Wie niet waagt, niet wint, de grote sprong voorwaarts

Vanaf 1848 begon de economische hemel langzaam op te klaren als gevolg van de consequente liberale koers die België inzake handelspolitiek ging voeren.  Voornamelijk onder invloed van Groot-Brittannië vielen geleidelijk protectionistische tolbarrières weg en koos men voor onbelemmerde vrijhandel. 1  Hierdoor kon zeker Gent en onmiddellijke omgeving zich economisch herpakken en volgde er een krachtige expansie van de industrie.  In de periode 1846 – 1896 kende de stad een gemiddelde aangroei van ongeveer 70 bedrijven per jaar.  Hun aantal steeg van 1.500 in 1846 tot 5.000 in 1896, waarbij de textielindustrie iets meer dan de helft van de werkkrachten voor haar rekening bleef nemen. Een sector waarin naast Eugenius Capiteyn ook zijn kinderen actief waren.  Volgens de oudste bevolkingsregisters was dochter Coleta spinster en de zonen Seraphin, Jacobus, Alfonse en Benjamin aanvankelijk alle vier wever. 2

Andere sectoren die in de tweede helft van de 19de eeuw in de lift zaten waren het bouwbedrijf, de chemische nijverheid en de voedingsnijverheid.  Vanaf ca. 1860 mag men in België van een algemene economische bloei spreken.  In de periode 1872 – 1891 zien we ook in de ondertussen zelfstandig geworden gemeente Sint-Amandsberg allerhande nieuwe bedrijven opduiken zoals “een droogmakerij van dierenbloed”, “stijfselfabrieken”, een “potbakkerij,een “roetsmelterij, een darmkuiserij, een beenzwartfabriek,en  wattebereiderij, een “landvettefabriek” (= meststoffen), een “mecaniekatelier, paardenslachterijen, stoommolens voor het graan, een bedrijf voor verfhoutverbrijzeling, enz. 3  Fabriekjes die bijna allemaal stoommachines als krachtbron gebruikten.

Het was in deze periode van economische bloei dat het gezin Capiteyn – Vermeire nog één keer met pak en zak zou verhuizen.  Juni 1867 ging het richting “Meerschstraat nr. 27” (nu Halvemaanstraat). Het huis waar hun zoon, Seraphin Capiteyn sinds ongeveer één jaar inwonende dienstknecht was van Hélène De Rudder “chocolatfabriekante”.

Met de verhuis begon een nieuw leven voor de familie Capiteyn.  Tot dan hadden ze hun dagelijks brood verdiend als werknemer in de textielindustrie.  Nu namen ze met vereende krachten een chocolade- en suikerijfabriekje (= cichorei) over.  Voortaan zouden ze als zelfstandigen voor eigen rekening werken.

Dat de familie het fabriekje kon overnemen was te danken aan een samenloop van omstandigheden.

Philippe Duprez, de man die ca. 1856 in de “remises” achter zijn huurwoning in de “Meerschstraet” een bescheiden chocoladefabriekje had opgestart, was in mei 1865 onverwacht overleden, nauwelijks 41 jaar oud.  Aanvankelijk had zijn 33-jarige weduwe Hélène De Rudder (°Gent 4/06/1832) samen met de inwonende knecht Francis Verniers het fabriekje draaiende gehouden.  Toen deze knecht in maart 1866 overleed, werd zijn plaats ingenomen door een nieuwe inwonende “dienstkneght”: de 29-jarige Seraphin Capiteyn. 4  Het leiden van een bedrijf was echter niet iets waar de jonge weduwe van droomde.  Een ernstig bod om haar bedrijfje over te nemen, zou dus zeker overwogen worden.

Net in deze periode overleed op 28 januari 1867 Franciscus Gantois, de weduwnaar van Ilderique Capitaine (+Gent 5/11/1863).  Hierdoor eindigde zijn vruchtgebruik over de nalatenschap van zijn echtgenote.  Men kon deze dus eindelijk alles te gelde maken en de opbrengst verdelen tussen haar erfgenamen: enerzijds haar kinderen en enerzijds haar broers en zussen.  In april 1867 was alles rond. Eugenius Capiteyn, die recht had op 15/128sten, mocht het niet onaardige bedrag van 3.499 frank 24 centiem opstrijken. 5 6  Een som waarmee men zich toen probleemloos een bescheiden arbeiderswoning kon aanschaffen.  Blijkbaar kon zoon Seraphin zijn bejaarde vader overtuigen om dit kapitaaltje te investeren in de overname van het chocoladefabriekje waar hij ondertussen een jaar werkte.  Helena De Rudder ging akkoord en juni 1867 verhuisde zij naar Gent en de familie Capiteyn naar de “Meerschstraat nr. 27”.

Zonder de erfenis van Eugenius’ zus zou de overname nooit zijn doorgegaan.  Niemand in het gezin of familie beschikte immers over financiële reserves.  Met uitzondering van Ilderique Capitaine waren het allemaal gewone wevers en arbeiders, analfabeet en zonder onroerend goed om te belenen. 7

Binnen de kortste keren bleek de “chocolatfabriek” een zeer goede investering.  Krap twee jaar na de overname betaalde Eugenius reeds voldoende belasting om binnen het cijnskiesstelsel gemeentelijk stemrecht te verkrijgen en daarenboven op een select lijstje te worden bijgeschreven.

Alle Oost-Vlaamse gemeenten waren juli 1869 door de provinciegouverneur aangeschreven om hem een lijst te bezorgen van de “koophandelaars” die voldeden aan de voorwaarden om stemgerechtigd te worden voor de eerste verkiezingen voor de Koophandelsrechtbanken die in Gent, Aalst en Sint-Niklaas zouden gehouden worden. 8  De voorwaarden, zoals vastgesteld in het Belgisch Staatsblad van 26 juni 1869, waren:

– beschikken over het gemeentelijk stemrecht

– aan patentrecht minstens 42,42 fr. betalen aan ‘s rijksschatkist. 9

foto 1

Familiearchief Capiteyn, foto voorgevel woonhuis “Meerschstraat nr. 27” (= nu Halvemaanstraat), toestand 2005.  Uiterst rechts op de foto de schouw die in 1860 werd opgetrokken in functie van de installatie van een stoomketel het voormalige koetshuis.

Na wat verwarring over de vraag of ook de belasting op alcoholische dranken in aanmerking mocht worden genomen voor het bepalen of men al dan niet voldoende patentrecht betaalde, kwamen de lijsten bij de provinciale administratie binnen. 10  De lijst, die het schepencollege van Oostakker/Sint-Amandsberg op 12 augustus 1869 had opgemaakt, telde zes personen die in aanmerking kwamen voor het kiesrecht: 11

1) BRAECKMAN Frederic, zout- en zeepzieder, Voorstraat 128, patentrecht 117,70 fr.

2) BRAECKMAN Victor, brouwer, Voorstraat 124, patentrecht 73,70 fr.

3) CAPITEYN Eugene, suikerijfabrikant, Meerschstraat 27, patentrecht 53,90 fr.

4) HOORENS Joseph, olieslager, Voorstraat 69, patentrecht 69,30 fr.

5) MERTENS Charles Louis, bloempelder, Voorstraat 59, patentrecht 62,70 fr.

6) MERTENS Pieter, zout- en zeepzieder, Voorstraat 53, patentrecht 83,60 fr.

Het lijstje toont dat het economisch zwaartepunt van de gemeente Oostakker volledig binnen het gehucht Sint-Amandsberg lag, en meer specifiek in de onmiddellijke omgeving van de Dampoort.

De Voorstraat was immers het stuk van de huidige Antwerpsesteenweg dat door het centrum van het gehucht liep.

Enkele weken later werd door de wijkagent een tweetalige kiesbrief ten huize Capiteyn bezorgd.  Het is niet waarschijnlijk dat Eugenius van zijn stemrecht effectief gebruik heeft gemaakt.  Alles speelde zich af in een (Franstalig) milieu dat hem totaal vreemd was.

foto 2

Een oproepingsbrief voor de verkiezing van de Koophandelsrechtbank zoals Eugenius Capitaine in september 1869 ontving

Bovendien was hij twee jaar eerder niet in staat geweest “te kunnen naemteekenen als ongeleerd zynde”. 12  Ook het overgrote deel van de andere kiesgerechtigden lag niet echt wakker van de samenstelling van de Koophandels-rechtbank.  Toen op het Gentse stadhuis op 28 september 1869 het proces verbaal van de verkiezing werd opgemaakt bleken er uit het volledige arrondissement slechts 47 kiesgerechtigde koopmannen te zijn opgedaagd.  Een verwaarloosbare opkomst want alleen al de lijst met stemgerechtigden die de stad Gent aan de gouverneur had overgemaakt telde 576 kiesgerechtigden. 13

Voor een man die tot 1867 werd teruggevonden als gewoon “katoenwever” en wiens naam in 1866 niet voorkwam op de gemeentelijke kieslijst van Oostakker, 14 had Eugenius het in korte tijd (1869) ver geschopt.  Iets waarvan de op dat ogenblik 62-jarige Eugenius misschien zelf het meest opkeek.  De sociale promotie was vooral te danken aan de inzet van zijn zonen Seraphin en Benjamin, de echte drijvende krachten binnen het bedrijfje.

Er werd mooi geld verdiend, maar men hield het hoofd koel en elke frank werd gewikt en gewogen eer men tot een uitgave besloot.  Waarom geld uitgeven voor nieuwe spullen, als men die ook goedkoper tweedehands kon verwerven.  Toen bijvb. op woensdag 3 juli 1872 om 9u ’s morgens herbergier Jean Baptiste Van Breusegem allerlei zaken die hij in de loop der jaren had verzameld openbaar liet ver-kopen, waren verschillende leden van het gezin Capiteyn van de partij.  Vader Eugenius kocht potten en een “kasserool”.  Seraphin kocht zes stoelen, een tafel, een kast en “laurierboomen” voor in de tuin. Zijn broer Alphons kocht enkele bezems.  Hun broer Jacobus kocht een “bedstoel” (= bedden-bak). 15

Het is onduidelijk wat juist de hoofdactiviteit van Eugenius’ bedrijfje was.  Op de kieslijsten (1869 en 1873) voor de rechtbank van Koophandel staat hij als “suikerijfabrikant” (= cichoreifabrikant) in-geschreven.  De kadastrale leggers uit die tijd vermelden enkel een “chocolaatstoomfabriek”.  In de “Wegwijzer der Stad Gent 1869”, een voorloper van de huidige gele gids, staat hij met de twee activiteiten vermeld.

foto 3

foto 3a

SAG, Wegwijzer der stad Gent, 1869

Nadat Sint-Amandsberg een zelfstandige gemeente was geworden bleef Eugenius Capiteyn één van de lokale economische zwaargewichten. 16  Op 17 mei 1873 werd door het college van Burgemeester en Schepenen beslist dat: “Gezien den brief van d’heer Gouverneur der Provincie Oost-Vlaanderen in date 15 mei 1873, 4de afdeeling Reg.C/47 nr. 3548 betrekkelijk de halve vernieuwing der Koop-handelsrechtbanken, aan het Kollegie gezonden ten einde hem te laten toekomen eene lijst van de Koophandelaars dezer gemeente die aan ’s rijks schatkist, uit hoofde van hun patentrecht, de som van Fr 42,32 betalen en die zich op de kieslijst van de benoeming der gemeenteraadsleden bevinden.  Stelt vast de volgende lijst welke aan den heer Gouverneur in dreivoudig afschrift zal worden gezonden:

1ste BRAECKMAN Victor, brouwer

2de CAPITEYN Eugene, suikerijfabrikant

3de HOORENS Joseph, olieslager

4de MERTENS Ch. Louis, bloempelder

5de VERMANDERE Eduard, brouwer

Hoe opmerkelijk Eugenius’ sociale promotie was blijkt uit het “Verslag van den toestand der gemeente” opgemaakt op 29 januari 1874.  De in 1872 van Oostakker afgesplitste, nieuw gecreëerde gemeente Sint-Amandsberg telde op 31 december 1873 in totaal 4.726 inwoners.  Hiervan waren er slechts een beperkt aantal volgens het cijnsstelsel stemgerechtigd. 17

– voor de gemeenteraad: 234 mannen (= 4,95 % van de inwoners)

– voor de provincieraad: 137 mannen (= 2,89 % van de inwoners)

– voor de wetgevende kamers: 63 mannen (= 1,33 % van de inwoners)

Het gemeentelijk stemrecht was niet het eindpunt.  Al snel verwierf Eugenius ook het provinciaal stemrecht en toen op 14 augustus 1883 het schepencollege overging tot de herziening van de kiezers-lijsten 1884-1885 stelde men vast dat op basis van de belastingaanslagen vijftien personen voor het eerst “de vereischte voorwaarden bezitten om op de lijsten der Wetgevende Kamers te worden gebracht”.  Eugenius was één van hen.  Jammer genoeg een louter theoretisch recht want op 17 mei 1883, twee maanden voor de kiezerslijst werd opgesteld, was hij overleden.

Het was dan ook zijn zoon Seraphin Capiteyn, de nieuwe bedrijfsleider, die op de lijst van stem-gerechtigden voor de Wetgevende Kamers werd bijgeschreven.  Een select lijstje waar toen slechts 122 namen op prijkten. 18  Seraphins broer en vennoot in het bedrijf, onze voorouder Benjamin Capiteyn, verkreeg het stemrecht voor de Wetgevende Kamers in 1886.  Hun broer Heliodore, aanvankelijk arbeider nadien herbergier, verwierf het provinciaal stemrecht in augustus 1880.  Eugenius’ kinderen hadden zich op de maatschappelijke ladder letterlijk naar boven gewerkt.

Eugenius Capiteyn en zonen konden natuurlijk alleen maar veel belastingen betalen omdat er met het bedrijfje flink wat winst werd gemaakt.  In het kader van de algemene economische groei, liet de goed verdienende burgerij het geld rollen.  Veel meer dan vroeger gingen ze naar restaurants, gaven ze thuis feestjes, werd er wijn gedronken, enz..  En aten en dronken ze meer chocolade.  Een product waaraan niet langer louter medicinale kwaliteiten werden toegeschreven, zoals dat een 40-tal jaren eerder nog het geval was geweest, maar dat tot een populair luxeproduct was geëvolueerd.

Bedroeg de import van cacaobonen door België in de jaren na 1850 ongeveer 200 ton/jaar dan was dit na 1860 gestegen tot 300 ton/jaar.  Tussen 1870 en 1879 werd er gemiddeld 480 ton/jaar geïmporteerd.  Ook de import van chocolade zelf ging in stijgende lijn.  In 1840 voerde België jaarlijks slechts 2 ton buitenlandse chocolade in.  In 1854 was dit ruim verdubbeld tot 4.551 kg.  Tussen 1860 en 1870 steeg de invoer tot 27 ton/jaar.  Het volgende decennium werd gemiddeld 83 ton/jaar gehaald om tenslotte vanaf 1880 ruim de 250 ton/jaar te overschrijden.

In Brussel (de enige stad waarover gegevens gepubliceerd zijn) waren er in 1871 minimaal 48 chocoladefabrikanten actief.  Een verdubbeling ten opzichte van 1840. 19 20

Het groeiende economisch belang van de handel in en verwerking van cacao en chocolade had drie grote oorzaken: 21

– Het procedé dat Louis Van Houten in 1828 had uitgevonden, waarbij de cacaoboter uit de cacaopasta werd geperst, had algemeen navolging gekregen.  Hierdoor kon de consument een chocolade worden aangeboden die veel lichter verteerbaar was en bovendien aangenamer van smaak.  Belangrijk was ook dat de chocolade hierdoor beter bewerkbaar was en “chocolatiers” er dus hun creativiteit kondenop botvieren.

– Door de mechanisatie konden de fabrikanten goedkoper produceren waardoor chocolade voor eengroter publiek betaalbaar werd.

– Chocolade en cacao werden vanaf het midden van de 19de eeuw omwille van de voedzaamheid in grote hoeveelheden door het leger opgekocht en onder de vorm van repen uitgedeeld aan de soldaten als een soort noodrantsoen.

Ook de cichoreifabriekjes deden het meer dan goed.  De trafiek van “chicorée seche” via de Gentse haven nam van jaar tot jaar toe.  In 1872 werd een hoeveelheid van 2.664.787 kg geëxporteerd,  een jaar later was dit toegenomen tot 4.092.000 kg.  In 1874 was de hoeveelheid ten opzichte van twee jaar eerder zelfs meer dan verdubbeld tot 5.365.000 kg. 22  De “gok” van de familie Capiteyn om in 1867 de “suikerij- en chocolatfabriek” van weduwe Duprez over te nemen gebeurde dus onder een gunstig gesternte.

Voor de winst werd een veilige bestemming gezocht en gevonden.  Het Bureel van Weldadigheid van Sint-Amandsberg, een voorganger van het OCMW, besloot in de loop van 1876 een stuk grond in de Molenstraat 23 (de huidige Wittemolenstraat) verkaveld.  Op 1 september 1876 werden de 17 percelen bouwgrond via aan openbare verkoop te gelde en “suikerijfabrikant” Eugenius Capiteyn wist twee naast elkaar liggende percelen te verwerven.  Het ging om de loten 11 en 12, elk 5 meter breed aan de straatzijde en elk 133 m2 groot.  Hij betaalde er 1.400 frank voor. 24

Enkele maanden later, op 26 februari 1877, vroeg hij het schepencollege toestemming “de construire sur mon terrain, situéé dans la rue des moulins, deux maisons, d’une largeur ensemble de dix mètres; d’après les plans ci-joint; et en se conformant a toutes les instructions de la commune”. 25  De bouw-tekening van de gevel toont twee eenvoudige arbeiderswoningen, bestaande uit twee bouwlagen met in elke bouwlaag één venster.  Op 12 juni 1877 verleende het schepencollege de bouwvergunning mits de huizen gebouwd werden “in het verlengde der richting van de aanpalende huizen”. 26  De huizen werden door Eugenius verhuurd aan derden.

De houterige handtekening “e:capiteine” maakt duidelijk dat de in het Frans opgestelde brief door iemand anders was geschreven.  Hoogstwaarschijnlijk door zoon Seraphin Capitaine die het plan “voor vader” zou ondertekenen.

foto 4

Gemeentehuis Sint-Amandsberg, archief technische diensten, register 108 Bouwingen 1851-1880.  Eugenius Capiteine vraagt toestemming om op zijn stuk grond in de (Witte)Molenstraat twee woningen te bouwen.

foto 5 (2)

Gemeentehuis Sint-Amandsberg, archief technische diensten, register 108 Bouwingen 1851-1880.  Bouwtekening van de twee woningen in de Wittemolenstraat die in 1877 door Eugenius Capiteyn werden gebouwd.

De zaken bleven goed gaan en op 9 juli 1879, kocht Eugenius Capiteyn twee huizen te Sint-Amands-berg in de Joseph Gerardstraat, net bij hem om de hoek.  Het waren arbeiderswoningen die acht jaar eerder werden gebouwd. 27 28   Van leningen of hypotheken was geen sprake, de koopsom van 5.000 fr werd contant betaald.

Waarschijnlijk wou Eugenius met de aankoop van deze huizen de ontsluiting, en dus de toekomst, van zijn bedrijf veilig stellen.  In 1879 was hij immers nog steeds louter huurder van “zijn” woonhuis en achterliggende bedrijfsgebouwen.  Het geheel lag middenin de wijk en was via een lange oprit met de Halvemaanstraat verbonden.  Tussen woning en straat lag een groot braakliggend perceel.  Indien de eigenaars ooit tot verkoop zouden besluiten, bestond het risico dat de aankoop van de gebouwen en de grote hoeveelheid grond die de site omgaf, Eugenius’ middelen te boven zou gaan.  De kans was dus groot dat men de woning en bedrijfsgebouwen zou afsplitsen en het perceel aan de Halvemaanstraat zou verkavelen als bouwgrond.   Hierdoor kon de toegang tot de straat problematisch worden en bestond het gevaar dat het bedrijfje uiteindelijk middenin de wijk opgesloten zou komen te zitten.  In dat geval konden de huizen in de Joseph Gerardstraat gezien hun ligging eventueel tot een alternatieve toegang worden omgevormd. Dat waren echter zorgen voor later en ondertussen konden de huizen worden verhuurd.

foto 6

fonds kaarten en plans, kaart nr. 356, detail, situatie 1721.  De pijl toont de woning te Sint-Amandsberg die in 1867 door Eugenius Capiteyn werd gehuurd.  In 1879 waren de gronden tussen de voormalige molensite middenin de wijk en de Meersstraat / Halvemaanstraat nog onbebouwd.  Langs de Antwerpsesteenweg (de brede baan rechts van de pijl) was alles toen volgebouwd.  De Joseph Gerardstraat die de Antwerpsesteenweg met de Meersstraat verbond, werd pas halfweg de 19de eeuw aangelegd, dwars door de wijk iets boven de windmolen op de kaart.

Het bedrijf was ondertussen omgevormd.  In de kadastrale registers verdwijnt in 1877 de “suikerij- en chocolatfabriek” en wordt deze omgebouwd naar een “peper & canelle stoommolen”. 29  Uit wat deze omvorming technisch ook mag hebben bestaan, het waren investeringen in gehuurde panden.  Het kan dan ook niet anders dan dat hierover tussen de familie Capiteyn en de eigenaars, de kinderen van wijlen Renerius Verhulst, afspraken werden gemaakt.  Jammer genoeg kon geen enkele overeenkomst worden teruggevonden.

Onder druk van schuldeisers en om eindelijk uit onverdeeldheid te treden, besloten de eigenaars in 1881 om hun bezittingen binnen de wijk te verkavelen en van de hand te doen per openbaar opbod. Via de “Gazette van Gent” werd het publiek ervan in kennis gesteld dat op 4 en 11 mei 1881 “telkens om 3 ure namiddag, ter afspanning de 3 Koningen te Sint-Amandsberg, Grootensteenweg” de Gentse notarissen Soinne en Braet in totaal achttien loten ter veiling zouden brengen. 30  Bij het begin van de veiling werden de geïnteresseerden er op gewezen dat lot II, een “woonhuis met magazijn en hoving, gebruikt tot nijverheidsgesticht, groot 1.651 vierkante meters”, verhuurd was aan de heer Capiteyn voor de som van 600 fr. per jaar, maar dat het huurcontract een paar maanden later, op 1 februari 1882, afliep.

foto 7

In het rood de twee huizen in de Gerardstraat door Eugenius Capiteyn gekocht in 1879.  In het groen het perceel met woon-huis, achterliggend maalderijgebouw en tuin die door Eugenius werd gehuurd.  In het blauw de percelen die eigendom waren van de erven Verhulst-Van Hecke.

Deze openbare verkoop zal binnen het gezin Capiteyn voor grote onrust hebben gezorgd.  Ofwel zouden ze erin slagen om het huis en de bedrijfsgebouwen te kopen, ofwel zou iemand anders meer bieden dan ze zelf konden opbrengen.  Indien een nieuwe eigenaar niet van plan zou zijn om met de familie Capiteyn een nieuw huurcontract af te sluiten, dreigden ze met ingang van 1 februari 1882 niet alleen op straat te staan, maar bestond ook het risico dat ze hun broodwinning verloren.

Gelukkig kwam het niet zo ver.  Toen in de namiddag van 23 mei 1881, na een derde zitdag, Eugenius ietwat beverig zijn handtekening onder de definitieve notariële akte zette, mocht hij zich, na 15 jaar huurder te zijn geweest, voortaan eigenaar noemen van: 31

– de bedrijfsgebouwen waaronder de “peper & canelle stoommolen” sectie A nr. 316

– het bijhorende woonhuis sectie A nr. 319b

– de percelen sectie A nr. 321b en 321c, delen van de verkavelde tuin

Het had hem in totaal 8.255,40 fr. gekost.  Geld dat blijkbaar voorhanden was want er werd geen hypotheek op de onroerende goederen van Eugenius gevestigd.

foto 8

SAG, Gazette van Gent, 15 mei 1881

foto 9

De stuntelige handtekening van Eugenius Capitaine onder de akte van toewijzing na de openbare verkoop dd. 23 mei 1881.

De wijk tussen Antwerpsesteenweg en Halvemaanstraat kreeg na de verkaveling en verkoop van de percelen snel een sterk nijverheidskarakter en sloot zo naadloos aan bij de evolutie in de 19de-eeuwse gordel van Gent zelf.  Naast het bedrijfje van Eugenius verschenen binnen de wijk een wijnbottelarij en een mouterij.  Aan de overzijde van de Halvemaanstraat werd een matrassenfabriek gebouwd.  Een beetje verder in de straat een metaalbedrijf, een meubelfabriekje, een stijfselfabriekje, enz.

Nu de familie Capiteyn eindelijk eigenaar, en dus baas, was geworden van de Meersstraat nr. 131 (nu Halvemaanstraat nr. 137), lieten ze er geen gras over groeien.  Voor de “peper & canelle stoommolen” is reeds in het jaar van aankoop (1881) sprake van een “agrandissement”.  Ook de toegang tot het terrein werd aangepakt.  Op 18 juni 1881, minder dan één maand na de aankoop, kreeg Eugenius Capiteyn toestemming om parallel aan de rooilijn, een 50-tal meter voor zijn woning, een poortwoning te bouwen. 32 33

Opmerkelijk is dat het kopen van het bedrijfsgebouw met bijhorende woning en tuin, de bouw van een nieuwe woning aan de straatkant, het vergroten van de bedrijfsgebouwen … en dit alles binnen een bestek van een paar maanden, kon worden betaald zonder dat één van de huizen in de Molenstraat of Joseph Gerardstraat diende te worden verkocht.  Ook van een eventuele lening of hypotheek is geen spoor teruggevonden.  De familie Capiteyn had blijkbaar flink wat geld opzij gelegd.

Twee jaar na de aankoop van het bedrijf stierf Eugenius Capiteyn op 17 mei 1883 in zijn huis in de Halvemaanstraat, 76 jaar oud. 34  Vier weken voor zijn overlijden hadden zijn zonen Seraphin en Benjamin Capiteyn op 19 april 1883 samen de bedrijfsgebouwen met het daarbij horende woonhuis, poorthuis en tuin overgekocht. 35 36  In de notariële akte omschreven als: “eigendom bestaande uit twee woonhuizen, tuin, magazijn en alle andere katheilen er op staande en medegaande”.  Waar-schijnlijk gebeurde dit om familiale perikelen rond de erfenis te voorkomen.  Een bedrag van 2.500 fr. werd onmiddellijk betaald.  De resterende 8.000 fr. zouden de zonen binnen de vijf jaar aflossen tegen 3,5 % rente.

Drie weken na het overlijden van hun vader verwierven de twee broers op 4 juni 1883 voor 5.256 frank 25 centiem de volledige inboedel van het huis en de machines en gereedschappen die zich in de bedrijfsgebouwen bevonden. 37  Het uitkopen van hun mede-erfgenamen gebeurde blijkbaar in de beste verstandhouding want niemand drong aan op een officiële schatting.

De huizen in de (Joseph) Gerardstraat en in de (Witte)Molenstraat werden in onverdeeldheid gehouden door “Vermeire, weduwe en kinderen”. 38  Met acht volwassen kinderen/erfgenamen in leven, plus de respectievelijke schoonbroers en schoonzussen, was dit natuurlijk maar een tijdelijke oplossing. Bovendien was het na verloop van tijd ook nodig om enkele andere zaken uit te klaren.

Twee jaar na Eugenius’ overlijden kwamen al zijn erfgenamen op 23 februari 1885 samen in de Halvemaanstraat.  Weduwe Francisca Vermeire werd bijgestaan door de twee zonen bij wie ze was blijven inwonen: Seraphin en Benjamin Capiteyn, “chocolade en chicoreifabrikanten”. 39  Samen verklaarden ze dat behalve de gekende onroerende goederen (de vier huizen, vrij van hypotheken) de nalatenschap van Eugenius ook bestond uit 3.260 frank “gereede gelden”.  Bij zijn overlijden waren er ook zes obligaties van elk 100 frank uitgegeven door de stad Antwerpen, in huis geweest.  Die waren ondertussen verkocht.

Bij de vorderingen ten voordele van het sterfhuis werd melding gemaakt van het bedrag dat Seraphin en Benjamin nog dienden af te betalen.  Ook broer Alphons liet optekenen dat hij zijn vader nog geld schuldig was geweest, maar dat hij ondertussen al een deel had terugbetaald aan zijn moeder.  Ook de andere kinderen Capiteyn dienden hun moeder en wijlen hun vader nog geld, maar daar werd verder niet op ingegaan.  Belangrijker was het besluit om de onroerende goederen openbaar te verkopen.  Alle kinderen Capiteyn konden vlot hun handtekening zetten onder de akte.  Francisca Vermeire en de aanwezige schoonzonen verklaarden daartoe niet in staat te zijn.

De openbare verkoop vond plaats op 18 augustus 1885 in herberg “De Barriere” te Sint-Amandsberg. Dit was de herberg die eigendom was, en werd uitgebaat door, Coleta Capiteyn en haar man.  Na drie zitdagen werden de twee huizen in de Molenstraat toegewezen aan Nazarinus De Pue, “metser en plafonneur” voor 6.150 frank.  De huizen in de Gerardstraat werden ingekocht door Coleta Capiteyn en haar echtgenoot Jan Baptiste Van Bruesegem voor 6.050 frank. 40

Als we de opbrengst optellen bij het bedrag dat Seraphin en Benjamin voor de woning, maalderij en inboedel twee jaar eerder hadden betaald.  En de som verder aanvullen met de obligaties en contanten die Eugenius in huis had bij overlijden komen we tot ca. 29.500 frank.  Op 16 jaar tijd had hij dus zijn startkapitaaltje van 3.500 frank, de erfenis van zijn zus Ilderique, bijna vertienvoudigd.

Veel contant geld kregen de kinderen Capiteyn eind 1885 na de openbare verkoop niet in handen.  Als gevolg van de wederzijdse schenkingsakte uit 1866 tussen Eugenius en zijn vrouw, had weduwe Francisca Vermeire ¾ van de nalatenschap in volle eigendom gehad en over het resterende ¼ vrucht-gebruik.  Niets wijst er op dat ze afstand deed van haar aandeel in de opbrengst van de huizen.  Wel weten we dat 1.000 frank werd belegd in 10 obligaties van elk 100 frank uitgegeven door de stad Brussel tegen 2,5% intrest per jaar.

Enkele jaren later besloot de ondertussen 80-jarige Francisca Vermeire dat het misschien tijd werd om haar kinderen financieel wat te helpen.  Haar geld gewoon geld uitdelen was er echter niet bij.  Op 5 februari 1891 schonk ze verschillende kinderen een bedrag, maar in ruil dienden die jaarlijks  4% rente te betalen.

Coleta ontving 1.500 fr., Jacobus 633,78 fr., Alfons 1.408,84 fr. en Benedictus 698,26 frank. 41  Op 4 juni 1896 ontvingen de broers Seraphin en Benjamin samen 3.700 frank tegen dezelfde voorwaarden: 4% rente per jaar.

Overeenkomsten zijn één zaak, ze nakomen iets anders.  Dat bleek bij de inventarisering op 9 februari 1903 van de nalatenschap van Francisca Vermeire (+ Sint-Amandsberg 7/06/1902, op 92-jarige leef-tijd). 42 43  Enkel dochter Coleta en zoon Alfons hadden elk jaar hun 4% intrest betaald.  Van haar andere kinderen had ze nooit iets ontvangen.  Dit werd natuurlijk bij hun erfdeel verrekend.

Er kwam bij de inventarisatie ook en oud testament boven water, opgemaakt op 16 september 1884 voor de Gentse notaris Cyriel De Wilde. 44  Daarin had Francisca Vermeire, een jaar nadat ze weduwe was geworden, haar kinderen Coleta en Alfons onterfd.  Althans voor het deel van haar bezittingen waar ze zelf vrij kon over beschikken.  Dit testament was nooit herroepen, mogelijk was Francisca het uiteindelijk gewoon vergeten, en dus kregen Coleta en Alfons enkel het wettelijk minimum in de nalatenschap van hun moeder.

Het testament was niet het enige officiële document met verstrekkende gevolgen.  Zo was er ook een notariële akte opgemaakt tussen Francisca Vermeire en de twee zonen Seraphin en Benjamin bij wie ze inwoonde.  Op 27 december 1886 waren ze wederzijds overeengekomen en met terugwerkende kracht vanaf 4 ,juni 1883, dat “Madame Capiteyn – Vermeire zal mogen inwonen ten huisgezinne der medecomparan-ten en zal er genieten haren dagelijkschen onderhoud van kosten, maaltijden, oppas, naijen, wasschen en plasschen, immers zooals zij zoude deelmaken van het huishouden.  In geval van ziekte zal zij onderhouden worden van zorgen zooals een ziekelijk persoon behoort, doch de kosten van doktors, medicamenten, ziekendiensters, indien noodig, blijven haren personelen laste en sgelijks den aankoop van kleederen, de begravingskosten en andere uitgaven naar het overlijden te doen.  Zij heeft voor dezen onderhoud te betalen twee franks per dag welke som hare kinders vermogen af te houden voorop en buiten paart van hare erfenis, indien zij niet vroeger is gekweten.  Er is ook bedongen dat kwame madame Capiteyn het huisgezin te verlaten er zal rekening gehouden worden van zooveel dagen onderhoud zoveel maal twee franks.

Die 2 frank/dag was nooit effectief betaald door Francisca Vermeire.  Seraphin en Benjamin waren hun moeder immers nog geld schuldig (aankoop huis, maalderij en inboedel + de achterstallige rente over 3.700 frank) en men zou alles wel bij de erfenis verrekenen.  Niemand had in 1883 of 1886 echter gedacht dat moeder 92 jaar zou worden wat uiteindelijk resulteerde in een trekkingsrecht van 2 fr./dag x 365 dagen x 19 jaar.  Gevolg was dat Seraphin en Benjamin al hun schulden zagen wegvallen en ze in ruil voor het laten inwonen van hun moeder, alles dus “gratis” in handen hadden gekregen.

Als oudste kind mocht Seraphin ook alle persoonlijke spullen van zijn moeder houden.  Het ging om: “De kleederen der overledene bestaande in: dry zwarte stoffen rokken, zwarte stoffen jak, twee wollen neusdoeken, vier blauwe voorschotten, zeven paar kousen, gebreide lyfrok, twee lyvekens, wollen rok, katoenen rok, twee zakneusdoeken, twee hemden, twee slaapmutsen, twee ondermutsen, twee kleer-zakken.”  Samen  goed voor 15 frank.  De enige zeer bescheiden luxe bestond uit “twee ligte gouden ringjes”, goed voor 10 frank.  Van hoeden, paraplu, kant, oorringen, sierspelden, halssnoeren of uurwerk is geen sprake.  Ondanks de mooie spaarpot had Francisca Vermeire dus sober geleefd.

Na de verdeling van de erfenis viel de familie uiteen en ging ieder zijn eigen weg.  Een aantal van Eugenius’ kinderen en kleinkinderen hadden flair voor zaken en werden nijveraar, herbergier, winkelier, paardenmakelaar en werden eigenaar van de eigen woning en zaak.

Ze bezaten het gemeentelijk of provinciaal stemrecht.  Een aantal hadden zelfs stemrecht voor de Wetgevende Kamers.  Een ander deel van de familie bleek echter niet in staat om hun leven een nieuwe wending te geven en bleven wever, spinster, stoelenvlechter, grafmaker, fabriekwerkster of leurder. 45 46

foto 10

Akte betreffende de nalatenschap van Francisca Vermeire, verleden voor de Gentse notaris Alfons Gustaaf Huybrecht dd. 9 februari 1903.

Van boven naar onder de handtekeningen van de kinderen van Eugenius Capiteyn en Francisca Vermeire: Seraphin, Benjamin, Jacobus, Alfons, Coleta, Maria, (schoonzoon Frans Dhondt) en Heliodoor.  Vervolgens de handtekeningen van de kinderen van wijlen Benedictus Capiteyn, dus kleinkinderen van het echtpaar Capiteyn-Vermeire: Julius, Julie (echtgenoot Victor Van De Wattyne), Romanie (echtgenoot Désiré Diegenant), Jacobus en Leocadia.  De laatste drie handtekeningen zijn  van Hendrik Van Brabant (als voogd namens de minderjarigen Maria en Clementina Capiteyn) en de twee wettelijke getuigen: Edmond Verhaege en Augustien David.



Notes:

  1. “Gentse torens achter rook van schoorstenen, Gent in de periode 1860 – 1895”, tentoonstellingscatalogus Stadsarchief, Gent 1983.
  2. DSA, bevolkingsregisters 1847 – 1867.
  3. DSA, archief gemeentebestuur Sint-Amandsberg, “Processen-verbaal zittingen Schepenkollegie 1872 – 1891”.
  4. DSA, archief Burgerlijke Stand, bevolkingsregister 1870 – 1880, boek 4.
  5. RAG, modern notariaat, depot Neve III, archief Jules Lammens notaris te Gent, nr. 20 akte 348, dd  8/12/1863.
  6. RAG, modern notariaat, depot Neve III, archief Jules Lammens notaris te Gent, nr. 27 akte 140, dd. 17/04/1867.
  7. RAG, modern notariaat, depot F. Soinne I, archief Emile Soinne notaris te Gent, nr. 53 gebundelde akten dd. 4 mei, 11 mei en 19 mei 1881.
  8. RAG, Provinciaal archief Oost-Vlaanderen 1851 – 1870, nr. 1351/1 stukken en staten betreffende kieslijsten voor Koophandelsrechtbanken.
  9. Het patentrecht werd ingevoerd in het jaar V van de Franse Republiek en was een belasting op inkomsten uit handel en nijverheid.  In 1819 werd een nieuw systeem voor het heffen van de patentbelasting ontworpen.  De vrije beroepen en bedrijven werden in 15 hoofdgroepen verdeeld met voor elke groep een  onderverdeling in klassen met daaraan gekoppeld een vast bedrag.  Naargelang de aard van het bedrijf (en de vermoedelijke winstgevendheid ) werd de patentplichtige bij één van deze klassen ingedeeld.
  10. De belasting op het schenken en verkopen van alcohol mocht uiteindelijk niet meegerekend worden waardoorwerd voorkomen dat de herbergiers en caféhouders de kiezerslijsten zouden overheersen.
  11. RAG, Provinciaal archief Oost-Vlaanderen 1851 – 1870, nr. 1351/1 stukken en staten betreffende kieslijstenvoor Koophandelsrechtbanken.
  12. RAG, modern notariaat, depot Neve III, archief Jules Lammens notaris te Gent, nr. 27 akte 140 dd. 17/4/1867.
  13. RAG, Provinciaal archief Oost-Vlaanderen 1851 – 1870, nr. 1351/1 stukken en staten betreffende kieslijsten voor Koophandelsrechtbanken.
  14. RAG, Provinciaal archief 1850-1870, nr. 542A/2, lijst met gemeentelijke kiesgerechtigden Oostakker dd. 30 oktober 1866.
  15. RAG, modern notariaat, depot De Cooman I, archief Camille Van De Weyer notaris te Oostakker, akte 68 dd. 3/07/1872.
  16. DSA, archief gemeentebestuur Sint-Amandsberg, “Processen-verbaal zittingen Schepenkollegie 1872-1891.”
  17. DSA, archief gemeentebestuur Sint-Amandsberg, “Processen-verbaal zittingen Schepenkollegie 1872-1891.”
  18. DSA, archief gemeentebestuur Sint-Amandsberg “Processen-verbaal zittingen Schepenkollegie 1872-1891, zitting 14 oogst 1883.
  19. “Chocolade, van drank van edelman tot reep voor alleman 16de-20deeeuw”, tentoonstellingscatalogus , ASLK, Brussel 1996.
  20. RAG, Kamer van Koophandel Gent, nr. 11 briefwisseling 1856, “Avant-projet de loi sur la revision du tarif des douanes”.
  21. KUIPER P.M. en SCHOOREL E.A., “Suiker-suikerwerk-, cacao- en chocolade-industrie”, PIE rapportenreeks nr. 2, uitgave Stichting Projectbureau Industrieel Erfgoed, Zeist 1994.
  22. SAG, reeks K, nr. 976, briefwisseling betreffende het tarief op cichorei, rapport dd. 24 april 1875.
  23. Het perceel Sint-Amandsberg, sectie C nr. 966.
  24. RAG, modern notariaat, depot Kluyskens, archief Charles Jean De Rudder notaris te Oostakker, nr. 4, akte 135 dd. 1/09/1876.
  25. GSA, archief technische diensten, nr. 108 “Bouwingen 1851 tot 1880”.
  26. De huizen worden vanaf 1878 in het kadaster teruggevonden als Sint-Amandsberg sectie C 966u en 966v.
  27. RAG, modern notariaat, depot Van Belle, archief Camille Van De Weyer notaris te Gent, nr. 8 akte 101 dd. 9/07/1879.
  28. Kadastraal Sint-Amandsberg, sectie A nr. 298s en 298t.  Thans Joseph Gerardstraat, huizen nrs. 37 en 39.
  29. GSA, archief technische diensten, nr. 852-860, kadastrale legger nr. 212, 9 volumes.  Komen voor het eerst voor als sectie A nr. 298s en 298t.
  30. SAG, “Gazette van Gent”, 8 mei 1881 en 15 mei 1881.
  31. Archief kadaster Gent, Relevé des actes publics et sous seing privé donnant lieu à des mutations dans les propriétés foncières, enregistrés au bureau de Loochristy depuis la 1e janvier 1882 jusqu’au 30 juin 1882.
  32. GSA, archief technische diensten, nr. 124, “Bouwingen; register der aanvragen van 1881 tot 1906.”
  33. GSA, archief technische diensten, nr. 109 “Bouwingen 1881 tot 1884”, dossier 9.
  34. DSA, registers Burgerlijke Stand.
  35. Archief kadaster Gent, Relevé des actes publics et sous seing privé donnant lieu à des mutations dans les propriétés foncières, enregistrés au Bureau de Loochristy 1884.
  36. RAG, modern notariaat, depot Van Impe, archief Francies Leopold De Backere notaris te Gent, nr. 74 akte nr. 124 dd. 18/04/1883.
  37. RAG, modern notariaat, depot Van Impe, archief Francies Leopold De Backere notaris te Gent, nr. 74 akte nr. 198 dd. 4/07/1883.
  38. GSA, archief technische diensten, nr. 852-860, kadastrale legger nr. 212, 9 volumes.
  39. RAG, modern notariaat, depot Kluyskens, archief Charles Jean De Rudder notaris te Oostakker, nr. 13 akte 25 dd. 23/02/1885.
  40. RAG, modern notariaat, depot Kluyskens, archief Charles Jean De Rudder notaris te Oostakker, nr. 13, akte 113 dd. 18/08/1885.
  41. De niet afgeronde bedragen die Jacobus, Alfons en Benedictus ontvingen wijzen er mogelijk op dat het ging om het aanzuiveren van schulden en tekorten.
  42. RAG, modern notariaat depot Kluyskens, archief Alphons Huybrecht notaris te Sint-Amandsberg, nr. 31, akte 80 dd. 18/08/1902.
  43. RAG, modern notariaat depot Kluyskens, archief Alphons Huybrecht notaris te Sint-Amandsberg, nr. 32, akte 11 dd. 9/02/1903.
  44. Het archief van deze notaris werd nog niet op het rijksarchief binnengebracht.
  45. DSA, archief Burgerlijke Stand, bevolkingsregister 1870-1880, 1880-1890, 1890-1900, 1900-1910.
  46. RAG, modern notariaat depot Kluyskens, archief Alphons Huybrecht notaris te Sint-Amandsberg, nr. 32, akte 11 dd. 9/02/1903.