Opnieuw naar Balen

Hoeveel Anthony in zijn zakken had gestoken, is onbekend. Kort na de verkoop van paard en kar was hij in Turnhout van het toneel verdwenen, want tussen juli en september 1736 werd hij terug overgeplaatst naar Balen. Hij was er net als voordien in Turnhout garde te paard à rato van 320 gulden/jaar.

Zijn kroostrijk gezin was hem gevolgd en kon onmogelijk in het gebouw van de douane gehuisvest worden, als er in Balen al zo een gebouw was. Bij aankomst ondernam Anthony een poging om op de markt van Balen een huis te huren dat voordien verhuurd was geweest aan een zekere Laros, de plaatselijke organist. Van de eigenaar Guillaume Van Hemel kreeg hij echter een negatief antwoord. Voor een lichtgeraakt iemand zoals Anthony voldoende aanleiding om op 4 september 1736 een notaris op de man af te sturen om officieel de reden van de weigering te laten registreren. Dat Van Hemel zo een demarche niet op prijs stelde blijkt uit zijn kort korzelig antwoord: het huis “is niet verhuurd en ‘t is niet in te huren voor Laros noch voor Capityn”. 1

Postkaart van “de groote plaats” van Balen met centrale pomp en op de achtergrond een windmolen, verstuurd in 1903. Ook toen Anthony Capitaine er in 1736 een huis probeerde te huren zal de markt een modderige bedoening zijn geweest.

 

Minstens tot mei 1737 bleef Anthony in Balen in functie. 2 Wat zijn oversten over hem dachten is niet éénduidig. Een rapport dd. 2 mei 1737 stelde dat hij “capable et vigilant” was en gehuwd met “une demoiselle de condition”. Twee maanden later, 17 juli 1737 was de appreciatie minder positief. Toen vonden ze hem een moeilijk man: “ayant un caractère assé bizare”. Een zeer sibillijnse omschrijving. Over zijn levenswandel en zeden waren er tal van klachten. Hij was “trop brutal dans ses faits”. Bovendien “endebté de tout part” wat hem vatbaar maakte voor corruptie (“ce que le rend dangereux dans les quartiers ou ils (de gardes) doivent faire leurs devoirs”. Hij was “chargé de grosse famille”. 3

Dat laatste was niet overdreven want in Balen werd op 19 april 1737 dochter Catharina Francisca ten doop gehouden. Het resultaat van de tiende voldragen zwangerschap van Theresia Moreau. Drie kinderen waren toen reeds overleden.

De eerdere gebeurtenissen in Turnhout bleven op de achtergrond een rol spelen. Men verwees in 1737 in twee verschillende stukken naar de schorsing in 1734, maar zeer omfloerst. Men schreef “en 1734 n’a été commissionné du conseil par raisons a celui (= de heren van de Raad van Financiën) connu”. In een ander stuk noteerde men: “pour le reste il (= Anthony) passe sous silence pour raison assez connus à messeigneurs de ce conseil”.

De Hoolstmolen in Balen, een watermolen op de Grote Nete. Toestand voor 1914, dus voor een ingrijpende renovatie van 1919 waarbij de houten wanden door baksteen werden vervangen. Anthony Capitaine heeft deze graanmolen zeker gezien. De kans is groot dat hij er als garde van de douane ook binnen is geweest om controles uit te voeren.

 

Ondertussen was ook Anthony’s hoogste chef, baron Adam Joseph de Sotelet, in opspraak gekomen. 4

Na klachten van slecht bestuur en oplichterij was hij in 1737 ontslagen, waarop hij naar het buitenland was gevlucht. Via een rondschrijven (dd. 18/06/1737) werd al het douanepersoneel, ongeacht de rang, opgeroepen actief mee te werken aan het onderzoek naar de “oorzaak van zijnen kwaden handel, als ten opzichte van zijn banqueroet en bedrieglijk vertrek uit deze Nederlanden tot nadeel van zijne crediteurs”. Ze kregen een maand tijd om aangifte te doen van door de Sotelet gebruikte “gevaarlijke en geheime middels”. Schrik hoefden ze niet te hebben. Ze zouden niet alleen “gecontinueerd worden in hunne ambten” maar mochten ook “zoetigheden en beloningen” verwachten.  Behalve natuurlijk indien ze zelf ook strafbare feiten hadden gepleegd.

Er waren ook vermoedens dat baron de Sotelet betrekkingen had verkocht, of geld had geëist van kandidaat werknemers. Op bevel van Brussel verhoorde douanerechter Pauly een twintigtal personeelsleden die tijdens het bewind van de Sotelet in het departement Turnhout in dienst waren gekomen.

Plakkaat dat opriep mee te werken aan het onderzoek naar baron de Sotelet zijn (eventuele) onregelmatigheden, 1737.

 

Ook Anthony werd aan de tand gevoeld. “Gedaagd en in eede gesteld door den juge van dezen departement en geëxamineerd op wat maniere hij aan zijn emplooi is gekomen en of hij daar voor iet heeft gegeven ’t zij in geld, effecten, prescriten of andersints” verklaarde hij op 18 mei 1737 niets voor zijn job te hebben betaald. Evenmin was hem ooit een geschenk of wederdienst gevraagd. 5

ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.859 correspondance du conseil avec le département Turnhout 1734 – 1737, rapport dd. 17/07/1737. “Antoine Capitaine ayant poste a present a Baelen, natif de Schelde sur l’Escot pres d’Anvers (is foutief want geboren in Zottegem), agé d’environ les 40 ans, il est entre au service pendant les admodiations, en 1734 n’a este commissionne du conseil pour raisons a scelluy connu, le baron de Sotelet l’at employé a l’avenement de sa derniere direction 1735, ayant un caractere assé bizare, et endebté de tout part, ce que le rend dangereus dans les quartiers ou ils doivent faire leur devoit, il est mariè et chargé de grosse famille, pour sa vie et meurs il y at assé de plaintes des chartons et autres qu’il est trop brutal dans ses faits, les gages sont de f 320 = 0 par an.”

 

Overgeplaatst naar Burdinne

Eind ju1i – begin augustus 1737 werd Anthony vanuit Balen overgeplaatst naar de brigade Burdinne in het douanedepartement Namen (nu provincie Luik). 6 7 Na een reis van ruim 100 km was hij voortaan garde te paard in de Ardense bossen, met een piepklein dorpje als standplaats. Of zijn gezin hem vervoegde, is onbekend.

Burdinne stelde echt niets voor. In 1737 werden er slechts twee huwelijken gesloten en amper tien kinderen gedoopt. 8 9 Toch was het een niet onbelangrijke grenspost waar vooral de in- en uitvoer naar het (buitenlandse) prinsbisdom Luik in de gaten werd gehouden.

Regelmatig werden Anthony en zijn collega Potdevin door garde Piette uit het enkele kilometers verder gelegen Villers-le-Peuplier (douanedepartement Tienen, nu provincie Luik) gevraagd om te assisteren. Blijkbaar konden vooral Piette en Capitaine het goed met elkaar vinden. Er werd samen gepatrouilleerd en goederen in beslag genomen. Samen hielden ze ook Herman Radar, ontvanger te Villers-le-Peuplier, en zijn gezin scherp in de gaten. Twee dochters van Radar dreven immers handel in de ouderlijke woonst, die tegelijkertijd douanepost was. Dat alle verkochte handelswaar orthodox was ingevoerd en door hun vader correct was belast, was natuurlijk een illusie. Het gezin werd door het duo Capitaine – Piette dan ook meermaals onderworpen aan controles. 10

 

Eindelijk promotie: brigadier in Tienen

Anthony bleef slechts een paar maanden in Burdinne gestationeerd. Op 10 maart 1738 ging hij aan de slag bij de brigade Tienen (douanedepartement Tienen), niet langer als garde maar bevorderd tot brigadier. 11 Het was met opluchting dat hij Burdinne, waar hij een volledige winter had meegemaakt, achter zich liet. In de brief die hij de 13de maart naar de oversten in Brussel schreef bedankte hij hen al in de eerste zin om hem verlost te hebben “hors de l’esclavage ou jetait réduit”.

De eerste keer dat de hoofdofficieren van Tienen over hem schreven (dd. 23 maart 1738) werd vastgesteld dat “le brigadier Capitaine, qui est nouvellement venu, ne connait pas les chemins et endroits suspects à frauder, ni les enclaves”. Dit was geen verrassing en gold ook voor garde te paard Joseph Louette die vanuit Turnhout ondertussen naar Tienen was overgeplaatst. 12 De hoofdofficieren hielden dan ook een warm pleidooi om garde Michel Massuy, iemand met een ruime lokale ervaring, niet naar Diest over te plaatsen, maar hem in Tienen te behouden zodat hij Capitaine en Louette kon inwerken. Een zinnig verzoek dat men in Brussel negeerde.

Ondanks de ongemakken, had het afgelegen Burdinne Anthony blijkbaar ook deugd gedaan. Uit de archieven komt hij vanaf zijn eerste werkdag in Tienen naar voor als een gelouterd en herboren man. De eerste drie maanden ontving de regie in Brussel verschillende brieven en rapporten van Anthony die vastbesloten leek om het volledige departement eens uit te mesten met het reglement in de hand. Kortom een modeldouanier. Alles wat hij vroeger zelf had uitgespookt (of toch van was beschuldigd) klaagde hij nu aan in omstandige rapporten die geloofwaardig lezen.

Hij bezondigde zich niet aan vage insinuaties, maar met rustige heldere woorden gaf hij een stortvloed aan controleerbare feiten: concrete namen, concrete datums, heldere beschrijvingen van incidenten. Ingesloten bij zijn rapporten vond de Raad bewijsstukken en verklaringen onder eed van getuigen. Zijn bemerkingen en suggesties voor verbeteringen had hij eerst via de hiërarchische weg aangekaart bij de hoofdofficieren van het departement, maar deze waren doof gebleven voor zijn verzuchtingen. Dus stuurde hij alles na verloop van tijd rechtstreeks naar Brussel. Populair zal hij zich niet gemaakt hebben want zijn rapporten gingen niet enkel over de brigade Tienen, maar besloegen het volledige douanedepartement en alle personeelsleden.

Vooral Potdor, Herman Radar en Verlais, de ontvangers van respectievelijk Diest, Villers-le-Peuplier en Orsmaal (= Gussenhove) waren de gebeten honden. Anthony vroeg niet hun ontslag, maar deed wel allerlei concrete suggesties om de situatie op het terrein te verbeteren. 13 Twee uitgebreide rapporten die hij vanuit Tienen schreef geven een goed beeld van de ijver van de nieuwe brigadier.

In zijn rapport van 21 april 1738 viel hij met de deur in huis: “Le zèle (= ijver) que j’ai toujours eu pour les intérêts de Sa Majesté m’oblige de prendre la liberté, de remontrer a votre Seigneurs Illustre combien le service souffre en ce département”:

– Garde Bareau van de brigade Zoutleeuw sprak geen woord Nederlands, terwijl de inwoners er geen woord Frans kenden.

– In het Waalse gedeelte van het departement was tot voor kort een zekere Michel Massuy als garde actief geweest. Iemand die in de streek was geboren en zowel de grensovergangen kende, als de smokkelaars die in de streek actief waren. Potdor, de ontvanger van Diest, was er in geslaagd om Massuy naar Diest over te hevelen waardoor Anthony nu enkel “des ignorants” tot zijn beschikking had. De garde die van Diest was overgekomen kende de streek niet. Mogelijk onder de invloed van de lentezon schreef Anthony lyrisch dat door het verlies van Massuy “on m’t ôter (= ontnomen, geroofd) la plus belle fleure de mon jardin”.

– Personeel dat niet of onvoldoende de streek kende was trouwens de reden waarom grote aantallen varkens frauduleus uit het departement verdwenen.

– Men stond aan de vooravond van de uitvoer van grote hoeveelheden wol, en Anthony had niemand om hem bij te staan of om hem inlichtingen te verschaffen om fraude tegen te gaan.

– De 14de april was er jaarmarkt in Jodoigne (= Geldenaken) geweest, waar traditioneel veel Luikse handelaars waren verwacht. Anthony had de 12de april aan Diest gevraagd om Massuy te mogen lenen ter versterking van zijn eigen mensen. Ontvanger Potdor was op het verzoek niet ingegaan en had zelfs niet geantwoord.

– Potdor liet de garde van de brigade Halen: Joseph Massuy (broer van Michel), in Diest dienst doen waardoor er in Halen en omgeving geen controles gebeurden. De smokkelaars waren hiervan op de hoogte en deden er hun voordeel mee. De hoofdofficieren van het departement hadden Potdor reeds verboden om Massuy voor hem te laten werken, maar in Diest “on se moque de leurs ordres”.

– Garde Bareau van de brigade Zoutleeuw werd best overgeplaatst naar Diest en in Zoutleeuw vervangen door Guilliaume Aerts die garde in Tienen was. Aerts kende immers zeer goed Nederlands en de louter Franstalige Bareau zou in Diest collega’s hebben die hem taalkundig konden bijstaan. Michel Massuy zou dan van Diest terug naar Tienen kunnen komen. Maar Joseph Massuy was ook goed want net als zijn broer Michel was hij in de streek geboren en getogen en kende hij het Waalse deel van het departement goed.

– Indien Anthony niet één van de broers Massuy toegewezen kreeg, dan vroeg hij de Raad hem een algemene machtiging te bezorgen. Hij zou dan in het volledige departement gardes kunnen opeisen in functie van de noodwendigheden zodat de belangen van de vorst/centrale regering niet langer werden geschaad zoals tot op heden het geval was. Hij had zo een machtiging nodig omdat zijn collega’s, de brigadiers Loly en Mayoly, beweerden dat ze volledige zeggenschap hadden over hun gardes. Door hun onwil om gardes uit te lenen schreef Anthony “qui souhaite de m’ acquitter de mon devoir, je reste avec rien”.

– Hij liet ook opmerken dat “tous ce manège ne provient que de rage que Potdor, Loly et Mayoly ont contre moi parce que Messeigneurs m’ont honorez de la brigade de Tirlemont”.

– Anthony stelde dat hij veel werk had, maar gaf toe te aarzelen om tot inbeslagnames over te gaan omdat hij vreesde dat een groot aantal achteraf onwettig zouden blijken (met alle gevolgen van dien qua schadevergoeding). Oorzaak waren de talrijke enclaves binnen zijn departement. Enclaves die buitenlands grondgebied waren (meestal Luiks) en waar hij dus geen bevoegdheid had.

– Om zijn inzet te illustreren vermelde hij drie inbeslagnames. De 17de april had hij twee “botresses” aangehouden met als gevolg een minnelijke schikking mits het betalen van een boete van ruim 44 gulden. Hij had ook een partij messen in beslag genomen die men eerst als algemene ijzerwaren had aangegeven. Het vervolgens correct toepassen van de toltarieven had voor ruim 81 gulden extra inkomsten voor de overheid gezorgd. In het derde geval ging het ook om messen en was er een schikking overeengekomen die dik 31 gulden extra had opgeleverd. Het waren voorbeelden van laksheid, fraude en smokkel die volgens hem in het departement sinds jaren schering en inslag waren. Anthony was er zeker van dat mits het nemen van de juiste maatregelen, hij de tolontvangsten in het departement zou kunnen opdrijven.

een “botresse

 

Twee maanden later, 9 juni 1738, schreef Anthony een vervolgrapport. Ook nu verspilde hij geen inkt aan een lange inleiding. Reeds in de eerste zin wees hij op de dagelijkse misbruiken waarvan hij getuige was: “Messeigneurs, C’est dans un des plus soumis respect que je prend la liberté de représenter a vos Seigneurs Illustres les excès et bévues (= blunders) qui se commettent journalièrement en ce département”. Anthony had zijn huiswerk gemaakt en de lijst met opmerkingen was zeer gedetailleerd:

– Alle plaatselijke ontvangers hadden de gewoonte om in ruil voor het afleveren van een “laissez-passer” (= doorvoerbewijs) de betaling van twee “liards” (= duiten, oortje, ¼ sou ) te eisen en soms zelfs meer. Iets wat inging tegen de instructies van de Raad want als een lading correct was aangegeven, was alles in orde en mochten er dus geen administratiekosten worden aangerekend. Gevolg was dat iedereen zijn best deed om de tolkantoren te ontwijken.

– Hij bekloeg er zich over dat meestal geen gevolg werd gegeven aan zijn bemerkingen en suggesties. Steeds werden de plaatselijke ontvangers sterk verdedigd door de hoofdofficieren van het departement.

– De ontvangers van Diest en Zoutleeuw verplichtten de gardes om op het bureau te blijven en in hun plaats de zaken waar te nemen terwijl ze zelf gingen wandelen. Gevolg was dat de gardes hun echt werk niet konden doen: het uitvoeren van controles te velde. Smokkelaars en fraudeurs waren hiervan op de hoogte en konden zonder risico naar believen goederen in- en uitvoeren.

– Verlais, de ontvanger van Orsmaal (= Gussenhove) “c’est émancipez de son chef” (= deed gewoon zijn goesting) door de weegschaal die hem ter beschikking was gesteld met alle toebehoren uit te lenen aan “ceux de la communauté Despinne14 in ruil voor geschenken. Zo had Verlais onder andere acht paar duivenjongen (“pigeonneaux”) ontvangen als geschenk. Iets wat Anthony van zijn gardes had vernomen.

– In de reglementering stond dat men voor tonnen “la marque” en het aantal diende te noteren op de doorvoerbewijzen. Verlais weigerde dit te doen. Gevolg was dat de brigades te velde onmogelijk hun controles konden doen zoals het hoorde, of ze zouden elke kar volledig moeten lossen en alle tonnen openen. Dit zou voor grote vertragingen voor de vrachtvoerders zorgen en hen bovendien redenen geven om te protesteren en schadevergoeding te eisen voor de vertragingen.

– Verlais zette soms 6 à 7 karren van dezelfde transporteur op hetzelfde doorvoerbewijs. Met het oog op een goede werking en vlotte controle suggereerde Anthony dat het aangewezen zou zijn om per kar een “acquit” uit te schrijven.

– Ontvanger Radar van Villers-le-Peuplier hield niet op met het geven van doorvoerbewijzen aan gelijk wie er om vroeg, zonder dat hij de juiste vrachtbrieven of andere bewijsstukken had gezien. Dit was hem door de hoofdofficieren nochtans verboden.

– De 16de april had een man van Hannuit een veulen verkocht aan Emiel Macord, een handelaar uit “Crayen, pays de Liege”. Macord gaf het dier aan op de douanepost van Villers-le-Peuplier om het naar Namen over te brengen. Radar had de tol ontvangen en de man doorgelaten zonder hem een “acquit” in ruil te geven. Het was voor Anthony evident dat men de overheid had opgelicht en het dier nooit naar Namen was gebracht, maar naar Luik en men dus uitvoerrechten was mislopen. (Uitvoer van paarden naar het buitenlandse prinsbisdom Luik werd immers meer belast dan doorvoer naar het binnenlandse Namen.)

– De 27ste april had zich te Villers-le-Peuplier een voerman aangemeld die zijn wagen geladen met 20 riem 15 papier had achtergelaten aan de grenspaal van Lens-Saint-Remy. De voerman legde een “acquit a caution” voor van het bureau Marche. Ontvanger Radar had hem weggestuurd omdat het te laat was (alhoewel de zon nog niet onder was) en dat hij de dag nadien maar moest terugkomen. De “pauvre charretier”, schreef Anthony, had geen andere keuze dan zich hierbij neer te leggen. De volgende ochtend was de voerman om 6 uur present, maar toen zei men hem dat hij te vroeg was. Pas toen hij zich de derde keer aanbood had Radar zijn documenten getekend, maar gezien Radar zoals gewoonlijk niet dacht aan de tolrechten en belangen van zijne majesteit had hij geen invoerrechten laten betalen. Toen de kar in Tienen aankwam, had Anthony ingegrepen en had daar de tol kunnen innen.

– Op zijn woord van eer verklaarde Anthony dat Radar, doordat hij ook griffier van Villers-le-Peuplier was, meer oog had voor de dorpsbelangen dan voor die van de staatskas.

– De hoofdofficieren hadden Radar op zijn handelswijze aangesproken, maar dat haalde niets uit. De man deed gewoon verder met zijn “rapineries” (= oplichterspraktijken). Een bewijs vond de Raad ingesloten: een “acquit” voor Louis l’Abee waarop er voor 7 zakken kalk een tolontvangst van 2 sols 9 deniers was genoteerd. Radar had echter l’Abee 3 sols 6 deniers aangerekend, maar zich na wat discussie tevreden gesteld met 3 sols. Het verschil tussen de geïnde 3 sol en de som op het “acquit” was in de zakken van Radar verdwenen. De verklaring van l’Abee, geschreven op de keerzijde van het acquit, was door Anthony afgenomen in de aanwezigheid van twee gardes als getuige.

– Anthony liet ook opmerken dat het de armste mensen waren die kalk en steenkool vervoerden en dat Radar geen enkele “compassion” voor hen toonde omdat hij wist dat ze niet in de positie verkeerden om bij de heren van de Raad klacht in te dienen. Hij vilde (“ecorche”) hen dus naar believen. Het deed Anthony leed om steeds die droevige klachten te moeten aanhoren van “des pauvres manans” (= dorpers, boerenpummels).

– Enige tijd geleden was Anthony rond 5 uur ’s avond bij Radar in diens bureau toen men een pakket binnenbracht met de mededeling dat de dag nadien de secretaris van Hannuit (die ook handelaar was) er de aangifte van ging komen doen. Anthony was tussengekomen en had de onmiddellijke aangifte geëist. Daarop was de secretaris van Hannuit de kamer binnengekomen (hij kwam uit de keuken van Radar) om gesteund door Radar en zijn dochters te stellen dat aangifte de dag nadien vroeg genoeg was. Anthony had niet toegegeven en er was uiteindelijk aangifte gedaan van 6 stukken stof. Omdat ontvanger Radar en de secretaris van Hannuit hecht bevriend waren twijfelde Anthony er niet aan dat zonder zijn tussenkomst de twee minstens de helft frauduleus zouden hebben laten passeren.

– Acht dagen voor Anthony’s rapport was één van Radars dochters naar Luik gegaan. ’s Avonds was ze, goed wetende dat de gardes afwezig waren, te paard teruggekeerd beladen met verschillende pakketten. Van die lading was in de registers niets terug te vinden.

– Radar vertikte het om afschriften van door hem ontvangen bevelen door te geven aan de lokale gardes. Hij verstopte ze “et ne les enfilasse pas” (aan elkaar rijgen, klasseren) waardoor de gardes, buiten hun wil om, soms blunders en misslagen begingen uit onwetendheid over nieuwe maatregelen.

– Anthony suggereerde om de douanepost van Villers-le-Peuplier over te hevelen naar Lens-Saint-Remy waar de grenspaal stond. Dit zou de staatskas alleen maar ten goede komen want Villers-le-Peuplier lag ongeveer een mijl van de grensovergang, wat passanten kansen in overvloed gaf om te verdwijnen en dus controle te ontlopen. Een tolkantoor aan de grens zou de kans op ontduiking nagenoeg onmogelijk maken. Anthony had echter de indruk dat zijn hoofdofficieren uit “respect qu’ils ont pour Monsieur de Villers” (de adellijke Heer van Villers-le-Peuplier) dit voorstel niet genegen waren. Naast tolontvanger was Radar immers én griffier van het dorp én zaakgelastigde van de Heer van Villers-le-Peuplier.

– Anthony pleitte voor de strikte naleving van het eerste artikel van de tolwetgeving: het verbod om gelijk welke “marchandise” te verplaatsen als daar nog geen rechten op waren betaald en inbreuken met confiscatie te bestraffen.

– Van zijn personeel was Anthony tevreden. Hij had nu in Villers-le-Peuplier twee goede gardes die iedereen in toom konden houden (“qui pouvont tenir le monde en bride”) en fraude konden voorkomen.

– Anthony vroeg toestemming om twee bijkomende grenspalen op te richten: één buiten de poort van Landen, de andere buiten de poort van Zoutleeuw op de weg naar Sint-Truiden. Dit waren nu twee open doorgangen. Wie beweerde op weg te zijn naar het tolkantoor, diende onderweg talrijke huizen te passeren. Huizen waar men goederen die voor de zwaarste tol in aanmerking kwamen, kon lossen. Indien men de grenspalen duidelijk zou zien staan en bewust diende te passeren, dan zouden “les botresses” en anderen minder gemakkelijk suiker, stoffen en wijn kunnen overbrengen zoals ze nu deden. Hij had dit ook aan zijn hoofdofficieren voorgesteld, maar die hadden het afgewimpeld onder voorwendsel dat ze van de Raad geen orders in die zin hadden ontvangen.

In Brussel werden Anthony’s rapporten ernstig genomen. Binnen de week na ontvangst werd op 14 juni 1738 besloten een algemene vragenlijst op te maken waarin de zaken die hij had aangebracht zouden worden verwerkt. Alles diende zo geformuleerd te worden dat de identiteit van de bron (= Anthony) onbekend bleef. Zowel de hoofdofficieren van het departement, als de plaatselijke douane-rechter zouden de vragen toegestuurd krijgen waarop ze schriftelijk dienden te reageren. 16

Los van dit alles was in de brigade Tienen de sfeer tussen Anthony en zijn vroegere Turnhoutse compagnon Louette ondertussen verziekt. Juli 1738 ontving Brussel zowel een brief van Anthony als één van Louette met elk hun versie van een aantal incidenten en wederzijdse ergernissen. Zo hadden de gardes eens opdracht gekregen van hun brigadier om alleen op nachtelijke patrouille te gaan. Zelf kon Anthony niet mee omdat zijn vrouw ziek was. Garde Louette had daarop geweigerd zijn dienst te doen door laconiek te stellen dat zijn vrouw ook ziek was en hij thuis dus evenmin kon gemist worden.

Wie gelijk had doet er niet toe. Waarschijnlijk kwam het er gewoon op neer dat garde Louette het niet zag zitten dat zijn ex-collega, met wie hij in Turnhout een hecht blok had gevormd, nu zijn overste was. Anderzijds is de kans groot dat Anthony als brigadier op zijn strepen stond en Louette als een gewone ondergeschikte behandelde. 17

Augustus 1738 werd andermaal het douanepersoneel geëvalueerd. Vergeleken met eerdere beoordelingen was men in Tienen mild voor Anthony: “Il me semble que Capitaine, brigadier des gardes de ce département convient pour cette fin”. Door zijn functie was hij “obligé de temps a temps d’aller d’un lieu a l’autre pour le service”. Wel was er de wens dat hij zijn werk zou doen “sans partialité ni passion contre l’un ou l’outre, sans user de calomnie (= laster) et sans s’amuser aux moindres bagatelles”. 18 Kortom: graag objectiever, zonder zich te laten meeslepen door sympathieën en antipathieën en met minder aandacht voor pietluttigheden. Dat men hoopte op minder klachtenbrieven richting Brussel was evident.

19

Notes:

  1. GAB, oud notariaat, archief Wouters notaris te Mol-Balen-Dessel, jaar 1736 akte 19b dd. 4/09/1736.
  2. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.859 correspondance du conseil avec le département Turnhout 1734-1737, loonstaten juni 1736, december 1736, mei 1737.
  3. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.859 correspondance du conseil avec le département Turnhout 1734-1737, rapporten dd. 2/05/1737 en 17/07/1737.
  4. Adam Joseph baron de Sotelet (1690-1763) was afkomstig uit de provincie Luik. Minstens vanaf 1718 administrateur bij de regie van in- en uitgaande rechten. Hij werd directeur-generaal in juli 1735. Op 1 april 1737 uit zijn ambt gezet wegens fraude en wanbeheer. Zijn proces werd pas afgesloten in 1741. De man was niet voor één gat te vangen. Zo had hij in 1727 een maatschappij voor walvisvangst opgericht met de havens van Oostende en San Sebastian als uitvalsbasis. Na verschillende tegenvallende expedities, geen enkele vennoot of investeerder had enige kennis van de walvisvangst, ging de maatschappij in mei 1734 in vereffening.
  5. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.859 correspondance du conseil avec le département Turnhout 1734-1737, register met verklaringen or eed afgenomen dd. 18/05/1737 door douanerechter Pauly.
  6. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.688 correspondance du conseil avec le département Namur 1737, loonstaat september 1737.
  7. Het douanedepartement Namen omvatte de bureaus/brigades: “Namur, Ahin, Assche, Sorinnes, Talmagne, Onhaye, Hastir, Stave, Bouvignes, Pondromme, Bourseigne”.
  8. http://geneadyle.nuxit.net/actes/tab_naiss.php?args=Burdinne.
  9. Burdinne is ook nu nog een piepklein dorpje in de provincie Luik. Bij een bevolkingstelling in 1806 woonden er toen 626 mensen. De huidige gemeente is een fusie van vijf deelgemeenten: Burdinne, Oteppe, Hanneche, Lamontrée en Marneffe. In 2005 samen goed voor 2.766 inwoners
  10. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.809 correspondance du conseil avec le département Tirlemont 1735-1737,(bevat ook talrijke stukken uit 1738).
  11. Het douanedepartement Tienen omvatte de bureaus/brigades: Tienen, Diest, Halen, Jauche, Landen, Lincent, Orsmaal, Zoutleeuw (= Leau), Villers-le-Peuplier. In 1737 werd Lincent opgedoekt en kwam er een brigade bij in Zichem.
  12. Louette, ex-collega van Anthony Capitaine in Turnhout, was sinds september 1737 garde in Tienen. Ook oud-collega brigadier Le Hardy was actief in het departement Tienen. In 1742 zou Le Hardy er zelfs opklimmen tot ontvanger.
  13. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.809 correspondance du conseil avec le département Tirlemont 1735-1737, (bevat ook talrijke stukken uit 1738).
  14. Despinne” staat gelijk aan d’Hespinne, de weinig gebruikelijke naam van Hespen. Een dorpje samengesteld uit Neerhespen en Overhespen ten zuiden van Orsmaal-Gussenhoven en sinds 1977 een deel van de fusiegemeente Linter.
  15. Een “riem” is een oude handelsmaat voor papier. De hoeveelheid vellen in een riem varieerde van streek tot streek. Een vel papier was normaal goed voor 16 pagina’s.
  16. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.809 correspondance du conseil avec le département Tirlemont 1735-1737 (bevat ook talrijke stukken uit 1738), richtlijnen in de marge van het rekwest van 9/06/1738.
  17. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.810 correspondance du conseil avec le département Tirlemont 1738, brieven dd. 8/07/1738.
  18. ARAB, Raad van Financiën, nr. 6.810 correspondance du conseil avec le département Tirlemont 1738, rapport 25/08/1738.
  19. versie 2018