermont en Conserans.  Ook de vele honderden niet geregistreerde vluchtelingen: vrouwelijke religieuzen, leden van adellijke families, gegoede burgers, enz, brachten dag na dag nieuwe gruwel-verhalen over de “sanscullotten” in omloop.  Verhalen waar Franciscus niet van wakker zal hebben gelegen want wat had hij gemeenschappelijk met die gegoede klasse?

Misschien stond hij wel te kijken op de Grote Markt toen op 17 november 1792, twee dagen nadat Oostende door 2.000 Franse troepen was ingenomen, een vrijheidsboom werd geplant getooid met de revolutionaire “frygische muts”.  Deze eerste bevrijding/bezetting was van korte duur en op 30 maart 1793 werden de Fransen uit Oostende verdreven en afgelost door Engelse troepen die met grote luister werden ontvangen.  Juli 1794 waren de Fransen terug, deze keer “definitief” en met niet minder dan 15.000 man.  Een indrukwekkend aantal waarvan er waarschijnlijk verschillende terecht kwamen in Franciscus’ herberg.

Het nieuwe Franse bewind maakte voor het volledige grondgebied een einde aan de private post-uitbating door de familie Thurn und Taxis.  Het postwezen was voortaan een administratie geleid door de centrale overheid.  Het gros van het postpersoneel werd gewoon overgenomen en trad in dienst van de overheid.  Dit was ook in Oostende het geval waardoor er voor Franciscus geen negatieve gevolgen waren.  Nog jarenlang bleef hij brieven ronddragen.

Een bevolkingsregister van Oostende afgesloten dd. 23 nivôse jaar V (= 12 januari 1797) vermeldt als gezinshoofd van huis 1120, sectie 11 “quartier d’Espagne” (= de Kazernewijk in het noord-oosten van de stad) 22: “F. Capiteyn, 50j, porteur de lettres”.  De andere leden van het gezin waren “Jeanne Vontunne, 38j, épouse” (een zeer fonetische weergave van de familienaam Van Thuyne), “Jacq. Capiteyn, 17j, cordonnier” en “Belle Capiteyn, 16j, fille”.  Alle waren in Oostende geboren.  Het jongste kind, onze voorouder Franciscus Arnoldus Capitaine (junior), maakte toen geen deel meer uit van het gezin. 23  Sinds 1795 woonde die bij zijn grootmoeder Marianna Willems in het Oost-Vlaamse Zeveneken. 24   Mogelijk om het gezin financieel wat te ontlasten.

In 1798 woonde het gezin Capitaine – Van Thuyne in de Sint-Niklaasstraat te Oostende.  Een straat rond 1810 die ook bekend als “Posthuysstraatje” of “Petite rue de la poste” naar de post die gevestigd was in een 18de eeuwse woning in de Langestraat.

FOTO 4

Manifest met een oproep om het Franse voorbeeld te volgen dat december 1791 in Oostende werd verspreid.

Naar aanleiding van het huwelijk van zijn oudste zoon op 29 juni 1800 staat Franciscus nog steeds vermeld als “distributeur des lettres”.  Ook in 1802 woonde het gezin nog in Oostende en was Franciscus “porteur de lettres”. 25  Mei 1809 had men het over hem als “ancien facteur de la poste aux lettres”.  Het echtpaar woonde toen nog steeds te Oostende

In de bevolkingstelling van 1814 en later werd het gezin niet meer teruggevonden.  Het echtpaar Capitaine – Van Thuyne was immers tussen november 1809 en 1814 geplaatst in het Koninklijk Gesticht van Mesen.  Een rusthuis voor gepensioneerd verarmd overheidspersoneel waar Franciscus als postbediende een beroep op kon doen.  De kosten vielen ten laste van het armenbestuur van Oostende.

Het echtpaar overleed in het Koninklijk Gesticht van Mesen in 1828 met een interval van drie maanden.  Franciscus op 2 juni, 82 jaar oud, zijn echtgenote op 23 september, 71 jaar oud. 26 27  Hun overlijdensakten werden opgemaakt door de burgerlijke stand van Mesen die een kopie doorstuurde naar Oostende waar de overlijdens enkele weken later ook werden geregistreerd.



Notes:

  1. RAB, tienjaarlijkse tafels Oostende, de registers zelf werden vernietigd in Wereldoorlog II.
  2. RAB, burgerlijke stand Mesen, 1828, microfilm 1144926, overlijdensakte 77.
  3. Nagenoeg het volledige stedelijke archief van Oostende ging verloren tijdens een bombardement in de nacht van 27 – 28 mei 1940 waardoor stadhuis en bibliotheek in de vlammen opgingen.
  4. HASQUIN Hervé, “Joseph II.  Catholique anticlerical et réformateur impatient.”, Editions racines, Bruxelles 2007.
  5. Het ging om “Mary Duysburgh, huysvrauwe van Thomas Willems”, “Lodewycke Salle” en “weduwe Melis”.
  6. FARASYN D. “Over dieven en lichtekooien te Oostende tijdens de laatste decade van het Oostenrijks bewind.” situeert herberg “De Stad Rotterdam” (ook gekend als “De Geuzenkerke”) in het midden van de Kaaistraat, tussen de Leugenaarstraat (nu Ooststraat) en de Kleine Kaaistraat.  Toen (1780 -1800) blijkbaar een volkse en ook woelige wijk.
  7. Joannes Cousyn” is waarschijnlijk Johannes Cosyn (+Oostende 12/03/1804), weduwnaar van Joanna Clara Boereboom (+Oostende 1783).  Een echtpaar dat in 1759 te Oostende was gehuwd.
  8. RAB, oud notariaat, depot Van Caillie 1941, archief Anthone Ryckx notaris te Oostende, nr. 109, akte 79, dd. 20/03/1782.
  9. RAB, oud notariaat, depot Van Caillie 1941, archief Anthone Ryckx notaris te Oostende, nr. 121, akte 458 folio 78, boedelinventaris dd. 27/09/1784 van het sterfhuis van “Solomon Poupaert presbiter fs. Solomonis“.  De man bezat een huis in de “Kerremelckstrate” naast dat van een “Franciscus Capteyn”.
  10. RAG, Raad van Vlaanderen, nr. 30.877 correspondentie van de fiscael augustus-september 1784.
  11. RAG, Raad van Vlaanderen, nr. 30.878 correspondentie van de fiscael oktober 1784, brief dd. 29/09/1784 van Schottey, de baljuw van Oostende.
  12. RAG, Raad van Vlaanderen, nr. 30.908 correspondentie van de fiscael 1ste trimester 1788.
  13. RAG, Raad van Vlaanderen, nr. 30.913 correspondentie van de fiscael januari 1791, rapport 25/01/1791.
  14. RAG, Raad van Vlaanderen, nr. 30.923 correspondentie van de fiscael 16-31 juli 1791.
  15. RAG, Raad van Vlaanderen, nr. 30.924 correspondentie van de fiscael augustus 1791.
  16. RAG, Raad van Vlaanderen, nr. 30.877 correspondentie van de fiscael augustus-september 1784.
  17. JANSSENS Luc en MEURRENS Marc, “De post van Thurn und Taxis 1489 – 1794”, dossier bij de gelijk-namige tentoonstelling in het Algemeen Rijksarchief Brussel 2 oktober – 19 december 1992.
  18. FZA, Postakten, nr. 5.256 bevat “Etats de tous les employés actuels et effectifs de la généralité des psotes aux Pays- Bas Autrichiens et aux glorieuses service de son Altesse Serénissime monseignieur le prince régnant de La Tour et Tassis général-héréditaire des postes de l’Empire, dela Bourgogne & des Pays-Bas etc. jusqu’a ce jour le 1e octobre 1786.
  19. RAG, Raad van Vlaanderen, nr. 30.928 correspondentie van de fiscael december 1791.
  20. RAG, Raad van Vlaanderen, nr. 30.935 correspondentie van de fiscael 1 – 15 mei 1792.
  21. RAG, Raad van Vlaanderen, nr. 30.940 correspondentie van de fiscael september 1792.tober 1792.
  22. Het Spaans kwartier = de Kazernewijk: gelegen tussen de Louisastraat, de Langestraat en de Kerkstraat.
  23. RAB, Franse hoofdbesturen in West-Vlaanderen, Leiedepartement, nr. 1.238, bevolkingsregisters jaren IV-V, gemeenten Moorsele, Nieuwpoort, Oostende.
  24. RAG, Scheldedepartement, nr. 2.675/5, bevolkingstelling nr. 7 Zeveneken, 2 registers 1795 en 1797 (?)
  25. Gemeentehuis Lochristi, archief burgerlijke stand deelgemeente Zeveneken, huwelijksakte Capiteyn-Van Deursen dd. 21/10/1802.
  26. RAB, Mesen Burgerlijke stand 1828, microfilm 1144926, overlijdensakte 50 en 77.
  27. http://www.vrijwilligersrab.be/Bs-O-list.asp