Weven en spinner, arm maar proper

Enkele jaren na zijn geboorte verhuisde het gezin naar Lokeren.  Niets wijst er op dat Eugenius daar enig onderwijs heeft genoten.  Lezen en schrijven werd hij nooit meester.  Pas in de laatste jaren van zijn leven slaagde hij er in om een beverige handtekening te zetten.

Net zoals alle jongens was ook hij militieplichtig.  In maart 1826 was het zijn beurt om aan de militieloting deel te nemen.  Alhoewel als 19-jarige in theorie in de kracht van zijn leven, werd hij bij het medisch onderzoek “onder de maat” bevonden want slechts 1 el 5 palmen groot (= 1 m 50). 1 2  Hij was niet de enige dat jaar.  Niet minder dan 6 van de 22 Zeveneekse jongens bleken te klein.  Gevolg was dat hij een jaar uitstel kreeg.  Of hij na een jaar voldoende was gegroeid om de maat te halen is onbekend.

Op 2 mei 1834 huwde hij, 26 jaar oud, te Lokeren met de 24-jarige Fransisca VERMEIRE (°Kalken 15/05/1810, +Sint-Amandsberg 7/06/1902), een dienstmeid en dochter van Frans Jacob Vermeire en Angelina Robeyst.  Al snel startte een “zwerftocht” door de streek ten Noord-Oosten van Gent, waarbij hij samen met vrouw en kinderen steeds dichter bij deze stad kwam wonen.  De familienaam Capitaine werd voortaan geschreven als “Capiteine” of “Capiteyn”. Na Lokeren (1834) ging het naar Laarne (1835).  Het jaar daarop werd het Destelbergen (1836) om uiteindelijk in 1845 in Sint-Amandsberg terecht te komen, toen een gehucht van Oostakker.  De verhuizingen tussen 1837 en 1845, waarbij ook binnen de respectieve gemeenten geregeld van adres werd gewisseld, zijn een indicatie dat het gezin Capiteyn – Vermeire zoals vele arbeidersgezinnen niet veel meer bezat dan wat op een flinke stootkar kon worden geladen.

Het verhuisparcours richting Gent, te volgen aan de hand van de geboorteakten van zijn negen kinderen, was bijna zeker het gevolg van de misoogsten op het platteland en de crisis in de textielindustrie. 3  Eugenius was immers (katoen)wever, zijn vrouw spinster.

In 1840 waren in Oost- en West-Vlaanderen naar schatting 222.000 spinsters actief, kinderen niet meegerekend.  Het aantal wevers werd geschat op 57.000. 4  Tot ca. 1840 werkten de meeste wevers zelfstandig.  Daar kwam geleidelijk verandering in doordat er meer en meer voor patroons gingen werken.  Ofwel in een weverij, of thuis in opdracht van kooplui.  Het overgrote deel van de plattelandsbevolking leefde van het vlas (in hoofd- of bijberoep) en was voor het inkomen afhankelijk van de bestellingen van hun opdrachtgevers.  Elke crisis in de vlasnijverheid had dan ook zware gevolgen.

Die crisis kwam er.

Engeland, dat al sinds 1834 de spinnerij grotendeels had gemechaniseerd, vond in Frankrijk een ideale afzetmarkt voor haar veel goedkoper én beter linnen.  Natuurlijk ten nadele van anderen.  In 1843 was de uitvoer van Belgische linnen-producten naar Frankrijk met de helft verminderd.  Er was maar één remedie om de Belgische vlasnijverheid er bovenop te helpen: zelf ook mechaniseren.  De gevolgen waren dramatisch.  Van de 222.000 spinsters en 57.000 wevers in Oost- en West-Vlaanderen in 1843 bleven er nauwelijks drie jaar later respectievelijk maar 130.446 en 39.304 over. 5

We zien deze negatieve evolutie ook in Oostakker/Sint-Amandsberg.  Voor de mechanisering was het aantal weefgetouwen lange tijd stabiel gebleven.  In 1738 had men het over 98 weefgetouwen “dienende tot het fabriqueren van lynen laeckenen”, in 1819 telde men er 87 “linnenweverijen”. 6 7

In 1846 was hun aantal teruggelopen tot 43 waarvan slechts 19 nog in werking. 8  Ook het gros van de éénmansbedrijfjes die Oostakker/Sint-Amandsberg in 1819 rijk was zoals 30 “vlaschhekelaryen”, 50 “vlaschklopperyen” en 480 “vlaschspinneryen” waren midden 19de eeuw nagenoeg volledig weggeconcurreerd door de Gentse textielbaronnen. 9

Ook in de katoenbranche, de belangrijkste bedrijfstak van Gent en omgeving, ging het uitzonderlijk slecht.  Op het einde van 1847 was er een plotselinge daling van de internationale grondstofprijzen waardoor de fabrikanten die voorraden bezaten enorme verliezen dienden te incasseren, of deze via loonsverlagingen dienden te compenseren.  Gevolg was dan ook dat de lonen onder druk kwamen te staan en in de katoenweverijen en spinnerijen in 1847 de lonen in die mate waren gedaald dat zelfs de Gentse handelskamer erkende dat ze te laag waren om van te leven.

Werk buiten de textielsector was er evenmin, want ook de andere industriële sectoren waren in crisis. Voor de metaalnijverheid volstaat het te verwijzen naar het grote Gentse metaalbedrijf “Phoenix”.  In 1846 had het nog 600 werknemers in dienst, september 1847 nog slechts 300.  Werknemers die bovendien “slechts” 8 uren/dag te werk werden gesteld (en dus betaald), waar voordien een “normale” werkdag 13 à 14 uren had geteld.  In maart 1848 zou dit metaalbedrijf trouwens nog een aantal mensen afdanken.

De ellende werd niet enkel door de textielcrisis veroorzaakt.  De winter 1844 – 1845 was zo streng dat een groot deel van de tarwe- en koolzaadoogst verloren ging.  Als reactie gooiden veel boeren zich volledig op de aardappelteelt.  Helaas, nog datzelfde jaar werden de aardappelplanten aangetast door een schimmel die de plant deed afsterven.  In West-Vlaanderen daalde de aardappeloogst daardoor met 92,4%, in Oost-Vlaanderen met 90,7%.  De gemiddelde hoeveelheid aardappelen per persoon daalde dat jaar van 325 kg tot een schamele 27,5 kg.  De prijs steeg van 4 frank/100 kg tot 24 frank.  De schimmel stoorde zich niet aan landsgrenzen en in zowat heel Europa vernietigde de Phytophtora infestans de oogst waardoor ook invoer van extra voedsel onmogelijk werd.  Zelfs koning Leopold I had het in een brief aan zijn nichtje koningin Victoria over “those stupid potatoes”. 10

Een ongeluk komt nooit alleen.  In 1846 dook er een probleem op met de rogge.  Het gewas was aan-getast door “brand”, die later ook andere graangewassen beschadigde.  In Oost- en West-Vlaanderen viel de roggeoogst per inwoner terug van gemiddeld 90 kg op 36 kg.  Een korenbrood, waarvoor in 1844 nog 20 centiemen moest worden betaald, kostte drie jaar later al 41 centiemen.

De prijs van een roggebrood steeg in dezelfde mate.  De 2 miljoen hectoliter graan die vanuit het buitenland werden ingevoerd, één zesde van de normale consumptiebehoefte en nog niet de helft van het tekort op de oogst van 1846, was niet meer dan een druppel op een gloeiende plaat.

Dit alles leidde tot een massale plattelandsvlucht.  Velen trokken naar de steden (of naar Amerika) in de hoop op tewerkstelling in de industrie of op een beetje beschutting in één van de “openbare warmplaatsen”.  Dit was in het agrarische Oost-Vlaanderen met Gent als industrieel eiland niet anders. Telde Gent in 1801 55.161 inwoners, dan was dit in 1855 bijna verdubbeld tot 106.641 inwoners. 11 Cijfers voor buurgemeenten zoals Oostakker/Sint-Amandsberg, Ledeberg en Gentbrugge laten een gelijkaardige evolutie zien.

De crisis werd ook zichtbaar in het aantal behoeftigen dat door de overheid werd geholpen.  In 1850 diende het weldadigheidsbureau van Gent 17.904 mensen permanent en 19.223 tijdelijk te helpen om te overleven.  Op een totale bevolking van 106.704 inwoners betekende dat 32,5% of één op drie.  Een bevolkingsaangroei die des te opmerkelijker is daar Gent zowel in 1832, 1833 en 1834 af te rekenen kreeg met een cholera-epidemie.  Deze van 1832 kostte zelfs het leven aan 1.227 inwoners (1 op 69 inwoners).  In 1847 was het de beurt aan een tyfusepidemie om de bevolking uit te dunnen.  Twee jaar later was het terug de beurt aan de cholera.  Deze keer met 4.811 ziektegevallen waarvan 2.224 het niet overleefden.  Een verhouding van 1 dode voor elke 47 inwoners. 12

Verdreven van het platteland kwamen de meeste gezinnen in de steden van de regen in de drup terecht, als ze al in de steden mochten blijven wonen.  In bijvb. Brussel was de toevloed van economische vluchtelingen zo immens dat men ze vanaf maart 1847 systematisch begon uit te wijzen.  Iets wat gebeurde met speciale treinkonvooien, onder begeleiding van gendarmes.  Tal van stadsbesturen volgden dit voorbeeld, sloten hun poorten, en deporteerden door de politie opgepakte bedelaars naar hun dorp van herkomst.  In zijn historische roman “Voor het volk geofferd” zou de socialistische voorman Edward Anseele later de schrijnende taferelen beschrijven van buitenmensen die in vuilniskarren de stad werden uitgezet. 13

Het is in deze context dat Eugenius Capitaine zich in 1845 als wever in Sint-Amandsberg, toen nog een gehucht van Oostakker, kwam vestigen. 14  In het Gentse zat natuurlijk niemand op deze extra wever en zijn gezin te wachten.  Ondanks de economische crisis bleken ze toch het hoofd boven water te kunnen houden en was Eugenius geen man van twaalf stielen en dertien ongelukken.  Op lijsten met behoeftigen die door het Oostakkerse Bureel van Weldadigheid werden ondersteund, komt het gezin Capitaine – Vermeire niet voor.  Ook was er blijkbaar financiële ruimte voor de scholing van de kinderen.  Alle kinderen konden toen ze in het huwelijk traden immers hun handtekening plaatsen. Sommigen waren na verloop van tijd zelfs tweetalig.

Een eerste adres “Sint-Amandsberg nr. 371” (waarschijnlijk Verbindingsstraat =  Verkortingstraat nr. 23) binnen wat later de Heilig-Hartparochie zal worden, vonden we pas in 1849. 15  De volgende 20 jaar werden geen adreswijzigingen meer genoteerd.  Het gezin Capiteyn 16 – Vermeire had eindelijk rust gevonden.  Wel werden enkele kinderen naar aanleiding van hun huwelijken geschrapt uit het bevolkingsregister. 17 18  Eugenius bleef ondertussen gewoon wever.

Najaar 1863 kreeg hij een stortvloed officiële mededelingen te verwerken.  Zijn zus Ilderique Capitaine was op 5 november 1863 in Gent overleden en door een kronkel in de erfeniswetgeving kwam de 56-jarige Eugenius in aanmerking voor een erfdeel.  Al snel werd duidelijk dat het om een aanzienlijke som ging want Ilderique was eigenares geweest van drie herenhuizen.  Gezien haar echtgenoot een levenslang vruchtgebruik had over de nalatenschap diende Eugenius wel nog wat geduld te oefenen voor hij het geld effectief in handen kreeg.  Zijn oude dag kon hij voortaan echter rustig tegemoet zien.

Deze nalatenschap was nog steeds hangende toen Eugenius’ vader op 9 juni 1865 overleed.  Een jaar later overleed ook zijn broer Alphons (9 juli 1866).  Misschien door dit laatste overlijden “wakker geschud” besloot de ondertussen 59-jarige “Eugene Capiteyn, wever, woonende te Oostacker wyk Sint-Amandsberg” een aantal zaken te regelen.  Op 22 augustus 1866 verscheen hij in de Gentse Hoogpoort voor notaris De Backere om er een “gifte en schenking onder levenden“ te laten registreren ten gunste van zijn echtgenote Francisca Vermeire.  “Alle de roerende en onroerende goederen waer-van de wet hem op zynen sterfdag de vrye beschikking” liet, zouden aan haar toevallen “om by haer soo zy hem overleeft te rekenen van op dien dag alle de zelve goederen in vollen eygendom te genieten en voor het geval er uyt deze schikking een vruchtgebruyck ontstond, het zelve vruchtgebruyck zonder borgstelling te mogen behouden en met de bevoegdheyd van alle de goederen zoo roerende als onroerende die haer niet te beurt mogte vallen op tegenzeglyke pryzy te aenveerden”.  Omgekeerd liet dezelfde dag de 56-jarige Francisca Vermeire eenzelfde schenking onder levenden registreren ten gunste van haar man. Voor beiden gold dat ze “niet konde schryven noch naemteekenen om dat hy (en zij) zulks niet hadden geleerd”. 19



Notes:

  1. RAG, modern gemeentearchief Zeveneken, nr. 19 nationale militie alfabetische lijst der ingeschrevenen 1825-1834, lichting 1826 nr. 5.
  2. De Franse revolutie had de oude ellen (69 cm) en palmen vervangen door meters en decimeters volgens het tiendelig stelsel.  Na het verdwijnen van Napoleon bleef het tiendelig stelsel behouden, maar werden in veel streken de oude benamingen tijdelijk van onder het stof gehaald.  Deze militaire “el” meet dus geen 69 cm,  maar 1 meter en de “palmen” zijn decimeters.
  3. Coleta Capiteyn (°Laarne 1835), Seraphin Capiteyn (°Destelbergen 1836), Jacobus Capiteyn (°Destelbergen 1838), Franciscus Augustinus Capiteyn (°Destelbergen 1840), Alphons Capiteyn (°Destelbergen 1843), Benjamin Capiteyn (°Destelbergen 1845), Benedictus Capiteyn (°Oostakker 1847), Marie Catherine Capiteyn (°Oostakker 1850), Heliodorus Leo Constantinus Capiteyn (°Oostakker 1852).
  4. SCHEPENS Luc, “Van vlaskutser tot Franschman – Bijdragen tot de geschiedenis van de West-Vlaamseplattelandsbevolking in de negentiende eeuw.”, West-Vlaams studiebureau, Brugge 1973.
  5. DE HERDT R. en DE GRAEVE B., “Kinderarbeid 1800-1914”, catalogus bij de gelijknamige tentoonstellingMuseum voor Industriële Archeologie, Gent 1992.
  6. RAG, kasselrij Oudburg, nr. 108, situatierapport parochie Oostakker dd. 7/06/1738.
  7. RAG, Provinciaal archief, Hollands fonds 1815 – 1830, nr. 302, “Gemeenteopgave der fabryken en werk-winkels binnen Oostacker op den 31sten december 1819“, overzicht afgesloten dd. 9/05/1820.
  8. DE POTTER Frans & BROECKAERT Jan: “Geschiedenis van de gemeenten der provincie Oost-Vlaanderen”, deel IV, Gent 1866.
  9. RAG, Provinciaal archief, Hollands fonds 1815-1830, nr. 302, “Gemeenteopgave der fabryken en werkwinkels binnen Oostacker op den 31sten december 1819“, overzicht afgesloten dd. 9 mei 1820.
  10. DENECKERE Gita, “Sire, het volk mort.  Sociaal protest in België 1831-1918.”, AMSAB, Uitgeveri  Hadewijch 1997, hoofdstuk 3.
  11. DENECKERE Gita, “Het katoenoproer van Gent in 1839.  Collectieve actie en sociale geschiedenis”, uitgeverij SUN Nijmegen/uitgeverij Kritak 1998.
  12. Tijdschrift “Ghendtsche tydinghen”, jaargang 1997 nr. 3.
  13. DENECKERE Gita, op. cit.
  14. Als op 8 mei 1847 de geboorte van Eugenius’ zoon Benedictus Capitaine wordt aangegeven, noteert men in de akte “geboren in zijn huys gestaen te St.-Amandsberg“.
  15. GO, register van bevolking 1847-1867, boekdeel 3, p. 131.  De huizen zijn per wijk gegroepeerd (Westveld, Dendermondse-steenweg, Antwerpsesteenweg, Sint-Amandsberg …) en hebben een doorlopende nummering.
  16. De familienaam “Capitaine” werd in deze periode omgevormd tot “Capiteine” en tenslotte tot “Capiteyn”.
  17. GO, bevolkingsregister 1847-1867, boekdeel 3, p. 131.
  18. DSA, Burgerlijke Stand, bevolkingsregister 1870 – 1880, boek 4, folio 1554.
  19. RAG, modern notariaat, depot Van Impe, archief Francis Leopold De Backere notaris te Gent, nr. 43 akte 297 en 298 dd. 23/08/1866.